Geschiedenis en ultramontane genoegens

In plaats van te lezen was ik weer eens op boekenjacht. Na weken bot te hebben gevangen, was ik erg hongerig geworden. Wekenlang leek er ook nauwelijks beweging in de voorraad van de bezochte locaties. Deze keer werd ik echter niet teleurgesteld. Ten eerste leek iemand zijn boekenplank Europese (met name Britse) geschiedenis te hebben leeggeruimd. Ik heb na zorgvuldige overweging mijn selectie gemaakt – zie hiervoor de eerste afbeelding. Ik vind dit nog leuker dan op de zoveelste halfnieuwe fictie te stuiten.

Wat het nog beter maakte, is dat er ook verschillende ‘oudjes’ tussen de boeken zaten, waarvan er drie mee naar huis mochten. Allereerst een fraai boek van Arthur van Schendel over Verlaine, “het leven van een dichter”: een dichterlijke schrijver over een andere dichter – dat is natuurlijk geen wetenschappelijk verantwoorde studie of biografie, maar als je het meer leest als een boek van Van Schendel i.p.v. een boek over Verlaine (deze zeer adequate formulering dank ik aan antiquaar Fokas Holthuis), dan is er veel te genieten. Dat geldt evenzeer voor de vormgeving van het boek. Wat een prachtig bandontwerp! Dit blijkt te zijn van Pieter Hofman, die banden ontwierp in symbolistische en art deco stijl. Zie voor meer over hem o.a. de fotoblog van Dutch Book Design over “laat symbolisme” en een kort artikel op de site van Rond 1900.

Geheel in de lijn van bovengenoemd geschiedenisplankje ligt het tweede oudje, Les Anglais au Moyen Âge: la vie nomade et les routes d’Angleterre au XIVe siècle, geschreven door J.J. (Jean Jules) Jusserand en uitgegeven in 1884 door de bekende uitgeverij Hachette te Parijs. De band is weliswaar een latere, waarschijnlijk particuliere binding, maar het blijft een aardig boekje. De auteur was een diplomaat, die o.a. Frans ambassadeur in Verenigde Staten was gedurende de Eerste Wereldoorlog, maar die zich ook erg interesseerde voor Engeland  – zo blijkt uit zijn vele Franstalige en Engelstalige publicaties over de geschiedenis van Engeland. Naar verluidt was hij zeer bedreven in het Engels en in de Romaanse talen.

Last but not least stuitte ik op een werkje van Louis Veuillot, Rome et Lorette, de 3e editie uit 1845. Hoewel de band een beetje beschadigd is, met name bovenaan de rug, en het binnenwerk niet overal meer vlekkeloos, ziet het er voor die leeftijd nog heel aardig uit. Ik kende de auteur helemaal niet, maar de op het eerste gezicht wat vroom aandoende inhoud gecombineerd met een reis naar Rome en Napels (pelgrimage?) en het feit dat dit boek uit de eerste helft van de 19e eeuw stamt, deed mij toch besluiten het mee naar huis te nemen.

Nader onderzoek naar de auteur, Louis Veuillot (1813-1883), leert dat de man journalist was en “homme de lettres”, groot voorstander en fel verdediger van particulier onderwijs. Hij geldt als “catholique passioné”, en dat is ook wat in het gekochte boekje is te merken. Als een soort Augustinus op moment van bekering vertelt hij vol smaak dat hij in zijn leven allerlei verkeerde keuzes heeft gemaakt, maar uiteindelijk toch gelukzalig in de handen van God viel. Een zekere Gustave levert hem de antwoorden op zijn levensbeschouwelijke vragen. Op de vraag bijvoorbeeld hoe het zit met de christelijke vrede en de strijd die er desondanks is, antwoordt deze:

“Que pourrions-nous désirer, si le corps habitait ici-bas en paix et en gloire, et si le coeur trouvait dans les tendresses humaines (…) tout ce qu’il y souhaite [wenst] et tout ce qu’il y a cherché? Mais la fleur et l’épine [doorn] sont sur la même branche; il n’est point de chemin aisé [gemakkelijk, vgl. Eng. ‘easy’] où l’on ne rencontre enfin la fatigue, de miel qui n’ait son degout, de beauté qui n’ait son imperfection, de paix humaine et de contentement terrestre où ne séjournent l’inquiétude et le desir; cela est bien, et nous devons remercier Dieu de laisser en nous ces témoignages de notre infirmité [onvolkomenheid, zwakte].” (pp. 118-119).

Wat houden we nog te wensen over als alles al op aarde in heerlijkheid vervuld wordt? De doorn behoort tot dezelfde tak als de bloem, elk geluk kent zijn schaduwzijde, elke aardse tevredenheid ook innerlijke onrust en verlangen, en we moeten God danken voor dit verlangen, het maakt ons bewust van onze onvolkomenheid en streven naar het hogere.

Zowel de Franse als de Engelse Wikipedia noemt hem “ultramontaan“, wat zoveel wil zeggen dat hij een grote voorstander is van de pauselijke macht en supprematie (de Paus bevindt zich “aan de andere kant van de bergen” – de Alpen – vandaar. Een omkering overigens van de oorspronkelijke betekenis). Specifiek de Franse politiek kende dit soort bewegingen: “the name ultramontain was applied to people who supported papal authority in French political affairs”. Ook in België en Nederland liet dit ideeëngoed van zich spreken, o.a. in de schoolstrijd eind 19e eeuw en de houding van dubbele loyaliteit van sommige katholieken alhier. Als katholiek schrijver had hij vanzelfsprekend niet veel op met het eigentijdse liberalisme, waarover hij dan ook een kritisch boek schreef, L’Illusion libérale.

Zoals gezegd gaat Rome et Lorette over meer directe, persoonlijke geloofszaken. “Avec un zèle de converti, Veuillot écrit plusieurs ouvrages entièrement consacrés à montrer la beauté qu’il voyait dans la doctrine et la vie chrétienne”, aldus Wikipedia. Dat apologetische, getuigende van de schoonheid van het christelijke (lees: katholieke) geloof is ook de dominante trek in dit boek. “C’est un doux moment, dans la vie de chrétien, que celui où, n’étant pas tout à fait rentré encore dans la grâce de Dieu, il est assuré d’y rentrer bientôt” (p. 167), het zoete moment dus dat je er nog net niet bent, maar wel de zalige staat bijna bereikt hebt.

De eerste uitgave verscheen in 1841 en vele herdrukken volgden, wat op een zekere populariteit duidt. De meeste van die edities zijn voor enkele tientjes online verkrijgbaar. Alleen de editie onder handen, mits in goede staat en met deze versierde band, kost ca. 150 euro (zie afbeelding hiernaast, ons exemplaar mist de goudopdruk op voorplat). De tekst is inmiddels vrij van auteursrechten en dus op internet te lezen, onder andere de 1e druk uit 1841 via OpenLibrary en de 16e druk uit 1879 via Archive.org.

 

Beschreven boeken:

Dockray, Keith, Edward IV. A Source Book. Sutton, Cornwall, 1999. 1e druk – paperback, XL+150p.
Finlay, Richard J., Modern Scotland 1914-2000. Profile Books, London, 2004. 1e druk – gebonden, VIII+424p.
Weir, Alison, Mary, Queen of Scots and the murder of Lord Darnley. Ballantine Books, New York, 2003. 1e druk – gebonden, XVII+670p.
Blanning, Tim, The Pursuit of Glory. Europe 1648-1815. Viking [Penguin], New York [etc.], 2007. 1e druk – gebonden, XXVII+707p. – [Penguin History of Europe].
Ayton, Andrew; Preston, Philip, The Battle of Crécy, 1346. Boydell Press, Suffolk [etc.], 2005. 1e druk – gebonden, 390p.
Duby, Georges, De drie orden. Het zelfbeeld van de feodale maatschappij 1025-1225. vertaald uit het Frans door Betsy Raymakers, Agon, Amsterdam, 1992. 2e druk – gebonden, 441p.
Schendel, Arthur van, Verlaine. Het leven van een dichter. J.M. Meulenhoff, Amsterdam, 1927. 1e druk – gebonden, 184p.
Jusserand, J.J., Les Anglais au Moyen Age: La vie nomade. Et les routes d’Angleterre au XIVe siècle. Librairie Hachette et Cie, Paris, 1884. 1e druk – gebonden, 306p.
Veuillot, Louis, Rome et Lorette. Ad Mame et Cie, imprimeurs-libraires, Tours, 1845. 3e druk – gebonden, 398p.

De Vliegende Hollander

Het verhaal van de Vliegende Hollander, over een spookschip dat voor eeuwig rond Kaap de Goede Hoop zou varen, is vermaard en vele malen bewerkt (zie o.a. Wagner). Waar komt dat verhaal vandaan? Is het wel een authentiek Nederlands verhaal? Op dit soort vragen probeerde Gerrit Kalff jr. een antwoord te vinden. Het resultaat van zijn zoektocht bracht hij uit in een gepassioneerd en bloemrijk, zij het soms wat gedateerd proza, onder de titel: De sage van den Vliegenden Hollander, met de in onze oren wat ouderwets deftig klinkende ondertitel “Naar behandeling, oorsprong en zin onderzocht”. Het boek verscheen in 1923 bij uitgeverij W.J. Thieme.

Dr. G. Kalff jr. was leraar aan het Amsterdams Lyceum en auteur van studies over onder andere Frederik van Eeden en van een dubbelportret van Beethoven en Schopenhauer “als Dietschers in de verstrooiing “. Zie verder bij DBNL voor een korte beschrijving van leven en werk. Zijn vader, G. Kalff sr., was een vrij bekende persoonlijkheid in de republiek der letteren: aanvankelijk leraar Nederlands, later hoogleraar Nederlandse letterkunde in Utrecht en Leiden. Kalff sr. was vooral bekend vanwege een omvangrijke, 7-delige geschiedenis van de Nederlandse letterkunde en van een tweedelig werk over “West-Europeesche” letterkunde. (Terzijde: Met het werk van G. Kalff senior maakte ik voor het eerst kennis in mijn propedeusejaar Nederlands te Nijmegen, toen aan de hand van een aflevering van het tijdschrift Literatuur de belangrijkste literatuurgeschiedschrijvers werden geportretteerd (afbeelding hieronder). Zie hier het artikel over Kalff sr.)

Het boek over de sage van de Vliegende Hollander is opgebouwd uit drie delen: eerst zet Kalff per land (d.w.z. Engeland, Duitsland, Nederland en Frankrijk) de tradities en verhalen rondom de Vliegende Hollander en spookschepen in bredere zin uiteen. In het tweede hoofdstuk gaat hij nader in op typerende eigenaardigheden en varianten. Een rijk scala aan verhalen en elementen komt aan bod, van “De Wandelende Jood” tot St. Brandaan, van Kaap de Goede Hoop tot Romeinen en watergeesten. Het derde hoofdstuk is een poging tot duiding: wat betekenen de verhalen, wat wil de Vliegende Hollander ons vertellen? Aanpak en taal doen, zoals gezegd ouderwets aan, maar het bezorgt de lezer vele uren plezier door wat hij allemaal boven water haalt (no pun intended).

Ik was in eerste instantie getroffen door titel en auteur van het boek. De naam G. Kalff deed immers, zoals hierboven al bleek, enkele bellen rinkelen. Maar natuurlijk werd het bibliofielenhart ook blij van de fraaie vormgeving van het boek, al is het niet eens ‘echt’ oud (1923), ook niet heel zeldzaam, en via internet vrij makkelijk aan te schaffen vanaf ca. 10 euro. Maar het rode stofomslag (dat overigens vaak ontbreekt bij de aangeboden exemplaren) vind ik ronduit oogstrelend en ook de gele boekband met rode opdruk, op zowel voorplat als rug, mag er wezen. Het omslag bevat in het klein één van de heel mooie platen van Oswald Wenckebach, die behalve de vignetten ook zes paginavullende illustraties verzorgde. Daar bovenop is nog te genieten van de typografie: een smetteloze titelpagina, de kronkelende gedachtestreepjes in de tekst, de beginkapitalen van elk hoofdstuk.

Tot slot, en ik zou wel talloze passages willen aanhalen uit dit prachtige boek, een citaat waarin we behalve een sprekend voorbeeld van de schrijfstijl wellicht ook een klein inkijkje krijgen in de ziel van de auteur:

Dat dit nu omstreeks 1600 al gebeurd zou zijn, gelijk Golther aanneemt, schijnt mij minstens een eeuw te vroeg gesteld; aan den anderen kant zou men ook verkeerdelijk de sage pas uit een “Romantiek-Revolte” – stemming ontsprongen achten: de vromen van álle tijden hebben den strengen God aanbeden, en den opstandige eerlijk verfoeid – met tersluiksche bewondering, of hij nu Lucifer, Faust of Don Juan heette. (p.122-123, cursivering DH)

Met meer dan tersluikse bewondering sluiten we dit boek.

Kalff jr., G.; De Sage van den Vliegenden Hollander: Naar behandeling, oorsprong en zin onderzocht. Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1923, 1e druk. Gebonden. IX+196p.

Gemiste kans

Als er een boek op de mat valt, dat over een aantal van je geliefde auteurs gaat, ben je even een moment blij. Totdat je begint te lezen en beseft dat de ronkende titel, Culturele Coryfeeën, beide met hoofdletter, een voorafschaduwing is van de inhoud. De op zich neutrale aanduiding in de ondertitel “een eerbetoon aan” wordt dan plotseling een extra alarmbel die gaat rinkelen: hier is een auteur aan het woord die in mateloze bewondering neerknielt voor de Groten der Aarde, nou ja: cultuurdragers van Nederlands grondgebied.

