Dat het geluk (welbevinden) van een bibliofiel soms ook echt een kwestie van geluk (toeval) is, heb ik onlangs weer eens mogen ervaren. Een plek waar ik zelden kom, niet eens ver van huis. Men verkoopt er allerhande tweedehands goed. Het is er een grote rommel. Daarbij hanteert men gemiddeld vrij hoge prijzen, behalve voor de boeken. Nu was er bovendien 30% korting, wat bij de boeken praktisch gezien neerkwam op een ruime afronding van de prijs naar beneden. Dat laatste besefte ik pas toen ik met een nog bijna hagelnieuwe gebonden Siebelink aan de kassa kwam. Ik rekende af, maar ik ging ook weer terug naar binnen, want ik had een “wel aardig” kunstboekje gezien, dat dan ook nog mee kon. Omdat ook de boeken vrij onoverzichtelijk bij elkaar staan en ook op stapels in dozen en kratten liggen, speurde ik nog een beetje door de kasten en bakken, totdat mijn hart een klein sprongetje maakte (typerende bibliofielen- / verzamelaarsafwijking, doorgaans onschuldig).

 

Tot mijn grote verbazing stuitte ik op een Franstalig werkje, met gedichten en prentjes uit het jaar MDCCCLXIV (1864), getiteld Les Contes Remois. Oftwel: verhalen van Reims, de Noord-Franse plaats waar de auteur leefde en overleed. Deze “Comte de Chevigné”, blijkt Louis de Chevigné (1793-1876) te zijn. De uitgevers van dit boekje waren de gebroeders Michel Levy te Parijs.

Een eerste zoektocht m.b.v. Google leidt o.a. tot een Frans en een Spaans Wikipedia lemma, het laatste nog beknopter en magerder dan het eerste. Het Franse artikel bevat enkele links naar andere bronnen die inmiddels dood zijn (HTTP 404 melding of iets van dien aard).

Daarnaast leidt de zoekmachine naar enkele sites waarop dit boekje als koopwaar wordt aangeboden. Ook Boekwinkeltjes en Antiqbook geven wat exemplaren te zien, zeer variërend in prijs. De duurdere exemplaren komen rond de 700 euro, maar dan heb je ook een exemplaar in marokijnleer. Mijn gevonden exemplaar is maar een bescheiden “paperback” (wel op fraai papier), waarvan de buitenkant als “sleets” is te karakteriseren, maar dat kostte dan ook maar € 0,50. Volgens een prijsopgave in potlood voorin is er eerder € 45 voor gevraagd.

Inmiddels, geboeid geraakt, heb ik daarnaast een gebonden exemplaar van de 3e editie uit 1858 online gekocht voor ongeveer die potloodprijs (verzending vanuit Frankrijk meegerekend).

Klik op onderstaande afbeeldingen om ze gedetailleerder te bekijken.

Het boekje moet behoorlijk populair zijn geweest, want in ca. 40 jaar tijd verschijnen er 12 (feitelijk 13) uitgaven. De gegevens hieronder over deze uitgaven zijn grotendeels ontleend aan de blog site van Histoire Bibliophilie, waar de achtereenvolgende edities uitgebreid worden beschreven:

