Dichten, dat levert geen reet op. Pardon, ik bedoel: ‘Van dichten comt mi cleine bate. / Die liede raden mi dat ict late / Ende minen sin niet en vertare.’ Ook in de middeleeuwen hadden mensen al door dat je aan het schrijven van gedichten niet zoveel hebt. Een beetje normaal mens raadt het je af je tijd eraan te verdoen en je geest ermee te pijnigen.

Het grappige is hier, dat met deze regels een lang gedicht begint, en wel een van de bekendste oude gedichten uit de Nederlandse literatuur, de Beatrijs. Zolang we niet struikelen over wonderen en happy ending, kunnen we nog steeds genieten van dit verhalend gedicht. Het gaat immers om een Marialegende  uit de 14e eeuw, en die lopen, meestal dankzij bemiddeling van hogerhand, goed af.

Samengevat gaat het gedicht over een non die uit “minne” (liefde) een misstap begaat en als gevolg daarvan verschillende wereldse avonturen beleeft. Ze ontvlucht met haar minnaar het klooster en leeft met hem in zonde. Samen krijgen ze twee kinderen. Als haar geliefde haar na zeven jaren achterlaat, leeft ze noodgedwongen (weer zeven jaren) in nog groter zonde, namelijk als prostituee. Ze bidt wel elke dag vroom tot Maria. Als ze na die zeven jaar weer in de buurt van haar klooster komt, blijkt haar reputatie ongeschonden omdat door een wonder haar plaats door een soort virtuele stand-in is ingenomen. Dankzij de genade van Maria kan ze uiteindelijk ongemerkt zelf weer haar plaats in het klooster als non innemen en een verder vroom leven leiden. Eind goed, al goed.

Als je een verhaal zo samenvat, dan komt het op ons wat goedkoop over en doe je zwaar onrecht aan de schoonheid van de Middelnederlandse taal waarin het is opgeschreven:

Hier omme en darfmen niet veronnen
Der nonnen, dat si niet en conste ontgaen
Der minnen diese hilt ghevaen,
Want die duvel altoes begheert
Den mensche te becorne, ende niet en cesseert
Dach ende nacht, spade ende vroe,
Hi doeter sine macht toe
Met quaden listen; als hi wel conde,
Becordise met vleescheliker sonde,
Die nonne, dat si sterven waende.

De minne is zo’n sterke kracht, oefent zo’n sterke invloed uit op het leven van mensen, dat wie erdoor bevangen is geen weerstand kan bieden. Feitelijk is het een instrument van de duivel, die de mens bekoort met vleselijke lusten. Dat kun je zo’n jong meisje al zeker niet kwalijk nemen.

Ik heb dit gedicht altijd zo prachtig gevonden dat ik jarenlang een foto-afdruk van de eerste bladzijde uit het handschrift aan de muur had hangen. Nu had ik al enkele studie- en schooluitgaven van deze middeleeuwse klassieker in de kast, maar in 2012 stuitte ik op een fraaie uitgave van uitgeverij Stols. Het omslag is weliswaar enigszins verkleurd, maar het boekje is nog steeds een lust voor het oog.

Ik bezit helaas niet een der 25 exemplaren op Hollandsch papier, maar dat drukt de pret nauwelijks en daar was de prijs ook naar. Typografisch is dit boekje, zoals vaak bij uitgaven van A.A.M. Stols, weer zeer fraai vormgegeven: gezet in de mooie letter Lutetia. Daarnaast is het boek “verlucht” met houtsneden van Victor Stuyvaert (1897-1974), een Belgische grafisch ontwerper die zeer bekend was om zijn houtsnijwerk.

De houtsnedes in dit boek opgenomen zijn inderdaad heel bijzonder, zoals onderstaande afbeelding van Beatrijs met haar twee kinderen, achtergelaten door haar geliefde.

Alle in het boek opgenomen houtsnedes weerspiegelen een grote vroomheid, die wellicht gezien moet worden in het kader van de katholieke “herleving” en emancipatie van eind 19e en begin 20e eeuw. Met name op cultureel gebied probeerden de katholieken in Nederland weer mee te tellen op nationaal niveau. Dat kwam o.a. tot uiting in tijdschriften als Roeping en de Gemeenschap, met voormannen als Anton van Duinkerken en Jan Engelman. De namen Gemeenschap (behalve een tijdschrift ook een uitgeverij) en Engelman zijn eveneens verbonden met de combinatie literatuur en typografie/vormgeving – hierover binnenkort een keer meer.

Deze uitgave van de Beatrijs lijkt een persoonlijk project van uitgever Stols te zijn geweest. In een toelichting achter in het boek verantwoordt hij de gemaakte keuzes. De tekst is gebaseerd op het (enige) handschrift, berustend bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, maar het is geen tekstkritische editie:

‘Zij is bestemd voor liefhebbers onzer Letteren, die deze legende willen lezen in een verzorgde typographische uitvoering, en dus niet voor philologen.’

Om die reden heeft hij de vrijheid genomen om leestekens en woordscheidingen aan te brengen, zodat de tekst voor een “gewone” lezer leesbaarder is. Ook heeft hij de spelling op enkele punten genormaliseerd (de u en de v uit handschriften).

Stols heeft zich met andere woorden dus actief bemoeid, niet alleen met organisatie en vormgeving, maar ook met de inhoud van de tekst. Hij heeft er dan ook een specifieke bedoeling mee:

‘Indien door deze uitgave bereikt wordt, dat de oorspronkelijke tekst méér dan voorheen gelezen wordt dan zal ik mijne moeite ruimschoots beloond achten.’

Ondertekend te Maastricht, 1937. Leesbevordering, daar is het (ook) om te doen. Geef lezers op een aantrekkelijke manier toegang tot onze oudere literatuur, maak het ze op enkele punten iets makkelijker, zonder essentieel in te grijpen in de Middelnederlandse tekst. Volgens mij bestaan er nog steeds zulke “liefhebbers onzer Letteren” die zo’n fraai boekje willen aanschaffen en lezen.

Besproken boeken

[anonymus], Beatrijs. Een Middeleeuwsche Legende. A.A.M. Stols, Maastricht / Brussel, 1937. 1e druk – gebonden, 59p.