Het gebruik van de aanduiding “culturele coryfeeën” (dat zo lekker als een Suske en Wiske stripaflevering allitereert) doet al wat koddig aan, omdat coryfee een woord is dat je meestal met populaire cultuur en showbusiness associeert en niet zozeer met de wereld van kunst en cultuur. Daarin zit ook het genoemde element van verafgoding. Maar misschien zoek ik spijkers op laag water.

Vol trots vermeldt de achterflap nog dat de auteur “gepromoveerd socioloog” is, kortom niet van de straat, en dat dit boek niet meer en niet minder is dan een uitbreiding op Erflaters van onze beschaving van het beroemde geschiedkundige echtpaar Jan en Annie Romein, want dat die Couperus en Huizinga destijds hebben overgeslagen, dat is toch maar zo zo. Ook bood het werk van de Romeins “weinig zicht […] op het werk van de behandelde literatoren”. Dit boek gaat die leemte opvullen, dat belooft wat! We gaan eens wat gedetailleerder bekijken of en in hoeverre die pretentie waargemaakt wordt.

Om te beginnen de verantwoording van het gekozen materiaal. Als de auteur in zijn inleiding had gemeld dat hij vier auteurs heeft uitgekozen waarvan hij zelf erg houdt of waarmee hij een bijzondere affiniteit heeft, of gewoon zijn mond had gehouden hierover, dan had ik daar als lezer vrede mee gehad. In het opstel zelf was het mij dan wel duidelijk geworden, mocht ik het belang van een Couperus of Multatuli nog niet kennen. In plaats daarvan doet de auteur een poging een pseudo-wetenschappelijke, quasi-culturele onderbouwing van zijn keuze te geven in zijn woord vooraf en daar gaat het gelijk mis. Wie immers klaagt over het ontbreken van Couperus en Huizinga bij de Romeins, zou niet bij die twee moeten halt houden. Waarom dan ook niet – om in dezelfde hoek te blijven – Menno ter Braak, of – uit een andere hoek – dichters als J.H. Leopold en M. Nijhoff genoemd? Een nog prangender vraag is: waarom houdt hij op ruim vóór de Tweede Wereldoorlog? Zijn er daarna geen “coryfeeën” meer opgestaan die de moeite waard zijn? Waarom zijn drie van de vier auteurs uit de periode 1850-1945 en wat doet Erasmus daartussen?

Eveneens koddig is de manier waarop Rademaker in zijn voorwoord één grote Nederlandse auteur expliciet uitsluit: Joost van den Vondel. Waarom noemt hij specifiek Vondel en niet ook een Hooft, Huygens of Bilderdijk, die van vergelijkbaar formaat zijn en uit hetzelfde verre verleden? Met de reden waarom Vondel niet in aanmerking komt begeeft de auteur zich nog op veel gladder ijs: “Echter, het oud-Nederlands waarin zijn gedichten zijn gesteld, zijn voor de huidige lezer ontoegankelijk.” Afgezien van het stilistisch lelijke begin van een zin met “echter”, afgezien van het zeer onzorgvuldige gebruik van de in dit geval onjuiste term “oud-Nederlands” (zoek dat dan even op, vraag het aan een deskundige), is dit vooral een drogreden van formaat. Ja, Vondels teksten zijn overgeleverd in een ouder Nederlands dan de taalvormen waaraan de gemiddelde hedendaagse taalgebruiker gewend is, so what? Erasmus schreef in het Latijn – dat nog veel verder van de meeste mensen af staat – en die behandelt Rademaker wel. Hoe kan dat? Nou, Erasmus brengt men naar ons toe via vertalingen, iets wat je met Vondel ook zou kunnen doen: dichterbij de huidige lezer brengen, op welke manier dan ook (hertalen, uitleggen, van aantekeningen voorzien). Dat is nou juist een mooie (pedagogische) taak voor schrijvers van boeken over schrijvers! Behalve een drogreden is het ook een affront van de lezer: Rademaker gaat op zijn hurken zitten en oordeelt dat Vondel te moeilijk is voor de lieve lezertjes (of voor zichzelf?), dus die slaan we daarom maar over, hè.

Verder kondigt Rademaker aan dat hij royale aandacht zal geven aan het werk en dus veel citaten heeft opgenomen. Maar van citaten alleen kan een mens niet leven, een beetje analyse en duiding had ons meer geleerd over dit literaire werk (ik roep even de intentie van de auteur uit het voorwoord in herinnering). Dat brengt me meteen bij de indruk die het gehele boek wekt: Rademaker heeft de Verzamelde of Volledige Werken (en soms beide) van en enkele secundaire boeken over de betreffende schrijver binnen handbereik gehad, heeft eens luchtig en shoppend door dit materiaal gebladerd, een passend of sprekend citaat gevonden, hier en daar de secundaire literatuur geraadpleegd en – slordig – samengevat, met herhaling van alle bestaande ware en onware clichés. Neerlandistiek en literatuurwetenschap kan immers zo moeilijk niet zijn. Een blik op de (zeer selectieve) bibliografie bevestigt die indruk. Koddig is dan weer, dat in zo’n algemeen overzichtswerkje b.v. van Couperus alle delen uit alle Verzameld / Volledige / Grootste werken edities worden opgesomd, tot en met de Kruidvat-editie toe. Waarom? Óf het maakt niet uit en men vermeldt slechts de titel in welke editie ook, desnoods die van het Kruidvat, óf je vermeldt de uitgave uit de Couperus’ Volledige Werken (die zilvergrijze uit de jaren ’80/’90), die de enig wetenschappelijk verantwoorde is en die onder vakmensen (net als deze socioloog ook wetenschappers) tegenwoordig de gebruikelijke bron vormt. Dan hebben we inmiddels 1 pagina gelezen…

Gelukkig maar dat een aantal “zéér kritische en erudiete vrienden” de tekst hebben doorgenomen. Misschien wat flauw, maar het noemen is erom vragen: was dat vóór of na publicatie? Als namelijk iets lijkt te ontbreken in het hele boek, dan is het een behoorlijke eindredactie van de tekst die de auteur mogelijk uit veel inhoudelijke en stilistische valkuilen had gered en evidente drukfouten (“regelreche ramp” – p. 23) wellicht had voorkomen. Dat is overigens meer de uitgever dan de auteur aan te rekenen. Schrijvers leiden vaak aan schrijversblindheid, ik ook. Daarom is een aantal kritisch meekijkende ogen geen slecht idee, zeker niet als je een boek uitbrengt waar mensen bijna 20 euro voor moeten neertellen.

Ik zal het niet hebben over kleinigheden, zoals het gebruik van het woord ‘coupletten’ waar strofen de meer gebruikelijke term is onder mensen die wel eens vaker over literatuur praten. Ook over de af en toe flauwe alliteraties, zoals “saillant slotakkoord” (p. 11) en “saillante slotopmerkingen” (p. 23) valt wel heen lezen. De gebruikelijke clichés over de auteurs, waarover nu eenmaal al heel veel zinnigs en onzinnigs is geschreven, ook die kunnen we nog deels vergeven, voor zover ze niet bestaande misverstanden verder verspreiden. Maar het merkwaardige mengsel van ambtelijke deftigheid en scholierenproza zou je de lezer niet moeten aandoen – en ook niet de Grote Schrijvers waar je zoveel bewondering voor hebt.

Eén voorbeeld van zo’n stijlbloempje, n.a.v. Erasmus’ geboorte als onecht kind in relatie tot zijn geestigheid: “Gelukkig heeft de – vooral in die tijd – discutabele geboorte de waarschijnlijke overdracht van aantrekkelijke eigenschappen niet in de weg gestaan.” (p. 3). Het loont de moeite om wat langer naar deze zin te staren en te trachten de betekenis ervan te doorgronden.

Een boek van een buitenstaander, een amateur in de positieve zin van het woord, kan verfrissende kijk en inzichten opleveren, en dat zou ik hebben toegejuicht. Als het mislukt, valt vooral het amateurisme op van iemand die uit de losse pols een leuk boekje probeerde te schrijven.

 

Leo Rademaker, Culturele Coryfeeën: een eerbetoon aan Desiderius Erasmus, Eduard Douwes Dekker (Multatuli), Louis Couperus en Johan Huizinga, Uitgeverij Aspekt, 2017, paperback, € 18,95.

Les Contes Remois, over deugnieten

Dat het geluk (welbevinden) van een bibliofiel soms ook echt een kwestie van geluk (toeval) is, heb ik onlangs weer eens mogen ervaren. Een plek waar ik zelden kom, niet eens ver van huis. Men verkoopt er allerhande tweedehands goed. Het is er een grote rommel. Daarbij hanteert men gemiddeld vrij hoge prijzen, behalve voor de boeken. Nu was er bovendien 30% korting, wat bij de boeken praktisch gezien neerkwam op een ruime afronding van de prijs naar beneden. Dat laatste besefte ik pas toen ik met een nog bijna hagelnieuwe gebonden Siebelink aan de kassa kwam. Ik rekende af, maar ik ging ook weer terug naar binnen, want ik had een “wel aardig” kunstboekje gezien, dat dan ook nog mee kon. Omdat ook de boeken vrij onoverzichtelijk bij elkaar staan en ook op stapels in dozen en kratten liggen, speurde ik nog een beetje door de kasten en bakken, totdat mijn hart een klein sprongetje maakte (typerende bibliofielen- / verzamelaarsafwijking, doorgaans onschuldig).

Tot mijn grote verbazing stuitte ik op een Franstalig werkje, met gedichten en prentjes uit het jaar MDCCCLXIV (1864), getiteld Les Contes Remois. Oftwel: verhalen van Reims, de Noord-Franse plaats waar de auteur leefde en overleed. Deze “Comte de Chevigné”, blijkt Louis de Chevigné (1793-1876) te zijn. De uitgevers van dit boekje waren de gebroeders Michel Levy te Parijs. De afbeeldingen hieronder geven een goede indruk van het boekje, klik op de foto om groter weer te geven.

Een eerste zoektocht m.b.v. Google leidt o.a. tot een Frans en een Spaans Wikipedia lemma, het laatste nog beknopter en magerder dan het eerste. Het Franse artikel bevat enkele links naar andere bronnen die inmiddels dood zijn (HTTP 404 melding of iets van dien aard).

Daarnaast leidt de zoekmachine naar enkele sites waarop dit boekje als koopwaar wordt aangeboden. Ook Boekwinkeltjes en Antiqbook geven wat exemplaren te zien, zeer variërend in prijs. De duurdere exemplaren komen rond de 700 euro, maar dan heb je ook een exemplaar in marokijnleer. Mijn gevonden exemplaar is maar een bescheiden “paperback” (wel op fraai papier), waarvan de buitenkant als “sleets” is te karakteriseren, maar dat kostte dan ook maar € 0,50. Volgens een prijsopgave in potlood voorin is er eerder € 45 voor gevraagd.

Inmiddels, geboeid geraakt, heb ik daarnaast een gebonden exemplaar van de 3e editie uit 1858 online gekocht voor ongeveer die potloodprijs (verzending vanuit Frankrijk meegerekend). Onderstaande afbeeldingen tonen deze 3e editie, klik op de foto’s om ze groter weer te geven.

Het boekje moet behoorlijk populair zijn geweest, want in ca. 40 jaar tijd verschijnen er 12 (feitelijk 13) uitgaven. De gegevens hieronder over deze uitgaven zijn grotendeels ontleend aan de blog site van Histoire Bibliophilie, waar de achtereenvolgende edities uitgebreid worden beschreven:

Jaar Editie
1832 0 (enkele contes als onderdeel van een andere titel, zie genoemd blog), genoemd als “eigenlijke” eerste uitgave, voor een beperkte groep vrienden.
1836 1e echte editie onder de titel Contes Remois, zonder naamsvermelding van de auteur.
1839 1e editie, 2e oplage, met kleine wijzigingen.
1843 2e editie, nog steeds anoniem, wel op titelpagina een vignet met de auteur zittend afgebeeld.
1858 3e editie, nu half-anoniem: “M. le Cte. de C…” [Monsieur Le Comte de Chevigné]. Vignet op titelpagina toont nu twee proostende/drinkende mannen, een geestelijke en een bourgeois. Daarnaast een duidelijke afbeelding van auteur met sigaar en een van zijn vriend S. Lavalette, aan wie het voorwoord is gericht. Deze editie bevat ook voor het eerst het voorwoord waarin hij zich feitelijk richt tot de censuur. Hierover zometeen meer.
1861 4e en 5e editie, voor het eerst onder volledige naamsvermelding: M. Le Comte Louis de Chevigné, “avec le nom de l’auteur qui ne craignait plus la censure impériale” (aldus Histoire Bibliophilie).
1864 6e editie, het exemplaar dat ik dus per toeval en voor een prik tegenkwam. Opvallend zijn de tweekleurendruk van de titelpagina (rood en zwart) en de inkadering van de tekst. Net als in de 3e editie ook hier weer achteraan “Opinion des journaux sur les Contes rémois” (zeg maar “stemmen uit de pers”) opgenomen. Vignet en overige lay-out lijken veel op de 3e editie. Wel is er nu een medaillon met daarop de (oudere) auteur afgebeeld. Mijn exemplaar is een “paperback” (een beetje anachronistische term, maar het gaat om een niet-ingebonden exemplaar ingenaaid met een zachte, papieren kaft). Behalve Meissonier, die eerdere edities van illustraties voorzag, zijn er nu ook prenten van Foulquier.
1868 7e en 8e editie
1871 9e editie, klaarblijkelijk zonder illustraties.
1873 10e editie, met nieuw auteursportret.
1875 11e editie, “la dernière édition réalisée du vivant de l’auteur”.
1877 12e editie, met weer andere illustraties, nu gravures naar ontwerp van Jules Worms.