Jaar Editie
1832 0 (enkele contes als onderdeel van een andere titel, zie genoemd blog), genoemd als “eigenlijke” eerste uitgave, voor een beperkte groep vrienden.
1836 1e echte editie onder de titel Contes Remois, zonder naamsvermelding van de auteur.
1839 1e editie, 2e oplage, met kleine wijzigingen.
1843 2e editie, nog steeds anoniem, wel op titelpagina een vignet met de auteur zittend afgebeeld.
1858 3e editie, nu half-anoniem: “M. le Cte. de C…” [Monsieur Le Comte de Chevigné]. Vignet op titelpagina toont nu twee proostende/drinkende mannen, een geestelijke en een bourgeois. Daarnaast een duidelijke afbeelding van auteur met sigaar en een van zijn vriend S. Lavalette, aan wie het voorwoord is gericht. Deze editie bevat ook voor het eerst het voorwoord waarin hij zich feitelijk richt tot de censuur. Hierover zometeen meer.
1861 4e en 5e editie, voor het eerst onder volledige naamsvermelding: M. Le Comte Louis de Chevigné, “avec le nom de l’auteur qui ne craignait plus la censure impériale” (aldus Histoire Bibliophilie).
1864 6e editie, het exemplaar dat ik dus per toeval en voor een prik tegenkwam. Opvallend zijn de tweekleurendruk van de titelpagina (rood en zwart) en de inkadering van de tekst. Net als in de 3e editie ook hier weer achteraan “Opinion des journaux sur les Contes rémois” (zeg maar “stemmen uit de pers”) opgenomen. Vignet en overige lay-out lijken veel op de 3e editie. Wel is er nu een medaillon met daarop de (oudere) auteur afgebeeld. Mijn exemplaar is een “paperback” (een beetje anachronistische term, maar het gaat om een niet-ingebonden exemplaar ingenaaid met een zachte, papieren kaft). Behalve Meissonier, die eerdere edities van illustraties voorzag, zijn er nu ook prenten van Foulquier.
1868 7e en 8e editie
1871 9e editie, klaarblijkelijk zonder illustraties.
1873 10e editie, met nieuw auteursportret.
1875 11e editie, “la dernière édition réalisée du vivant de l’auteur”.
1877 12e editie, met weer andere illustraties, nu gravures naar ontwerp van Jules Worms.

Kortom, dit boekje is een echte Fundgrube voor bibliofielen: verschillende soorten uitgaven met verschillende samenstelling (contes die toegevoegd, omgewisseld dan wel weggelaten worden), diverse soorten binding, soms fraaie banden, verschillende uitgevers en illustratoren, gebruikte papiersoorten, typografische eigenaardigheden. De  meeste edities werden met zorg vormgegeven. Voor details zij nogmaals verwezen naar de onovertroffen beschrijving op Histoire Bibliophilie.

Ook moderne uitgaven van de Contes Remois zijn volop te vinden, zowel in het Frans als in Engelse vertaling. Daarnaast zijn er verschillende delen correspondentie met Chevigné verschenen. Wie zelf een inkijkje wil in Les Contes Remois kan o.a. de gescande versie van de 3e editie raadplegen via Google Books. Ook bestaat er een gedrukte biografie over Chevigné, en wel van de hand van Hervé Paul: Le comte Louis de Chevigne (1793-1876): auteur des Contes remois, voor zover bekend alleen in het Frans uitgegeven (o.a. hier te vinden). Ik heb deze boeken nog niet kunnen raadplegen. Online is over de inhoud van de contes of over de man achter de verhalen opvallend weinig te vinden.

De inhoud van de vertellingen ligt in de “ondeugende”, erotische sfeer.  Het voorwoord, gericht tot zijn vriend Lavalette, zit al vol ironie richting de censuur en de geestelijkheid:

Jij wilt, vriend, dat ik in een nederig voorwoord
aan mijn censors zal vragen om vergeving
voor enkele streken uitgehaald met oude echtgenoten,
of omdat ik mijn vertellingen zou hebben opgevrolijkt
met zoete zonden, begaan door papen;
maar die zwartrokken, dat zijn die van Boccaccio,
natuurlijk heel anders dan die uit mijn land,
die heiligen zijn. Ik zeg dit tot hun eer:
Voor één geestelijke die in het vagevuur terechtkomt,
zijn er honderd die naar het paradijs gaan.

Dit soort geestigheid sluit aan bij een oude traditie vanaf de middeleeuwen waarin met name de wellust van geestelijken op de hak wordt genomen, en de rol die zij vaak zouden spelen bij buitenechtelijke capriolen. Echtgenoten worden veelvuldig de hoorntjes opgezet. Die ironie rondom relaties en huwelijk komt in de meeste vertellingen, die allemaal in dichtvorm zijn geschreven, op speelse wijze terug. Ook wordt er advies gegeven:

Weduwnaren of knapen, als het huwelijk** u roept,
dan is het de bruidsschat waarop u uw ogen richt,
nauwelijks een blik werpend op de vrouw
die u gelukkig of ongelukkig moet maken.
O, wat een blunder om in het huwelijk te geloven
waarin het geld alles uitmaakt! […]

Niet alleen de moraal rondom het verstandshuwelijk en de teleurstellingen die dat kan opleveren is hier grappig, maar ook zo’n tussenwerpsel als “Qui doit vous rendre heureux ou malheureux” weerspiegelt de lichte maar duivelse ironie van deze vertellingen.