Kortom, dit boekje is een echte Fundgrube voor bibliofielen: verschillende soorten uitgaven met verschillende samenstelling (contes die toegevoegd, omgewisseld dan wel weggelaten worden), diverse soorten binding, soms fraaie banden, verschillende uitgevers en illustratoren, gebruikte papiersoorten, typografische eigenaardigheden. De  meeste edities werden met zorg vormgegeven. Voor details zij nogmaals verwezen naar de onovertroffen beschrijving op Histoire Bibliophilie.

Ook moderne uitgaven van de Contes Remois zijn volop te vinden, zowel in het Frans als in Engelse vertaling. Daarnaast zijn er verschillende delen correspondentie met Chevigné verschenen. Wie zelf een inkijkje wil in Les Contes Remois kan o.a. de gescande versie van de 3e editie raadplegen via Google Books. Ook bestaat er een gedrukte biografie over Chevigné, en wel van de hand van Hervé Paul: Le comte Louis de Chevigne (1793-1876): auteur des Contes remois, voor zover bekend alleen in het Frans uitgegeven (o.a. hier te vinden). Ik heb deze boeken nog niet kunnen raadplegen. Online is over de inhoud van de contes of over de man achter de verhalen opvallend weinig te vinden.

De inhoud van de vertellingen ligt in de “ondeugende”, erotische sfeer.  Het voorwoord, gericht tot zijn vriend Lavalette, zit al vol ironie richting de censuur en de geestelijkheid:*

Jij wilt, vriend, dat ik in een nederig voorwoord
aan mijn censors zal vragen om vergeving
voor enkele streken uitgehaald met oude echtgenoten,
of omdat ik mijn vertellingen zou hebben opgevrolijkt
met zoete zonden, begaan door papen;
maar die zwartrokken, dat zijn die van Boccaccio,
natuurlijk heel anders dan die uit mijn land,
die heiligen zijn. Ik zeg dit tot hun eer:
Voor één geestelijke die in het vagevuur terechtkomt,
zijn er honderd die naar het paradijs gaan.

Dit soort geestigheid sluit aan bij een oude traditie vanaf de middeleeuwen waarin met name de wellust van geestelijken op de hak wordt genomen, en de rol die zij vaak zouden spelen bij buitenechtelijke capriolen. Echtgenoten worden veelvuldig de hoorntjes opgezet.

Die ironie rondom relaties en huwelijk komt in de meeste vertellingen, die allemaal in dichtvorm zijn geschreven, op speelse wijze terug. Ook wordt er advies gegeven:

Weduwnaren of knapen, als het huwelijk** u roept,
dan is het de bruidsschat waarop u uw ogen richt,
nauwelijks een blik werpend op de vrouw
die u gelukkig of ongelukkig moet maken.
O, wat een blunder om in het huwelijk te geloven
waarin het geld alles uitmaakt! […]

Niet alleen de moraal rondom het verstandshuwelijk en de teleurstellingen die dat kan opleveren is hier grappig, maar ook zo’n tussenwerpsel als “Qui doit vous rendre heureux ou malheureux” weerspiegelt de lichte maar duivelse ironie van deze vertellingen.

Het is zo te zien wel een goedmoedige ironie:

Gelukkig het land zoals de Champagne-streek!
Uitgelezen wijnen doordrenken het berggebied,
het volk is goedmoedig, de echtelieden in het geheel niet jaloers,
en het schone geslacht heeft een hart zo zoet
als de schapen die het platteland bevolken.

Met andere woorden: een paradijs voor overspeligen, of juist niet? De schaapachtige vrouwen trappen er wellicht makkelijk in.

Een aantal vragen heb ik nog niet kunnen beantwoorden. Wie is precies die vriend, Charles Sourdille de Lavalette (in de 3e editie kortweg als S. Lavalette aangeduid), tot wie het voorwoord is gericht en van wie ook een portret is opgenomen in verschillende edities, waaronder beide exemplaren in ons bezit? Waarom is hij zo belangrijk voor de auteur of dit boek? Onder diens portret wordt vermeld dat hij auteur van “Fables illustrées par Granville” is – daar zou ik meer over willen weten, evenals over die Granville. Verder ben ik nieuwsgierig naar E. Meissonier, die in beide (en tussenliggende) edities een groot deel van de illustraties heeft verzorgd.

Welk van de twee edities vind ik nou zelf het mooist? Dat is niet eenvoudig te beantwoorden. De 3e editie, duidelijk gebruikt maar nauwelijks geleden in 160 jaar tijd, zit nog mooi gebonden in een band met leren rug en kartonnen gemarmerde voor- en achterplat. Het papier is stevig, in goede staat en ondanks enkele rousseurs (met name eerste en laatste katern), en een vlekje hier of daar, nog fris. Het boekje biedt een heldere, overzichtelijke weergave van de tekst, scherpe gravures. Ook het auteursportret voorin vind ik erg mooi. Als klap op de vuurpijl is er de opdracht voorin het boek:

L’auteur à son ancien
camarade Qte. [=Cte?] Henry.
Cte. de Chevigné”.

Bewijzen kan ik het niet, maar het is erg aannemelijk dat dit inderdaad de auteur zelf is. Nader handschrift- en inktonderzoek zou wellicht meer informatie opleveren. De 3e editie omvat 40 vertellingen, een voorwoord en een epiloog.

De 6e editie, niet ingebonden, heeft echter – naast de zeer kleine aankoopprijs en het spontane vindersgeluk – ook haar eigen charmes: de titelpagina’s in rode en zwarte inkt, de sierlijke inkadering van de teksten, het onafgesneden handgeschepte papier met watermerk (dat zelfs op enkele van de foto’s is te zien), de structuur van het papier. De gravures boven de teksten zijn identiek aan de 3e editie, maar kleiner en meer zwart ingevuld, waardoor ze soms geprononceerder maar vaak ook minder scherp zijn. Er zijn meer grafische versieringen te vinden. De 6e editie is ook aanzienlijk uitgebreid: in totaal 53 (34+19) vertellingen (verdeeld over 2 “parties” en soms iets afwijkend gesorteerd), en het al genoemde voorwoord en de epiloog. Ik koester dus beide exemplaren.

De epiloog, om in stijl af te sluiten, is weer vol goedmoedige ironie, met een steek onder water naar de landgenoten uit Bretagne:

Is er een vrolijker wijn dan de champagne?
Het goede humeur begeleidt hem overal;
hij lacht om alles, zelfs zijn vrienden,
en ik dank aan hem mijn aangenaamste vertellingen.
Ik weet niet of de cider uit Bretagne
zich, zonder gevaar, alles veroorloofd kan indenken;
maar onze pastoors uit Champagne zijn voor hun wijn
vergevensgezind, en, verre van boos te zijn,
zij lachen allemaal terwijl zij over hun zonden lezen.

Misschien is dat wel de beste raad die iedereen zichzelf en anderen kan geven: lachen om je eigen zonden en imperfecties. Kortom: levenskunst.

[* De vertalingen uit het Frans hierboven zijn van mijn eigen hand en verre van volmaakt. Doel was slechts om geest en inhoud in het Nederlands weer te geven. Voor verbeteringen hou ik me aanbevolen.

** Aanvankelijk op het verkeerde been gezet met hymen = maagdenvlies, maar dit woord kan ook het huwelijk aanduiden, hetgeen beter past binnen de context hier.]

Actief en passief verzamelen

Boeken verzamelen is een raar ding, ik heb daar eerder over geschreven (o.a. hierhier en hier). In verzamelen zit altijd een zekere doelgerichtheid, je wilt bijvoorbeeld alle werken van een bepaalde auteur bij elkaar krijgen, of de delen van een reeks (bijvoorbeeld een deftige uitgave van de wereldklassieken), of alles over een onderwerp, zoals “koloniale geschiedenis Afrika” of “Van en over de Tachtigers”. Je kunt het zo gek niet verzinnen. Nu kun je op twee manieren verzamelen: actief en passief.

Bij de eerste manier ga je heel actief en gericht op zoek naar bepaalde titels om je “set” compleet te maken. Vaak inventariseer je vooraf om welke boeken het gaat, doe je onderzoek naar de bestaande uitgaven en speur je gericht boekhandels, markten en internet af, op zoek naar die nog missende titel(s).

Bij passief verzamelen kan het best zo zijn dat je een zelfde collectie voor ogen hebt, maar laat je je veel meer (af)leiden door wat toevallig op je pad komt, of dat nu op een marktkraam, in een boekhandel of op het wereldwijde web is. Actief is dus doelgericht, passief zou je kunnen aanduiden als “improviserend”, eerder vindend dan zoekend. Persoonlijk vind ik dat laatste wel spannend, want je weet nooit vantevoren wat je aantreft. Je staat meer open voor nieuwe dingen die zich aandienen, maar ook voor verleidingen. Als je niet oplet, kan je boekencollectie alle kanten uitwaaieren. Ook daarover heb ik eerder geschreven.

Ik denk ook dat je dus actieve en passieve verzamelaars kunt onderscheiden, al zul je de extremen in hun zuiverste vorm wellicht niet vaak in het wild tegenkomen. Achter elke willekeur schuilt immers toch een systeem en in elke doelgerichtheid speelt ook het toeval vaak een rol.

Als je niet zeer zeldzame boeken zoekt, dan kun je doorgaans een van de continue digitale boekenmarkten (o.a. Boekwinkeltjes, Antiqbook of AddAll) bezoeken, je tikt de titelgegevens in en er zijn vaak verschillende aanbieders, zodat je op prijs en kwaliteit kunt selecteren. Als je maar bereid en in staat bent de gevraagde prijs te betalen, dan is dat verder niet spannend. Het past typisch bij actief verzamelen, dat dus deels ook een kwestie is van portemonnee. Ik ben zelf meestal te gierig en koopjesbelust om zo te werk te gaan, behalve als ik weer eens toe ben aan een nieuw deeltje uit een van de door mij geliefde reeksen (b.v. Ambo-Klassiek en Baskerville), maar het haalt voor mij ook de verrassing weg. Actief verzamelen voelt een beetje als zinloos consumentisme: begeren, zoeken, kopen. Passief verzamelen is: aantreffen, begeren, kopen (en die laatste twee soms omgekeerd). Bovendien (Eerste Hoofdwet van Verzamelen volgens Danny Habets): Geduld is een goede vriend van de verzamelaar en zijn portemonnee. Ik ben dus doorgaans een passief verzamelaar. Wel heb ik bij het speuren altijd bepaalde ‘antennes’ open staan.

Een van die minder opvallende literaire reeksen waar ik een beetje een zwak voor heb, en die ik bij uitstek passief verzamel (waar deeltjes zich dus bijna tegen wil en dank in mijn collectie voegen), is de Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Deze door Elsevier in de jaren ’70 uitgegeven reeks van 14 klassiekers uit de Nederlandse literatuur omvat proza en poëzie, fictie en (met een beetje goede wil) non-fictie, en bestrijkt de periode van de middeleeuwen tot halverwege 20e eeuw. De reeks kwam tot stand onder redactie van een aantal bekende neerlandici / letterkundigen, waaronder Kees Fens en A.L. Sötemann. De delen zelf werden verzorgd d.w.z. ingeleid door bekende, vaak voor de hand liggende neerlandici (die bijvoorbeeld een dissertatie over de auteur hadden geschreven): Louis Couperus door W. Blok , Multatuli door A.L. Sötemann, Marcellus Emants door Ton Anbeek, Hadewych door N. De Paepe en de Ridderverhalen door Jozef Janssens.

De vormgeving van de boeken is wat saai: bruine linnen banden met een braaf rechthoekig kader, die erg aan (het bruin van) de jaren ’70 doen denken, niet iets waar je bibliofiele hart meteen harder van gaat kloppen. De uitgave kent meestal ook een degelijke inleiding, soms ook wat saai, waar men zich geen buil aan kan vallen, al voel je bijvoorbeeld in de inleiding van Kees Fens op Zuster Virgilia van Gerard Walschap wel de emotionele bewondering voor boek en titelpersonage, die Fens in colleges veel onomwondener uitsprak.

Het zijn duidelijk leesedities, zonder al te veel wetenschappelijke pretenties, bedoeld voor een breder publiek en hier en daar herspeld naar modernere maatstaven, maar dat volgens mij niet consequent over de delen heen en naar mijn weten nergens verantwoord. Dus ook vanuit dat oogpunt is het geen bijzondere editie. Inmiddels vaak ook verkrijgbaar voor een appel en een ei.

Via het passieve verzamelen hebben in de loop van de jaren echter 10 van de 14 verschenen delen zich in mijn boekenkast weten te nestelen, waar zij geduldig wachten op lezing, maar dat ligt niet altijd voor de hand: veel van de titels heb ik in andere, vaak ‘betere’ uitgaven (Couperus, Multatuli, Hildebrand, Bredero). Anderzijds maken bepaalde titels wel nieuwsgierig: waarom van die auteur juist die titel, b.v. Inwijding van Emants, Verhalen van Karel van de Woestijne (en niet zijn poëzie) of die kleine selectie uit de Historiën van P.C. Hooft?

Bijzonder is nog te vermelden dat de Bibliotheek der Nederlandse Letteren ook de naam was van een vergelijkbare reeks uit de jaren 1930-1945. Waarschijnlijk is die reeks de inspiratiebron geweest voor de latere. Ook die oudere reeks is degelijk uitgegeven, met stevige boekbanden die de tand des tijds doorgaans goed doorstaan en eveneens voorzien van inleidingen door de in die tijd vooraanstaande letterkundigen / neerlandici, zoals J.A.N. Knuttel, J. van Mierlo en K. Heeroma. Interessant zijn natuurlijk de verschillen tussen oudere en nieuwere reeks. In de oudere reeks vind je o.a.: meer middeleeuwen (4 delen!), een deel protestantse lyriek uit 16e / 17e eeuw (verzuiling-alert: als compensatie voor de katholieke middeleeuwen?), maar ook Coornherts vertaling / bewerking van Homeros’ Odyssee (De dolinge van Ulysse), daarnaast een romantisch werk uit de 19e eeuw als Hermingard van de eikenterpen, en bijvoorbeeld een aantal beschouwende stukken van Conrad Busken Huet. Ook van die oudere reeks zijn enkele delen via het passieve verzamelen in huis gekomen, soms zelfs twee keer. Eerder verzamelde delen werden weggegeven en keerden weer terug. Waar ik echt spijt van heb, is dat ik in zo’n vlaag van opruimwoede ook De dolinge van Ulysse in 2013 heb weggedaan. Ik ga hem nu niet actief terugzoeken, maar mocht ik hem in een winkel of kraam voor luttel bedrag tegenkomen, dan zal ik niet aarzelen…

Zo blijft het een beetje tobben en genieten, voor de beurtelings actieve en passieve verzamelaar.

Bibliografie: Baskerville Serie

Een deel van de totale Baskerville Serie

Een van de mooiste literaire reeksen van Nederland, uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep – en deze uitgeverij heeft er een aantal! – is wel de Baskerville Serie.

baskerville-appianusEerder was aangekondigd dat de reeks zou stoppen (zie o.a. dit bericht uit 2013 in NRC online) De dienstdoende redacteur bij de uitgeverij zou beweerd hebben dat de tijd achter ons ligt “dat mensen klassiekers als serie spaarden”. Een nagenoeg Homerische lach was te horen in de bibliotheca Habetsiana. Wie probeeert een substantiële set in goede tweedehandse staat te bemachtigen, zal zien dat dat niet eenvoudig is en dat sommige delen ruim boven hun historische nieuwprijs in slechts een enkel exemplaar worden aangeboden. Tegen alle verwachting in zal begin 2017 echter toch weer een nieuw deel verschijnen: Burgeroorlogen van Appianus, in de vertaling van John Nagelkerken.

In de reeks werden literaire en filosofische klassiekers uitgegeven, veelal vertaald uit het Latijn of Grieks, soms uit het (oud-)Frans of (oud- of middelhoog-)Duits. De meeste titels omvatten de periode die wel als “de Oudheid” wordt aangeduid, enkele titels zijn uit de Middeleeuwen en er is een enkele uitschieter naar de Renaissance of later (Frits Staal, Gerard Reve, Chris Geel, etc.). Evenals de reeks Ambo-Klassiek (zie de bibliografie van die reeks) zijn het fraai vormgegeven boeken, gebonden in zwart linnen en gouden rugbelettering, maar waar Ambo rode stofomslagen had, heeft de Baskerville Serie een immer consequent crèmekleurig stofomslag en in de meeste gevallen lichtrode letters. Enkele delen (veelal middeleeuwse literatuur) hebben groene letters. De meeste titels zijn gebonden, een enkele titel is paperback. Veel titels zijn voorzien van een afneembaar buikbandje, vaak kleurig geïllustreerd; in de lijst hieronder worden enkele voorbeelden getoond.

Behalve dat baskervilledanteAmbo-Klassiek en Baskerville een beetje met elkaar concurreerden, werkten ze soms ook samen, bijvoorbeeld bij titels van Dante en Augustinus. Sommige delen zijn zelfs in beide stofomslagen te vinden.

In de bibliografische lijst hieronder is gestreefd naar volledigheid, in het besef dat dat wellicht nog niet gerealiseerd is. Daarom stel ik veel prijs op uw correcties en aanvullingen. Van titels die in de Baskerville Serie zowel gebonden als in paperback zijn verschenen, worden in principe alleen de gebonden delen genoemd. Alleen in bijzondere gevallen, b.v. de Verzamelde gedichten van Ida Gerhardt, zijn van een titel verschillende drukken genoemd. Read more »

Raar volkje, die verzamelaars

20161205_160247960_iosVerzamelaars vormen een raar volkje. Terwijl ik voorzichtig aan een niet al te beste single malt nipte, moest ik denken aan een bevriende verzamelaar van whisky. Zijn collectie is indrukwekkend qua omvang en diversiteit, maar zelf drinkt hij geen druppel, naar eigen zeggen omdat zijn maag het niet verdraagt, maar ik vermoed verzamelaarsmotieven: het object moet in mint condition, in elk geval onaangebroken blijven. Meer dan over de smaak van de whisky praat hij over de oplage, waarde en waardevermeerdering van de individuele flessen. Niet dat mijn vriend niet zou drinken – hij kan integendeel indrukwekkende hoeveelheden alcoholhoudende dranken verwerken zonder ook maar ziek te worden – maar het zal nooit whisky zijn. Hij is in dat opzicht een echte verzamelaar.

Ik ken nog andere voorbeelden, van mensen die bepaalde objecten, b.v. speelgoed verzamelen, waar dan absoluut niet mee gespeeld wordt. De pop moet in de verpakking blijven, en die verpakking moet er dan ook spik en span uitzien. Anders vermindert immers de waarde. Waarde is hier altijd een financiële waarde, een soort van investeringswaarde, er moet – al is het maar in de verre toekomst – financieel rendement uit te halen zijn. Een andere bekende, een nog jonge kerel van net twintig jaar, heeft net de muziek op vinyl ontdekt, is laaiend enthousiast geworden, maar heeft het binnen de kortste keren niet meer over de muziek zelf maar over “180 grams vinyl” en overweegt een LP die als collectors item geldt (“en mogelijk meer waard wordt”) maar niet uit de verpakkingsfolie te halen om diezelfde reden. Wat is dat toch voor iets raars? Waarom wordt de waarde die een object van schoonheid hebben vaak gereduceerd tot financiële waarde?

Ik probeer me daarin te verplaatsen vanuit mijn verzamelwoede: boeken te kopen en ze niet te lezen! Dat wil overigens niet zeggen dat ik een boek per se meteen na aankoop moet lezen, laat staan van kaft tot kaft – soms kom ik er pas na 5 of 10 jaar aan toe. Maar in de verpakking laten om het maar onaangeroerd te laten… ondenkbaar! Ik wil op elk moment over zo’n boek kunnen beschikken, het kunnen raadplegen, lezen.

20161205_160301565_iosAan de andere kant behoor ik ook niet tot de “omgekeerde puristen” die vinden dat je aan een oud boek, of zelfs elk tweedehands boek, moet zien dat het gelezen is. Bij de aankoop van een boek let ik wel degelijk op de staat ervan en bepaalde edities moeten dan ook vlekkeloos zijn, natuurlijk rekening houdend met ouderdom en type boek. Sterker nog: met een boek van nog geen 50 euro ga ik zorgvuldiger om dan met een auto van 13.000 euro, wat vanuit financieel perspectief een totaal irrationele handelwijze is. Maar een auto is – althans voor mij – slechts een vervoermiddel, een gebruiksvoorwerp en alleen dat.

Boeken zitten voor mij precies op die scheidslijn tussen gebruiksvoorwerp en verzamelobject, ze zijn het allebei. Daarom hanteer ik geen witte handschoentjes in mijn Eckermann Gesprächebibliotheek, ontdoe ik na aankoop bij thuiskomst een boek gelijk van verpakkingsmateriaal om er nieuwsgierig in te bladeren, maar hanteer ik een boek anderzijds wel met een zekere zorgvuldigheid, als een “goed huisvader”, gooi ik er niet mee, en vouw ik het boek niet te ver open – niks lelijker dan scheefgelezen paperbacks.

En zo kun je blij zijn met een weliswaar licht vergeelde maar verder nog geheel frisse paperback van Norbert Elias, Een essay over de tijd, of de geannoteerde uitgave van Eckermann’s gesprekken met Goethe. Elk vogeltje zingt natuurlijk zoals het gebekt iks, ieder het zijne en nog wat van die clichés, of in de woorden van Goethe:

“Jeder muß wissen, worauf er bei einer Reise zu sehen hat und was seine Sache ist.”

Théophile Gautier – Fortunio

Fortunio - titelpaginafortunio-omslag2Op een boekenmarkt stuitte ik onlangs weer op een heel aardig boek. De titel zei me niets, maar de naam van de schrijver was me wel bekend. Mijn interesse werd direct gewekt door de fraaie Franse band (en de goede staat ervan) en vooral door de erotische prenten in het boek. Het blijkt een uitgave te zijn uit 1934 – dat staat nergens voorin vermeld, maar achteraan kunnen we lezen: “Achevé d’imprimer le quinze mai mil neuf cent trente-quatre”.

Théophile Gautier (1811-1872) was een kleurrijke schrijver en dichter uit de tijd van de Franse Romantiek en de Parnassiens, voorvechter van het l’art pour l’art principe (later in Nederland zo hartstochtelijk beleden door de Beweging van Tachtig). Het meest bekend is Gautier vanwege zijn poëzie, maar hij publiceerde ook romans en journalistiek werk. Een van die romans verscheen in 1838, getiteld Fortunio. Deze roman was eerder, in 1837, verschenen als vervolgverhaal in Le Figaro onder de titel L’Eldorado.

Het bijzondere van deze uitgave zit hem in de vormgeving, met de al genoemde “dix-huit compositions” van Paul-Emile Bécat. Ze zijn van een bijzondere schoonheid en kleurrijkheid, hoewel de afgebeelde thematiek ook tegenwoordig nog stof kan doen opwaaien, niet (zoals destijds) vanwege de niets verhullende erotiek als wel vanwege de afbeelding van zwarte slaafjes: dienend of als lustobject – een gevoelig onderwerp in tijden van zwartepietendiscussies. “”

De afbeeldingen weerspiegelen dan ook de decadente inhoud van het verhaal: Fortunio is een oosterling die zich te Parijs vestigt en daar leeft in een “paradijs”, en waar hij wordt bediend door slaven, “mooier dan de dag”. Het liefdesverhaal tussen hem en Musidora is te beschouwen als een voorwendsel om eens goed uit te pakken met beschrijvingen van oververfijning en lust. Ook Mario Praz besteedde in zijn beroemde studie Lust, dood en Duivel in de literatuur van de Romantiek aandacht aan dit boek, dat geheel past in de Romantische voorkeur voor exotisme in combinatie met seks.

N.B.:

  • Meer informatie over de romanschrijver Gautier is te vinden op de aan hem gewijde website (Franstalig), of natuurlijk in een van de betere literatuurgeschiedenissen.
  • Voor wie de tekst (helaas zonder de mooie illustraties) wil lezen, kan o.a. terecht bij deze Wikisource.
  • Een scan van de oorspronkelijke uitgave is te downloaden via Archive.org.

Dubbele boekhouding

De tekst en niets dan de tekst, zo riep ik nogal eens in mijn merlinistische jaren. Maar alleen al vanuit bibliofiel standpunt is dat onhoudbaar. Hier volgt een verhaaltje in de trant van Rupsje Nooitgenoeg: ja, een boek kan er altijd nog bij, met name als ik het voor een zeer lage prijs tegenkom. Ook als ik het boek al heb.

Zo zijn er in de loop van de jaren toch wel enkele dubbele exemplaren in mijn kasten terecht gekomen. Niet omdat ik niet meer wist dat ik betreffend boek al had, maar omdat ik dacht: “Toch zonde, dat dat hier zo ongewaardeerd op de stapel ligt”, of: “Daar kan ik iemand nog eens een plezier mee doen”, of: “Daar kan ik iets op verdienen, waardoor ik weer iets mooiers kan kopen”. Dat laatste bleek vaak een illusie, soms een voltreffer en bijna nooit volledig bevredigend. Ook het tweede komt in de praktijk minder vaak voor dan je denkt. En het eerstgenoemde getuigt van een al te sentimenteel verlosserssyndroom. Danny, je kunt nu eenmaal niet alle boeken “redden”.

In de loop der jaren ben ik dan ook wel “zuiniger” geworden en koop ik, in principe, niet nog een exemplaar van wat ik al heb, behalve als het is om een min of meer versleten exemplaar door een beter exemplaar te vervangen (maar dan moet je dat oude exemplaar wel wegdoen, behalve weer als het boek sentimentele waarde heeft: cadeau van deze of gene, gekocht in mijn puberjaren). Ik koop dus niet meer hetzelfde boek! Edities van een werk, die onderling verschillen, al was het maar vanwege het omslag, vallen echter buiten deze strenge regeling.

bloem

Laten we beginnen met J.C. Bloem. Van diens Verzamelde gedichten kreeg ik in 1991 een mooie gebonden uitgave cadeau, de 9e druk uit 1986. Zoals links op de foto is te zien, is het veel gelezen en is het vaak meeverhuisd. Er staan potloodaantekeningen van mijzelf in, allemaal uit begin jaren ’90. Nooit zal ik het over mijn hart verkrijgen om dit weg te doen. Onlangs liep ik tegen het rechter exemplaar aan, een paperback uitgave uit 1998, eveneens fraai vormgegeven, in nagenoeg maagdelijke staat, voor 2 euro. Een van je favoriete dichters, dus wat doe je dan? Juist. “Dat wordt dan mijn leesexemplaar.” Geloof ik dat echt? Bovendien heb je toch dat eerste exemplaar al duidelijk gelezen?