Het is zo te zien wel een goedmoedige ironie:

 

Gelukkig het land zoals de Champagne-streek!
Uitgelezen wijnen doordrenken het berggebied,
het volk is goedmoedig, de echtelieden in het geheel niet jaloers,
en het schone geslacht heeft een hart zo zoet
als de schapen die het platteland bevolken.

Met andere woorden: een paradijs voor overspeligen, of juist niet? De schaapachtige vrouwen trappen er wellicht makkelijk in.

Een aantal vragen heb ik nog niet kunnen beantwoorden. Wie is precies die vriend, Charles Sourdille de Lavalette (in de 3e editie kortweg als S. Lavalette aangeduid), tot wie het voorwoord is gericht en van wie ook een portret is opgenomen in verschillende edities, waaronder beide exemplaren in ons bezit? Waarom is hij zo belangrijk voor de auteur of dit boek? Onder diens portret wordt vermeld dat hij auteur van “Fables illustrées par Granville” is – daar zou ik meer over willen weten, evenals over die Granville. Verder ben ik nieuwsgierig naar E. Meissonier, die in beide (en tussenliggende) edities een groot deel van de illustraties heeft verzorgd.

Welk van de twee edities vind ik nou zelf het mooist? Dat is niet eenvoudig te beantwoorden. De 3e editie, duidelijk gebruikt maar nauwelijks geleden in 160 jaar tijd, zit nog mooi gebonden in een band met leren rug en kartonnen gemarmerde voor- en achterplat. Het papier is stevig, in goede staat en ondanks enkele rousseurs (met name eerste en laatste katern), en een vlekje hier of daar, nog fris. Het boekje biedt een heldere, overzichtelijke weergave van de tekst, scherpe gravures. Ook het auteursportret voorin vind ik erg mooi. Als klap op de vuurpijl is er de opdracht voorin het boek:

L’auteur à son ancien
camarade Qte. [=Cte?] Henry.
Cte. de Chevigné”.

Bewijzen kan ik het niet, maar het is erg aannemelijk dat dit inderdaad de auteur zelf is. Nader handschrift- en inktonderzoek zou wellicht meer informatie opleveren. De 3e editie omvat 40 vertellingen, een voorwoord en een epiloog.

De 6e editie, niet ingebonden, heeft echter – naast de zeer kleine aankoopprijs en het spontane vindersgeluk – ook haar eigen charmes: de titelpagina’s in rode en zwarte inkt, de sierlijke inkadering van de teksten, het onafgesneden handgeschepte papier met watermerk (dat zelfs op enkele van de foto’s is te zien), de structuur van het papier. De gravures boven de teksten zijn identiek aan de 3e editie, maar kleiner en meer zwart ingevuld, waardoor ze soms geprononceerder maar vaak ook minder scherp zijn. Er zijn meer grafische versieringen te vinden. De 6e editie is ook aanzienlijk uitgebreid: in totaal 53 (34+19) vertellingen (verdeeld over 2 “parties” en soms iets afwijkend gesorteerd), en het al genoemde voorwoord en de epiloog. Ik koester dus beide exemplaren.

De epiloog, om in stijl af te sluiten, is weer vol goedmoedige ironie, met een steek onder water naar de landgenoten uit Bretagne:

Is er een vrolijker wijn dan de champagne?
Het goede humeur begeleidt hem overal;
hij lacht om alles, zelfs zijn vrienden,
en ik dank aan hem mijn aangenaamste vertellingen.
Ik weet niet of de cider uit Bretagne
zich, zonder gevaar, alles veroorloofd kan indenken;
maar onze pastoors uit Champagne zijn voor hun wijn
vergevensgezind, en, verre van boos te zijn,
zij lachen allemaal terwijl zij over hun zonden lezen.

Misschien is dat wel de beste raad die iedereen zichzelf en anderen kan geven: lachen om je eigen zonden en imperfecties. Kortom: levenskunst.

 

* De vertalingen uit het Frans hierboven zijn van mijn eigen hand en verre van volmaakt. Doel was slechts om geest en inhoud in het Nederlands weer te geven. Voor verbeteringen hou ik me aanbevolen.

** Aanvankelijk op het verkeerde been gezet met hymen = maagdenvlies, maar dit woord kan ook het huwelijk aanduiden, hetgeen beter past binnen de context hier.