We vervolgen met De kellner en de levenden van Simon Vestdijk, naar mijn smaak een van de allermooiste boeken uit de Nederlandse literatuur. Ik las het min of meer per ongeluk, toen ik 16 jaar was en een weekje met griep thuis lag. Een beetje ambitieus, zelfs voor een vwo-eindlijst. Misschien is het de koorts geweest die paste bij de koorts van het boek. Het boek rechts op de foto (althans een lookalike) had ik destijds in handen. Meer titels van Vestdijk zijn eind jaren ’80 / begin jaren ’90 op die manier uitgegeven: in wisselende kleurstellingen met portret van den auteur op de voorkant.

vestdijk

In 2009 liep ik tegen het linker exemplaar aan, de 12e druk uit 1968: een boek dat indruk maakte, een prijs van enkele euri en daar bovenop de vormgeving door Karel Beunis (die ik min of meer verzamel). Meer argumenten heb ik niet nodig.

Nee, dan Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch. Bijna hetzelfde verhaal als hierboven: een geliefde tekst, uitgaven die nét een beetje van elkaar verschillen en een ultralage prijs (ik meen dat er eentje in een stapel mee kwam, dus dan heb je echt over dubbeltjeswerk). Mulisch’ roman was de beroemde eerste Literaire Reuzen Pocket (LRP nr. 1) van uitgeverij De Bezige Bij, waarvan Harry Mulisch schijnt beweerd te hebben dat hij de uitvinder was (vindplaats?).

mulisch2

En toen waren het er drie. Dit zijn van links naar rechts de 6e, 31e en 34e druk uit respectievelijk 1960, 1985 en 1989. De druk uit 1985 had ik als scholier zelf gekocht en eveneens voor de vwo-lijst gelezen. Die uit 1960 bleek zodanig afwijkend qua vormgeving, dat die er wat mijn geweten betreft nog wel bij kon. Lastiger werd het met die laatste aankoop, de editie uit 1989. Opvallende verschillen zijn er niet, behalve misschien dat de rug van deze nog goed leesbaar is, in tegenstelling tot de twee andere exemplaren, zoals op de foto hieronder is te zien. Dat was niet het excuus op het moment van aankoop, maar achteraf wel een prettige uitvlucht goede rationalisatie.

mulisch1

Er lijkt een constante te zijn in dit verhaal: jong gelezen boeken. Dat geldt in elk geval nog voor Willem Frederik Hermans, van wie ik destijds niet (meer voor de hand liggend) De donkere kamer van Damokles las (of, als je je er met een dunnetje vanaf wilde maken: Het behouden huis), maar het eveneens prachtige Nooit meer slapen. Mijn exemplaar had dezelfde omslagafbeelding als rechts op de foto hieronder. Ik weet niet meer welke druk het was, maar het zal niet veraf liggen van 1983, het jaar waaruit de getoonde 17e druk stamt. Tijdens mijn eerste studiejaar in Nijmegen echter leende ik, uit idealisme, dit boek, samen met Een roos van vlees van Jan Wolkers, uit aan een Duitse uitwisselstudente, die graag haar Nederlands wilde verbeteren aan de hand van een goed boek. Maar net als die beroemde fietsen, kwamen ook deze boeken niet meer terug.

hermans

Op een sombere dag was ze met de noorderzon vertrokken. Ik dacht dat ik nooit meer zou slapen. Nooit meer in elk geval heb ik een boek uitgeleend, aan wie dan ook: je schaft het zelf maar aan, je leent maar het van iemand anders.  Of ik geef het je cadeau, maar die onzekerheid van een boek dat onverwacht niet terugkeert in de boekenkast… the horror, the horror!

Op een gegeven moment heb ik het links afgebeelde gebonden exemplaar gekocht, nieuw in de winkel. Natuurlijk kwam ik een zuster van het verloren exemplaar wel eens tweedehands tegen, maar meestal te beduimeld en scheefgelezen om het zelfs maar gratis mee naar huis te nemen. Tot… september vorig jaar. Toen was de zaak snel bekeken. Het is weliswaar niet dat verloren exemplaar, maar het is wel de editie met de omslagafbeelding die voor mij gezichtsbepalend is geweest voor Nooit meer slapen.

boccaccio2We gaan wat terug in de tijd, naar het middeleeuwse Italië, en belanden allereerst bij de Decamerone van Giovanni Boccaccio. Natuurlijk moest ik daarvan een Italiaanse editie hebben, al was het maar de tweedelige paperback edititie in cassette van Mondadori in de reeks Oscar Classici, waarvan ik wel meer titels heb (gehad). Maar daar gaat het natuurlijk niet om, want origineel en vertaling zijn niet echt als gelijken te beschouwen, dus die mogen zonder meer naast elkaar in de kast staan. Het gaat in dit geval om de vertaling.

Een vrij bekende vertaling van Decamerone is van de hand van Frans Denissen. Die is inmiddels in veel verschillende edities verkrijgbaar, onder andere in de Perpetua reeks. Die heb ik (nog) niet. Wel heb ik een uitgave uit 1989 van uitgeverij Manteau, en de mooie, monumentale editie in de Gouden Reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep, de eerste druk daarvan uit 2003. Precies dezelfde tekst, maar in de Athenaeum-uitgave veel fraaier vormgegeven en geïllustreerd.

boccaccio1

Ben ik met Boccaccio’s meesterwerk vooralsnog voorzichtig geweest, bij die andere grote Italiaanse dichter, vader van de Italiaanse taal, Dante Alighieri ben ik minder terughoudend geweest. De eerste editie die ik aanschafte was de zoveelste herdruk van een min of meer klassieke vertaling, namelijk die van Christinus Kops, in een gezamenlijke uitgave van Pelckmans en De Wereldbibliotheek. Daarnaast heb ik op een van de vele Italië-reizen een goedkope “studie-uitgave” gekocht, met vele voetnoten en verklaringen, uit 1996 in de reeks BEN Classici. Op een gegeven moment heb ik alle BEN Classici boeken weggedaan, ook Dante; het waren uiteindelijk lelijke pockets op krantenpapier, die vergeelden waar je bij stond. Daar is dus geen foto meer van. Misschien was ik te streng.

Een andere Italiaanse uitgave uit 2004, hieronder links, kocht ik jaren later. Het is de ideale combinatie van studie-uitgave en toch mooi uitgegeven en leesbaar lettertype.

dante1

Een andere, min of meer bekende vertaling is die van Frederica Bremer, in 3 afzonderlijke boekbandjes. Deze heb ik een beetje tegen wil en dank: de vertaling is wat stijfjes, de bandjes zijn lelijk, de opschriften nauwelijks meer leesbaar. Het is dat ik boeken van en over Dante (bijna) niet kan wegdoen en van deze vertaling nog geen andere editie heb, maar anders… Naast de vertaling van Bremer is een Duitse vertaling afgebeeld, getiteld Göttliche Komödie. De beroemde eerste regels luiden dan als volgt:

Als ich auf halbem Weg stand unsers Lebens,
Fand ich mich einst in einem dunklen Walde,
Weil ich vom rechten Weg verirrt mich hatte;

dante2

De vertaler is ene Philalethes, een pseudoniem waarachter 19e-eeuws vorstenbloed schuilgaat. De eerste edities hiervan zijn al in de loop van de 19e eeuw verschenen (de eerste volledige Komedie in 1849), mijn exemplaar is uit 1916 en is voorzien van illustraties door Gustave Doré, wat het samen met de fraaie letters toch een mooi boek maakt, dat antiquarisch nog tegen redelijke prijs verkrijgbaar is.

In de bibliotheek van een Dante-liefhebber mag natuurlijk de moderne prozavertaling van een van de bekendste Nederlandse vertalers uit het Italiaans, Frans van Dooren, niet ontbreken. De luxe is dat je kunt kiezen tussen de Ambo-Klassiek uitgave van Ambo (met rood stofomslag) of het deel uit de Baskerville Serie van Athenaeum-Polak & Van Gennep (met crèmekleurig stofomslag). Beide uitgeverijen hebben namelijk een aantal titels (waaronder ook Augustinus’ Stad van God) gezamenlijk uitgegeven. Beide uitgaven zijn uit 1987 en hebben dezelfde tekst.

dante3

Maar waarom zou je kiezen? Sterker nog: een aantal Nederlandstalige edities ontbreken nog in mijn kasten, zoals de veelgeprezen vertaling van Ike Caliona en Peter Verstegen, o.a. verschenen in de Gouden Reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep, met eveneens afbeeldingen van Doré (bij deze een goede cadeautip) en in de Perpetua Reeks van dezelfde uitgeverij. Verder is er nog de vertaling van R.F.M. Brouwer, in drie afzonderlijke paperbacks.

dante4aAls aardigheidje (want niet echt “dubbel”) toon ik hier nog een abridged uitgave hervertelling van de Divina Commedia, in het Italiaans, met zeer kleurige en sprekende illustraties, deze keer niet van Doré. Het gekke is dat de voorstellingen op de plaatjes erg lijken op wat ik mij zelf voorstelde bij het lezen. Of zou dat komen doordat Dante hier erg lijkt op de Dante van de afbeeldingen die we al kenden?

 

dante4b

Als je goed door je kasten gaat, ontdek je nog meer. Hieronder nog een aantal voorbeelden van “dubbele boekhouding”, d.w.z. boeken die in meer dan één exemplaar in de collectie voorkomen, om tal van redenen, waarvan sentiment en hebberigheid wel de voornaamste vormen. Vaak heb ik er twee, maar soms ook drie of zelfs vier exemplaren van een zelfde tekst. Bij Homeros, weliswaar in verschillende vertalingen, gaat het om nog meer edities. (Klik op de afbeeldingen hieronder voor een vergrote weergave – vooruitbladeren mogelijk).

Een kleine bibliofielennachtmerrie

2016-07-03 15.16.30

In 2014 verhuisden we naar Maastricht, de stad waarin in geboren en tot mijn 19e opgegroeid ben. Hoe moest dat met die grote stapel “ingebonden oud papier”?

Zoals uit eerdere blogbijdragen al is gebleken, is dat wel goed gekomen. Het huis is geheel onderkelderd: 3 ruimtes, met ca. 2,70m hoogte, waarvan er eentje een oppervlakte heeft van ca. 40m2. De boeken staan er veilig, zonlichtarm en droog. Het deel van Maastricht waar wij wonen ligt relatief hoog en de bouwer van het huis (en tevens eerste eigenaar) heeft destijds een sleuf rondom het huis gegraven en die gevuld met poreus materiaal, zodat water snel zakt. Volgens de bouwtechnische inspectie “zelden zo’n droge kelder gezien”. De temperatuur is redelijk constant (ca. 17-19 graden), er is een bovenlicht om te ventileren waardoor schaars maar op zonnige dagen mooi gefilterd daglicht valt, en er is een verwarmingsradiator, waardoor de luchtvochtigheid in de winter zelfs rond de 40% uit kan komen. In natte zomers als deze wordt het wel eens 70%, maar dat is niet veel meer dan in de woonkamer op de begane grond. So far, so good.

2016-07-03 15.30.18

Onaangename medebewoners
Het huis blijkt echter na verloop van tijd ook een onaangename verrassing te herbergen, een erfenis van vorige bewoners: zilvervisjes en,  naar nu is gebleken, ook papiervisjes. Natuurlijk hadden we in de badkamer (vóór verbouwing) wel eens zo’n zilvervisje waargenomen, en op zolder in een enkele kartonnen doos. Inmiddels weten we dat in droge omgevingen het bijna per definitie papiervisjes zijn. Het feit dat ze in een kartonnen doos zitten zou alarmbellen hebben moeten doen rinkelen. Tot voor kort maakte ik mij niet echt zorgen hierover: je zag er maar enkele exemplaren, af en toe achter een fotolijstje, of in een van de vele spelonken van de bakstenen binnenmuur die een deel van het huis kenmerkt. Niet echt bij de boeken, hoewel die in alle gezamenlijkheid voor papiervisjes een soort Bijbelse graanschuren van Egypte vormen.

2016-06-20 08.57.33Maar toen werd het juni 2016. Opeens viel mij op aan een deel uit de Russische Bibliotheek, namelijk deel 3 van de werken van Tsjechov, dat de paarsbruine rug ontsierd werd door een witte uitslijting, een spoortje (klik op de foto hiernaast voor een vergrote weergave). Nu had ik eerder bij enkele andere, relatief nieuwe delen van de Russische Bibliotheek (Babel, Pasternak) aan de randen ook wel enige “slijtage” (naar ik dacht) gezien, wellicht door het wat slordig uit de kast pakken of stoten van de rug tegen iets, kortom lichte gebruiksschade. Maar bij dit Tsjechov deel was het nu wel erg opvallend, en het zoveelste relatief nieuwe boek. Bovendien: zo slordig ga ik toch niet om met mijn boeken, bij uitstek niet als het om deze verzamelwaardige reeksen gaat. Nadere bestudering van het stofomslag leert dat er inderdaad “geschraapt” lijkt, het kronkellijntje is een schraapspoor van vraatzucht, wat op de afbeelding ook te zien is. Nu begonnen er wel alarmbellen te rinkelen.

Een beetje paniek
Wat volgt is een periode van enkele weken met het afstruinen van internet naar tips en uitproberen van die tips: van standaard vallen tot uitgeholde aardappelen en bakjes met bloem – de beestjes zouden immers van koolhydraten houden. In geen van die vallen heb ik ooit zo’n beestje aangetroffen, wel onder mijn boeken. Gebonden boeken laten namelijk wat ruimte tussen het binnenwerk van het boek en de boekenplank, en regelmatig tref je dan een papiervis aan. Gedurende de periodieke inspecties (die op den duur een dagelijkse routine werden, zodanig dat een buitenstaander van een obsessie zou kunnen spreken) heb ik tientallen grotere en kleinere exemplaren met de hand doodgedrukt. Op een gegeven moment lijkt het alsof je er een intuïtie voor ontwikkelt: hoewel met de voortgaande slachting die ik onder deze diertjes aanrichtte ze steeds moeilijker vindbaar werden, vond ik bijna elke dag er nog wel één of twee.

2016-06-20 08.57.19Wat ik echter ook vond, omdat je je boeken nu heel nauwkeurig en vaak inspecteert, is dat er meer boeken getroffen waren: Kunst en droom van S. Vestdijk, deel 7 (“eerste helft”) uit de reeks van dr. L. de Jong over het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, miniem zichtbare spoortjes op enkele delen uit de prachtige Baskerville serie (maar door hun crèmekleurige omslagen valt het daar minder op), en – tot mijn grote verdriet – Tijgerkat van de Italiaanse schrijver Lampedusa in de eveneens mooie reeks Grote Bellettrie van Athenaeum-Polak. Nu kunnen mij de oorlogsboeken van De Jong, figuurlijk gesproken, gestolen worden: in grote oplagen verschenen, dus tegenwoordig bijna gratis af te halen bij menige kringloopwinkel, en bovendien lelijk qua vormgeving.

Opvallend is het volgende: de beestjes lijken te houden van relatief nieuwe boeken, van papieren (dus ongeplastificeerde, niet gladde) stofomslagen, veelal in het kleurenspectrum bruin-paars-oranje-grijs, van dure reeksen (Russische Bibliotheek, Baskerville, Grote Bellettrie), nota bene het soort boeken waar je de schade zo goed ziet. Een Twittervriend meldde al dat ook de reeks Privé Domein niet veilig is. Alsof de duvel ermee speelt! Een kleine bibliofielennachtmerrie.

Wat nu?
Het besef dringt door dat er drastische maatregelen nodig zijn. Als je Google raadpleegt, zijn er volop bedrijven die de ellende met liefde komen bestrijden voor wellicht een heel aardig prijsje en met nog veel aardiger gif. Je kunt ook zelf gif spuiten, maar behalve dat het voor mens en milieu werkelijk slecht spul is (en je nadrukkelijk wordt ontraden om het in een huis met kinderen of huisdieren te doen), zit er ook een onpraktische kant aan: kelder en zolder inbegrepen heeft ons huis 4 verdiepingen, met zoals gezegd vele kleine hoekjes, spelonken, plinten, uitsparingen – kortom volop de mogelijkheid voor kleine wezentjes om buiten het blikveld te blijven. Dat zou dus betekenen, nog afgezien van de kosten, dat je je hele huis moet vergiftigen, want ze zitten potentieel overal. Ik sluit niet uit dat ik ooit nog naar het gif grijp (als last resort), maar eigenlijk heb ik daar helemaal geen zin in, gezien het verwachte lage rendement tegenover de ongewenste bijwerkingen van die maatregel.

IngepaktWat dan? Ik heb een oplossing gevonden, hoop ik: bescherming bij de bron, het “sealen” van de objecten die bedreigd worden. Natuurlijk kan ik geen 3500 boeken in plastic folie inpakken, maar wel de ca. 10% kwetsbare exemplaren die ik zeker wil beschermen, zoals genoemde reeksen – een strategie die ik ook gebruikte om bij de verhuizing dezelfde doelgroep te beschermen tegen “bumping”. Je bent immers bibliofiel of niet. Dus heb ik afgelopen week, en nu niet lachen, avond aan avond gezeten aan mijn tafel, met doorzichtige folie van de Aktion (€ 0,49 per rol), boeken aan het “inpakken”. Eén nadeel: even in een boek bladeren wordt een beetje ontmoedigd, want dan moet de folie eraf (en na lezing weer eromheen. Het neemt zeg maar een stuk spontaniteit weg tussen boek en lezer. Bovendien zie ik nu overal glimmende ruggen mij aanstaren, als steriele objecten. Het is kiezen uit twee kwaden.

Het sealen voelt als een race tegen de klok, want ondanks de voortdurende inspectierondjes zal ik hier en daar toch een visje niet te pakken krijgen en hij wel een van mijn boeken. Zo had ik een aantal van de nog te beschermen de boeken plat gelegd, in stapeltjes, om het aantal verstopplekken aldaar te beperken. Op die manier komt er namelijk meer licht tussen de boeken, heteen die beestjes liever mijden, en kan ik sneller de planken inspecteren (nu ik het opschrijf, besef ik dat het iets grotesks en inderdaad obsessiefs heeft, maar het zijn dan ook je kindjes). Tot mijn grote schrik bleek het dikke deel met De Essays van Montaigne aangetast, met nog een flink spoor ook: zowel voorplat als rug (zie foto hieronder). Had ik het met dit stapelen juist erger gemaakt en het beestje eens rustig de gelegenheid gegeven om in horizontale positie mijn omslag af te grazen? Of had ik deze schade bij eerdere inspecties gemist? Als men niet oppast, dan wordt men paranoïde. Je probeert de conclusie dat er nieuwe schade is ontstaan, dus na ontdekking en visjesjacht, zo lang mogelijk van je weg te houden, want dat betekent dat het probleem voortduurt en niet helemaal beheersbaar is.

2016-07-12 07.57.56

Beperkten ze zich maar tot één boek, door mij aan te wijzen (b.v. genoemd deel 7 van Dr. L. de Jong), dan liet ik ze rustig hun gang gaan – elk beestje is immers een schepsel van God en heeft recht op een plaatsje onder de zon.

 

Fascinatie voor taalboeken (2)

Of SetWoordenboekenhet iets met een spirituele ingeving te maken had – ik kocht in 2005 deze twee boeken te midden van een hele stapel andere bij de jaarlijkse verkoop in oktober van de Vincentiusvereniging te Roermond – maar beide woordenboeken (de meest linkse boeken op de foto hiernaast) hebben betrekking op een der talen waarin de Bijbel oorspronkelijk is overgeleverd, het Hebreeuws en het Grieks. En ik kocht ze nog wel voor de heel spirituele prijs van respectievelijk € 1,00 en € 0,50. Deze boeken waren ingedeeld in de categorie “oude boeken”, zonder verdere specificatie, zoals de andere zgn. genres als “romans”, “buitenlandse boeken”, “Oorlog” – kortom een indeling die Borges’ Chinese encyclopedie niet zou misstaan.

Waarom wilde ik deze boeken hebben. Well, it’s one for the money (wat een belachelijk lage prijs), two for the show (wat een prachtige boekbanden, wat een fraai binnenwerk), three to get ready (wat een berg geleerdheid in twee boekbanden). Dit waren de blue suede shoes die ik moest hebben. Ik kan niet ontkennen dat er een zeker “exotisme” aan de keuze ten grondslag lag: vreemde talen, die ik niet (Hebreeuws) of bijna niet (Grieks) beheers, of zelfs maar lezen kan, vreemde schrifttekens, en dan ook nog eens in boekbanden van honderd of meer jaar oud.

Ik geef eerst van beide boeken een titelbeschrijving, die al indrukwekkend op zichzelf is:

  • AltenTestamente (4)Siegfried, Carl; Stade, Bernhard, Hebraïsches Wörterbuch zum alten Testamente. Mit zwei Anhängen: 1. Lexidion zu den aramäischen Stücken des alten Testamentes – 2. Deutsch-Hebräisches Wörterverzeichnis. Verlag Von Veit & Comp., Leipzig, 1893. 1e druk – gebonden, 978p.
  • Preuschen, Erwin, Vollständiges Griechisch-Deutsches Handwörterbuch zu den Neuen Testaments. Und der übrigen urchristlichen Literatur. Alfred Töpelmann, Giessen, 1910. 1e druk – gebonden, 592p.

Het gaat dus niet om “gewoon” een Hebreeuws en een Grieks woordenboek, maar om woordenboeken die in resp. het OT en NT gespecialiseerd zijn (zoals er ook specifiek woordenboeken op de teksten van Homeros zijn, of grammatica’s die alleen het Attisch Grieks behandelen) – heerlijk deze specialismen. Is het toeval dat beide boeken Duits zijn of floreerde in dat taalgebied eind 19e eeuw de taalwetenschap toch het meest? Het geeft ook te denken dat ze in één stapel samen te vinden waren. Waren ze eigendom geweest van een geestelijke, een theoloog, een student, een instituut, een van de kerkelijke/bisschoppelijke instellingen in Roermond? In een van de boeken staat wel een klein stempeltje, maar helaas heb ik niet kunnen achterhalen waar dit op duidt.

AltenTestamente (1) AltenTestamente (2)

Het woordenboek Hebreeuws is van de twee behalve het meest exotische (vanuit mijn achtergrond gezien) ook het fraaist vormgegeven in halfleer, mooie rug met goudopdruk. Het moet ook een hele klus zijn geweest, ver voordat boeken m.b.v. computers werden opgemaakt, om de kolommen van dit boek te zetten en te drukken: Hebreeuwse schrifttekens, daarnaast ons eigen Latijnse schrift en soms nog Griekse letters alsAltenTestamente (3) er een Grieks equivalent is te vinden van bepaalde woorden, zoals in een van de afbeeldingen is te zien. Als je geen kennis van taal of schrift hebt, is gericht zoeken uitgesloten, dus meer dan geboeid bladeren is eigenlijk niet mogelijk, maar het verleent wel het genoegen toch enigszins in aanraking te komen met het Palestina van meer dan 2000 jaar geleden. Door de verwijzingen naar bijbelplaatsen kun je natuurlijk wel in een Nederlandse versie meekijken, en bovendien staat de betekenis in het Duits ernaast. Aardig vind ik nog dat er ook nog een Duits-Hebreeuwse woordenlijst is opgenomen, waardoor je toch iets gerichter kunt zoeken, maar vooral dat er nog een specifieke subset is opgenomen voor de gedeeltes van het OT die in het Aramees zijn opgesteld. Het Aramees zou de taal zijn die Jezus Christus sprak. In het huidige Syrië en Irak wordt op plaatsen nog een variant van het Aramees gesproken.

NeuenTestament (1)Een vergelijkbare ervaring biedt het tweede boek dat niet zomaar “het Grieks”, of zelfs maar algemeen het oude Grieks omvat, maar dat specifiek het Nieuwtestamentisch Grieks beschrijft, een ook nog even de “overige oerchristelijke literatuur” meeneemt. En dan heet het nog maar een “Handwörterbuch” te zijn (maar wie een beetje bekend is met het Middelnederlandsch woordenboek en het daarvan deels afgeleide handwoordenboek, snapt hoe de verhoudingen liggen). Qua vormgeving is dit boek iets strakker dan voorgaande, maar ook heel fraai, met een kartonnen cassette waarin het boek goed behouden blijft. Omgekeerd zie je hier na de Griekse lemmata af en toe ook weer Hebreeuwse verwijzingen opduiken. De Griekse letters en zelfs woorden geven door mijn basale kennis iets meer herkenning. Zo stuit ik o.a. op dendron (boom), krypto (verbergen, verstoppen), genesis (geboorte) en nautès (schipper, matroos). Und so weiter. Ook hier zijn de pagina’s a.h.w. gecodeerd met bijbelplaatsen, wat een speurtocht alleen nog maar leuker maakt. Nog een leuk detail: op rug en titelblad is een soort schildje weergegeven met daarin de Griekse letter Tau, o.a. symbool voor leven en wederopstanding en icoon van de H. Franciscus (Tau kruis).

NeuenTestament (2) NeuenTestament (3)

Fascinatie voor taalboeken

Een aantal van de komende weken te bespreken boeken

Klik op de foto om te vergroten

Hoewel ik afgestudeerd ben in letterkundige richting ( en dan nog wel “moderne”, d.w.z. 20e-eeuwse literatuur) en ik geen gymnasiale vooropleiding heb gehad (dus een grondige kennis van Grieks en Latijn moet ontberen), heb ik altijd een speciale liefde, noem het gekte, gehad voor de combinatie: taal(kunde), oud, exotisch/vreemd, lijstjes en rijtjes (paradigmata) en geschiedenis. Dat geldt nog sterker wanneer het gaat om taalgeschiedenis, ook wel diachrone taalkunde genoemd, of de beschrijving van een specifieke taal in een bepaalde periode (zeg Middeleeuwen, of nog verder gelegen tijden); indien er dan een boek op mijn pad komt dat een of meer van de elementen uit genoemde combinatie bevat, dan gaat het per definitie mee naar huis.

Ook boeken over kunstmatige of verzonnen talen (Esperanto en Ido) zijn zo in mijn kast terecht gekomen. Daarbij speelt het toeval – naast de lage prijs waarvoor het betreffende boek te koop staat (ik blijf een koopjesjager) – een grote rol. Niet zelden is de vindplaats dan ook een kringloopwinkel, de boekenmarkt van een of andere instelling voor liefdadigheid of algemeen nut, een enkele keer een antiquariaat, en soms zelfs een “reguliere boekhandel”.

Twee woordenboeken over Middeleeuwse taalBevind ik me in het buitenland, dan kijk ik – zoals te verwachten valt – koortsachtig om mij heen, op zoek naar boekhandels en boekenstalletjes. Zo vond ik in Zuid-Frankrijk een van de woordenboeken over “Oud-Frans”, Larousse Dictionnaire de l’ancien français – le Moyen Age, zeg maar een soort evenknie van het Middelnederlandsch handwoordenboek van J. Verdam. (Anekdote: ca. 10 jaar geleden ben ik, met geleend geld, op snikhete vaderdag vanuit Roermond helemaal naar Groningen gereisd, waar een particulier voor een paar honderd euro het complete Middelnederlandsch woordenboek – ja, die plankenvullende reeks van Verwijs & Verdam. Bij Zwolle bleek het nog een heel end te zijn. In Groningen aangekomen werd ik vriendelijk ontvangen, maar de woordenboeken waren in dermate staat en niet allemaal netjes ingebonden, dat ik er “niet meer dan een stapel oud papier” in zag. Mijzelf en de verkoopster teleurstellend verliet ik Groningen weer onverrichterzake).

 

Toen we in 2012 twee weken in Umbria met vakantie waren, slaagde ik erin niet minder dan 4 boeken te kopen op het gebied van Italiaanse (of bij uitbreiding: Romaanse) historische taalkunde, al betreft het daar gloednieuwe handboeken voor hogeschool of universiteit, dus nog niet echt speciaal vanuit het perspectief van de boekenverzamelarij.

Spannender zijn echter de toevalstreffers die honderd jaar of ouder zijn, vaak wonderen van (Duitse) geleerdheid. Met name op het gebied van de vergelijkende (historische) taalwetenschap, lexicologie en etymologie moet de 19e eeuw inderdaad een tijdperk van giganten zijn geweest. Wij kijken misschien wel verder, zoals men zegt, maar alleen omdat we op hun schouders kunnen staan. Maar daarover meer een volgende keer…

 

 

“Ik hoop dat je van het boekje geniet”

Een boek kan soms het meest intieme cadeau zijn dat je van iemand krijgt.

Een zekere H. (acPlatDuJour-Kaartjehternaam en woonplaats onbekend) verjaart. Hij (de voornaam duidt onmiskenbaar een man aan) wordt 82. Een bekende van hem, A. wenst hem een fijne verjaardag toe in de meest warme bewoordingen. De voornaam duidt onmiskenbaar op een vrouw. Zijn echtgenote, of heeft hij die overleefd? Nee, zij kan het niet zijn, want de intieme woorden veronderstellen tegelijkertijd een niet-nabijheid. “Vieren met de familie komt nog.”

Is het een goede vriendin, zijn nieuw gevonden liefde wellicht, of een oude vlam die hij decennia niet gezien of gesproken heeft? Of zou het een zus zijn? Of een dochter die veel van haar vader houdt? Of maakt ze zich er makkelijk vanaf? Zo van: we (de familie) kunnen zelf niet komen, je krijgt nog je feestje en veel plezier met dit boek. Je kunt hier verschillende kanten op bij gebrek aan context.

Woont hij in een huis waar voor hem gezorgd wordt? Dat suggereert dit wel: “In het huis zal er ook nog wel aandacht aan besteed worden.” Is het misschien een verzorgster uit “het huis”, waarover ze ogenschijnlijk met grote vertrouwdheid en vanzelfsprekendheid schrijft? Haar taal en spelling zijn overigens onberispelijk, geen enkele van de d-/t-fouten die je steeds vaker ziet.

Ze wenst hem nog veel goede, gezonde jaren erbij. “Ik hoop dat je van het boekje geniet.” Het kaartje hoort dus echt bij het boekje (of bij een ander boek, en dan is het als boekenlegger verdwaald geraakt). Alvorens ze hem tot slot het “allerbeste en lieve groeten” wenst, volgt misschien wel de meest intieme onthulling: “Dat deed ik ook.” (ze doelt op het genieten). Ze heeft dit boek dus zelf ook gelezen, dat beweert ze althans. Het kan een vorm van inlevende beleefdheid zijn, of gewoon waar – uiteindelijk maakt dat niet uit, het cadeau is persoonlijk, de genegenheid heeft de ruimte van taal gekregen, een volgeschreven kaart. Een beetje ouderwets. Ik zie hem zitten, glimlachend om de attentie (of verbitterd: waarom komt ze niet zelf?), met het boekje in handen. Plat du jour, menu van de dag, met anekdotische verhalen over Frankrijk. Ik zie hem zitten en voel me een beetje een voyeur die net niet alles kan horen.

Het boekje is de 7e druk uit 2009. Als hij het ook meteen in dat jaar heeft gekregen, wat zeer aannemelijk is gezien de elkaar snel opvolgende drukken, dan is hij nu… 89 jaar. Of zou hij inmiddels overleden zijn? Heeft men zijn huis of kamer in “het huis” leeggehaald, de boedel verdeeld en de boeken maar aan de kringloopwinkel meegegeven? Ik voel me steeds ongemakkelijker met boek en kaart.

 

 

De laatste homo universalis

In memoriam Umberto Eco

2016-02-20 13.50.24

Toen ik het werk van Umberto Eco voor mijzelf “ontdekte”, aan het eind van mijn schooltijd in Maastricht (1989-1990), was hij inmiddels wereldberoemd vanwege de in vele talen vertaalde, en inmiddels verfilmde, dikke roman Il nome della rosa, “De naam van de roos”. Natuurlijk had ik ook de film met Sean Connery in de hoofdrol gezien, zelfs de videoband ervan in huis (waar hij vrolijk naast de verfilming van Louis Paul Boons Menuet stond). Het kon ook niet anders dan dat dit de roman van Eco was waarmee ik als eerste kennis maakte en waarvan ik danig onder de indruk was. Iets later, in 1990 – mijn eerste studiejaar Nederlands in Nijmegen – las ik het boek nogmaals, op advies van onze inspirerende docent Middelnederlandse letterkunde Paul Wackers (die het ondanks de voor de hand liggende anachronismen aanraadde), maar nu met andere ogen: het middeleeuwse wereldbeeld, de esthetica van licht en schoonheid. Met ogen van “toen”.

2016-02-20 13.38.25Het tweede boek van Eco dat aan mijn lezershorizon verscheen, was De slinger van Foucault. Waarschijnlijk is er nauwelijks een boek denkbaar dat zoveel ongelezen bij de mensen in de kast heeft gestaan en waaraan – door het in de kast te hebben – mensen zoveel intellectuele eigenwaarde meenden te kunnen ontlenen. Ook op mij heeft het door de combinatie van omvang en geleerdheid altijd een afschrikwekkend effect gehad, waardoor ik het nog steeds niet van kaft tot kaft heb gelezen. Daarmee diskwalificeert het zich overigens niet als boek, maar heeft het dezelfde twijfelachtige reputatie als bijvoorbeeld Finnegans wake van Joyce. Over Joyce gesproken: Eco was ook een hartstochtelijk geleerd man die over alles, en meer, schreef, waaronder uitgebreid over James Joyce en de veronderstelde invloed op diens werk van de middeleeuwen. Eigenlijk is mij die essayistische en literatuurwetenschappelijke Eco altijd minstens zo lief geweest, ook al zijn niet al zijn boeken en artikelen even “leesbaar”.

2016-02-20 13.37.21 Toen hij beroemd werd met zijn romans (vooral De naam van de roos), timmerde Umberto Eco namelijk al vele jaren aan de weg, vooral als geleerde. De kennismaking daarmee viel min of meer samen met het feit dat ik in mijn tweede studiejaar te Nijmegen ook bij Algemene Literatuurwetenschap (ALW) rondwandelde, en ik meen dat het vanuit deze vakgroep was dat de Grote Geleerde uitgenodigd was voor een of meer lezingen in Nijmegen. Ik herinner me een overvolle collegezaal (waar Nederlands en ALW doorgaans maar kleine hokjes bezetten), het was alsof er een bekende ster uit de pop- en rockwereld werd binnengehaald. In de nasleep 2016-02-20 13.44.07van dat evenement verschenen in Letterlik, het toenmalige Nijmeegse instituutsblad van Nederlands, artikelen over het literatuurtheoretische werk van Eco, die een poging deden de meester qua geheimtaal naar de kroon te steken. Het ging over de “limits of interpretation” versus de in principe eindeloze mogelijkheden tot het genereren van betekenissen (“eindeloze semiosis”).

In de berichten naar aanleiding van Eco’s overlijden wordt gesproken over zijn veelzijdigheid en onmatigheid. Onmatig was hij zeker in zijn schrijven, je zou kunnen zeggen dat hij een omvangrijk “pak van Sjaalman” heeft achtergelaten. Er leken voor Eco geen grenzen te bestaan, moeiteloos verbond hij de “lage” en “hoge” cultuur, schakelde hij tussen stripverhalen en esthetische theorie, tussen de middeleeuwen en het heden, tussen ingewikkelde taaltheoretische beschouwing en luchtige scherts. Hij schreef over schoonheid en lelijkhe2016-02-20 13.37.40id in de kunst, hij had voor studenten en andere schrijvers in de dop een Hoe schrijf ik een scriptie geschreven, die met alle luchthartigheid nog nuttig bleek ook (en waarin hij vooral aanspoort tot meer leren, extra talen leren, meer kennis vergaren). Zo schreef hij uiteenlopende boeken als Kunst en schoonheid in de middeleeuwen en Europa en de volmaakte taal. Een van de geestigste romans (met behulp waarvan ik mijn Italiaans probeerde te upgraden, door het origineel parallel aan de vertaling te lezen) vind ik nog altijd Baudolino, over een leugenachtige schavuit tijdens een van de kruistochten in het gevolg van keizer Frederik I “Barbarossa”.

Kenmerkend voor zijn veelzijdigheid is dat Eco’s boeken (ook bij mij) door de hele bibliotheek heen verspreid staan, je vindt ze terug tussen: romans, literaire essays, literatuurwetenschap, (taal)filosofie, semiotiek, middeleeuwen, kunstgeschiedenis, etc. En dan ken ik nog lang niet alles van Umberto Eco. Zo vermeldt Wikipedia dat hij een autoriteit zou zijn op het gebied van James Bond, dat hij ook kinderboeken schreef. Een aantal van zijn latere romans heb ik nog niet gelezen, en ga zo maar verder.

Van sommige mensen kun je je niet voorstellen dat ze niet het eeuwige leven hebben, zeker als ze gedurende enkele decennia in zo’n nadrukkelijke mate aanwezig zijn. Met het overlijden van Umberto Eco is weer een persoonlijkheid van ons heen gegaan die de wereld verrijkte met zijn vele kleuren. Misschien was hij wel de laaste homo universalis.

2016-02-20 13.40.02

Over verbrandingsmotoren (1914)

Hoewel van huis uit mijn interesses zich voornamelijk bevinden op het terrein van talen, alfawetenschappen, geschiedenis en cultuur, en je mij niet snel verdiept ziet in technische handleidingen, noch mij zult aantreffen in de nabijheid van objecten die met techniek en handenarbeid te maken hebben, heb ik toch enkele boeken die te maken hebben met elektrotechniek, stoom, bagger- en grondwerken of over de Rietsuikerfabrieken op Java en hare machinerieën. Gemeenschappelijk kenmerk is dan wel dat het om “oude” boeken gaat, d.w.z. van vóór 1950. Door hun ouderwetse vormgeving en de aandacht waarmee dit vaak gebeurd is, hebben ze dan weer een eigen charme. Het zijn ook geen boeken die je leest, maar waarin je bladert en je af en toe verbaast.

Waar ik bijvoorbeeld een keer tegen aanliep, en wat ik niet kon laten liggen was dit “elementair leerboek” over De hedendaagsche motoren voor gas, benzine, petroleum en spiritus, geschreven door H.A. Romeyn, “bewerkt naar het Duitsch van Professor Vater” en uitgegeven door A.W. Sijthoff te Leiden in 1914. Het exemplaar onder handen is een 2e druk en omvat 202p. Opvallend zijn de fraaie gravures – dat is wel de belangrijkste reden waarom ik ervoor viel – en technische tekeningen, die vaak behoorlijk groot op uitvouwbare pagina’s zijn afgedrukt. Die uitvouwbare pagina’s maken dit boekje ruim honderd jaar later tot een feest voor de bibliofiel.

De foto’s hieronder geven een goede indruk van het boekje – klik op de afbeeldingen om ze vergroot te zien.

Kom er maar eens op, het juiste woord

2015-12-03 22.35.06Als het om naslagwerken gaat, ben ik een grote wijfelaar. Decennia nadat de indrukwekkende papieren encyclopedieën, zoals de Grote Winkler Prins en de Grote Larousse, in de mode waren en in de verder boekenloze buffetkast van vele gezinnen stonden, veelal onaangeroerd, kocht ik ze ergens in een kringloopwinkel voor een honderdste van de oorspronkelijke prijs, of daaromtrent. Tijdens mijn studententijd heb ik zelfs een vertegenwoordiger over de vloer gehad om abonnementsgewijs de Encyclopedia Brittanica aan mij te slijten – de begeerte was nauwelijks te bedwingen, maar de naar ik meen 80 guldens per maand zouden toch wel erg zwaar gaan wegen op het budget van een studentje zonder al te veel aanvullende inkomstenbronnen.

Omdat die krengen zwaar zijn en veel ruimte innemen, heb ik veel van deze pompeuze plankenvullers in de loop van de jaren ook weer van de hand gedaan – voor nóg minder of helemaal “geen geld” in de letterlijke betekenis. Verhuizen doet opruimen. Als dan de omvangrijkheid niet in verhouding staat tot de gebruiksfrequentie, dan is een besluit snel genomen: “Dat gaan we niet meer meesjouwen naar het volgende huis.” Bovendien, wat is nog encyclopedisch aan onze kennis? Veel kennis geldt (voor ons “modernen”) al snel als verouderd en achterhaald. Inmiddels zijn we zelfs de fase van de cd-roms etc. al voorbij en vinden we op internet talloze naslagwerken, waarbij Wikipedia wel de bekendste is, met alle voor- en nadelen die kleven aan niet centraal aangestuurde projecten (the wisdom of the crowd). Inmiddels is de betrouwbaarheid van veel artikelen op Wikipedia behoorlijk goed en is de omvang (met name van de Engelstalige variant) groter en actueler dan welke papieren encyclopedie ooit. Ook zijn er lemmata te vinden die geen enkele encyclopedie wilde opnemen, anything goes, want de ruimte is onbeperkt en niemand is de baas. Wie wil dan nog die ruimtevretende en veel moeilijker doorzoekbare banden in zijn kast hebben? Nou ja… ik dus. Althans, soms.

Gefascineerd hebben woordenboeken en encyclopedieën mij altijd en van jongs af aan: die schijnbaar perfect en toch naar de willekeur van het alfabet geordende kennis der mensheid (zeker in jongere jaren denkt men wel in dit soort romantische termen). Als je kunt lezen, kun je kennis verwerven doordat mensen die veel van een onderwerp weten erover geschreven hebben in een overzichtelijk stuk tekst. Nog fascinerender vind ik de gespecialiseerde encyclopedieën: van de muziek (of nog specifieker: van de jazz), van de bijbel, van de godsdienst, van de mythologie, van de wereldliteratuur, van de Nederlandse letterkunde, van de taal(wetenschap), van de klassieke oudheid. En zo verder. Enkele jaren geleden kocht ik nog, voor eveneens heel weinig geld, de beroemde, 20-delige New Grove Dictionary of Music & Musicians, “one of the largest reference works on western music”, aldus Wikipedia. Prachtig zoveel gespecialiseerde kennis bij elkaar op een terrein waar je nooit uitgelezen (en uitgeluisterd) raakt.

2015-12-03 23.29.47

Zo greep ik onlangs, in een vlaag van begeerte, op een van mijn vaste bezoekplekjes, twee citatenboeken vast, die nog samen waren uitgebracht in een kartonnen “cassette” (het is meer een halfopen schoendoos), begin jaren ’90 in nagenoeg ongelezen staat. Nu zijn citatenboeken eigenlijk ook wel een beetje sneu. Is het voer voor pseudo-intellectuelen, die snel voor elke situatie een passend citaatje voorhanden willen hebben? Zijn er buiten de geselecteerde bons mots, veelal willekeurig aan een “thema” gekoppeld, niet nog veel meer prachtige stukken literatuur die hierin niet te vinden zijn? Is het allemaal niet erg slogan-achtig, omdat de welluidende frasen uit hun context getild zijn? Kortom: mijn gevoelens t.a.v. dit soort boeken zijn op zijn minst dubbelzinnig. Voor zover ik weet heb ik ook geen andere citatenboeken in mijn bezit. Zelfs van bloemlezingen hou ik al niet zo, vanwege hun eclectisch karakter. Waarom dan toch deze boeken, na wederom veel aarzelen, gekocht?

Ten eerste omdat ik ze, met alle beperkingen, toch mooi vind uitgegeven. Er is gespeeld met de kleur grijs en zowel op voorplat als rug zijn geometrische figuren, samengesteld uit driehoeken en een “wiebertje” (ruit, parallellogram) te zien. Maar meer nog omdat deze twee delen op een aparte manier mij aan twee andere boeken die ik heb deden denken. Zie de afbeelding hieronder, waarop te zien is hoe elk van de twee bestaande boeken qua lay out bijna identiek is aan een van de beide citatenboeken. Daarom zei mijn echtgenote ook meteen: “Die boeken heb je toch al?” (Ook zij is in de loop van de jaren min of meer vertrouwd geraakt met mijn collectie, argwanend als ze is bij elk boek dat ik in de handen houd: “Wanneer heb je dat nou weer gekocht?”)

2015-12-03 22.36.36

De vier boeken naast elkaar: de twee linkse boeken waren al langer in bezit. De gelijkenis is opvallend.

Het Woordenboek Klassieke Cultuur moet ik als student in mijn eerste jaar hebben gekocht, tegen nieuwprijs, vanwege het (door mijzelf) veronderstelde belang voor een letterenstudent. Internet bestond nog niet (voor eenvoudige alfa’s zoals ik), dus zo’n boek was toch wel handig – bovendien lenen veel van dit soort naslagwerken zich ook uitstekend als “postmodern” leesboek: de volgorde maakt niet uit, je kunt overal in het boek beginnen en aan de hand van verwijzingen willekeurig je weg vervolgen.

Het andere boek, Het juiste woord, heb ik in nog vroeger jaren begeerd, als vwo-scholier, maar vanwege de prijs niet van mijn zakgeld kunnen kopen. Wat kostten dit soort boeken toen, 45 gulden of nog meer? Vaak genoeg had ik dit “betekeniswoordenboek” in handen gehad. Hoewel het in essentie veel weg heeft van een puzzelwoordenboek, dacht ik er meer in te vinden: een rijke bron van aan elkaar verwante woorden, die mijn nog ontluikende dichterschap met grondstof en werkmateriaal kon voeden. In de erop volgende 20 jaren was dit boek aan mijn aandacht ontsnapt, en wellicht uitverkocht. In 2012 liep ik er tegenaan en heb ik het op een boekenmarkt voor het goede doel voor 1 euro gekocht. Geduld is misschien wel de grootste deugd voor een verzamelaar, tenminste voor zijn portemonnee.

Citatenboeken zijn net als encyclopedieën verouderde en snel verouderende monumenten. Natuurlijk vind je een citaat veel sneller terug via Google of een andere internet zoekmachine, maar dan moet je wel al een of meer van de woorden uit het citaat kennen. Laatst zong het begin van een Frans gedichtje door mijn hoofd, van Paul Verlaine: “Il pleure dans mon coeur / Comme il pleut sur la ville” – geheugenscheet uit een ver verleden. In 3 seconden en enkele toetsaanslagen gevonden. Ik vrees dan ook dat ik deze twee boeken uiterst zelden uit de kast zal halen om gericht een citaat op te zoeken.

Waar ze zich wel goed voor lenen, is om op een regenachtige zondagmiddag door te bladeren, op het moment dat (langdurig) geconcentreerd lezen te vermoeiend is of je om andere redenen tegenstaat. Al lezende verbaas je je over de vaak toch wel eendimensionale kreterigheid van veel citaten. Sommige zijn scherp, andere zijn grappig, vele bij nader inzien triviaal. Misschien is een citaat van Pythagoras de beste afsluiter: “Zwijg, of zeg iets dat beter is dan zwijgen.”

 

Literatuur

Brouwers, L.; Claes, F. [bew.]; Het juiste woord: Standaard betekeniswoordenboek der Nederlandse taal. Antwerpen: Standaard, 1991, 10e druk. Gebonden. 1429p. ISBN 90-02-18157-4.

Halsberge, G.H.; Halsberge, G.H.; Woordenboek klassieke cultuur: Standaard geïllustreerde encyclopedie van de oudheid. Antwerpen: Standaard, 1989, 1e druk. Gebonden. 908p. ISBN 90-02-18159-0.

Ley, Gerd de; Klassiek Citatenboek: Meer dan 10.000 citaten van de oudheid tot 1900. Antwerpen: Standaard, 1992, 1e druk. Gebonden. 783p. ISBN 90-02-19271-1.

Ley, Gerd de; Modern Citatenboek: Meer dan 10.000 citaten en definities. Antwerpen: Standaard, 1990, 1e druk. Gebonden. 783p. ISBN 90-02-18141-8.

De verzuchting van Hadrianus

4463-aDe Herinneringen van Hadrianus, zoals verbeeld door Marguerite Yourcenar, en in de vertaling van Jenny Tuin, bevatten in het begin de wat melancholieke verzuchting van Hadrianus (hij is eerder die dag bij de dokter geweest en vertelt over zijn wederwaardigheden):

“Het is moeilijk in het bijzijn van een arts keizer te blijven, moeilijk ook je menselijke waardigheid te behouden. Het oog van de medicus zag in mij niets anders dan een hoop lichaamssappen, triest mengsel van lymfe en bloed. Vanmorgen is voor het eerst de gedachte in me opgekomen dat mijn lichaam, die trouwe metgezel, die vriend, zekerder en mij beter bekend dan mijn ziel, veeleer een geniepig monster is dat op een gegeven moment zijn meester zal verslinden.”

Je kunt je er alles bij voorstellen. Blijkbaar heeft Hadrianus niet te klagen, want dat hij op oudere leeftijd voor het eerst op die gedachte komt, zegt veel over de voorafgaande gezondheid. Niet zonder reden noemt hij het lichaam ook zijn vriend, zijn trouwe (!) metgezel. Nu lijdt hij, naar eigen zeggen en volgens de dokter aan “waterzucht door hartzwakte”. Maar het is vooral treffend verwoord en maakt nieuwsgieriger naar de rest van het boek.

Biblioteca nuova

2015-01-19 10.28.07

Zoals wellicht bekend ben ik afgelopen jaar verhuisd naar mijn geboortestad Maastricht, waar ik bijna 25 jaar niet meer gewoond had. Dat betekende ook een hele verhuizing voor de bibliotheek. Dat betekende zelfs twee keer verhuizen aangezien we ons oude huis twee maanden eerder moesten opleveren dan we in ons nieuwe huis konden intrekken. Het heeft even geduurd, maar afgelopen najaar is uiteindelijk alles op zijn pootjes terecht gekomen. Geleidelijk kwamen er ook meubeltjes in wat in het begin nog op een danszaal (zo’n 40m2) leek met aan twee zijden slechts een boekenwand.

Op verzoek van enkelen en hopelijk tot plezier van velen hieronder een fotoshoot van de nieuwe bibliotheca Habetsiana. Read more »

De postmoderne Lambik

SuskeWiskePostmodern1Als we “metafictie” (vorm van fictie waarin bewust verwijzingen naar het fictie-medium zijn opgenomen), het spel met en problematiseren van de relatie tussen fictie en werkelijkheid, het commentaar op het medium zelf (“niet datgene wat verteld wordt staat centraal, maar het vertellen zelf”) etc. als de belangrijkste kenmerken van postmoderne literatuur (http://nl.wikipedia.org/wiki/Postmoderne_literatuur…) zien, dan gaan er bij deze pagina uit Suske en Wiske “De tamtamkloppers” wel enkele bellen rinkelen: zo past Lambik al gummend en tekenend zijn eigen wapens aan om binnen de context van het verhaal weerstand aan de tegenstrevende personages te kunnen bieden.

SuskeWiskePostmodern2

Ook het afgeplakte plaatje verderop, dat geweld had moeten tonen, maar dat – o ironie – door de auteur zelf zogenaamd gecensureerd is (maar waardoor er wellicht des te meer focus wordt gelegd op het buitensporige geweld), en tot slot de laatste 2 plaatjes, waar Lambik de apenkoning letterlijk achter het plaatje heeft geslagen, waarbij hij binnen het verhaal er nadrukkelijk buiten treedt door te verwijzen naar het plaatje. Postmodernisme in een notendop dus. Zou Willy Vandersteen (anno 1969!) zich van deze theoretische implicaties bewust zijn geweest?

 

Ik die niets toevoegde

SpringvossenHans Faverey, Springvossen: Nagelaten gedichten [samenstelling Lela Zećković; met een nawoord door Gerrit Krol]. Amsterdam: De Bezige Bij, 2000, 1e druk. Gebonden. 62p. ISBN 90-234-4808-1. Gekocht in 2007 bij De Slegte voor € 5,00.

Deze ramsj-tip komt veel te laat, ruim 7 jaar geleden werd dit bescheiden, maar mooie bundeltje “nagelaten gedichten” al gekocht door mij. In de ramsj, dat wel. Het zal nu niet meer verkrijgbaar zijn. Het boekje is (nog eens) 7 jaar eerder verschenen. Op de een of andere manier was het rond de millenniumwisseling aan mijn aandacht ontsnapt. Ik had nog genoeg aan de Verzamelde gedichten, die ik bij verschijnen in 1993 meteen had gekocht. Hans Faverey behoort tot de bijzondere dichters van wiens werk je na jarenlange omgang niet genoeg krijgt, werk dat je niet moe wordt te lezen en zelfs intenser gaat lezen – zonder dat je per definitie de gedichten beter gaat begrijpen.

Zo helder, zo eenvoudig!
De poëzie van Faverey is veelal bekend (of berucht) om een aantal dingen: dat ze moeilijk is of zou zijn (vooral gebaseerd op de twee eerste bundels), dat er iets “procesmatigs” in veel gedichten gebeurt, dat het gaat om de dynamiek van verschijnen en verdwijnen, het (auto)reflexieve, het gebruik van “zich”, dat de dood bezworen wordt, etc. Allemaal waar, maar karakteriseringen als deze doen deze poëzie ook te kort. In essentie valt er namelijk weinig te zeggen, en rest ons maar één weg: terug naar het gedicht.

Zo eenvoudig als een waterdruppel,
zo helder als een splinter berkehout,

Omdat het veulen geduldig en voorzichtig
uit het paard valt en kan staan,

De vis als een metalen traan ontluikt
en kan vliegen, de mens after all

Moeizaam leert zwijgen en wegzijn
tussen zijn gewapend steenslag,

Zo eenvoudig, zo helder is het niet
wat ik overhoud wanneer ik
mijn pen heb neergelegd.

Read more »