De eeuwige jachtvelden

Naar de eeuwige jachtvelden betekent doorgaans dat men verdwijnt uit dit leven, en in zekere zin is dat ook zo als je je verliest in een boek. Of liever: in een hele stapel boeken. Ik associeer jachtvelden ook met de plaatsen die ik afstruin op zoek naar nieuw te ontdekken boeken: boekhandels, markten, kringloopwinkels. En vandaag was het weer raak, onverwacht raak.

Ik was dus weer op een van mijn vertrouwde adresjes en ik had al weken bot gevangen aldaar, althans niets van blijvende waarde gevonden, niets dat riep: “Neem mij mee!” Zo begon ook deze jacht. Eigenlijk kwam ik na een half uur pas goed los, na een wat slappe warming up. Wat ik daar vond?

Zo begint het slechte, om maar in huis te vallen met een van de “duurdere” vondsten, wel € 3,50! Javier Marías is geen onbekende schrijversnaam, zijn boeken liggen nog volop in de winkel voor de volle prijs, en dit exemplaar is nog gloednieuw: geen vlekje, geen vouw of ezelsoor, fris in de band en de hand.

Dat was wel anders met de gedichtenverzameling van de onvolprezen H.H. ter Balkt, getiteld In de waterwingebieden. Het stofomslag was ronduit smoezelig en vlekkerig, maar het binnenwerk oogde nog fris. Wat te doen? Bij niet-antiquarische boeken (zeg maar alles na 1940) heb ik ze toch liefst in smetteloze staat. Aan de andere kant: dit soort boeken kom ik op mijn tweedehands jachtvelden niet vaak tegen en zeker niet voor die kleine prijs. Ik waag het  erop, want de poëzie van Ter Balkt is me dierbaar. Thuis blijkt dat het oppervlakkig vuil is, dat er met een vochtig doekje en een druppel zeepsop goed vanaf gaat. Onbekommerd lezen nu.

Nog een beetje in Spaanse en Catalaanse sferen stuitte ik ook op een boekje van de schrijver Pere Gimferrer, die zowel in het Spaans of Catalaans schrijft. Gimferrer publiceerde zowel romans als gedichten en is ook actief als vertaler. Fortuny is een dunne roman uit 1983.

Ik kende de schrijver nog helemaal niet, maar ergens zei mijn intuïtie: die moet mee. Volgens Publishers Weekly is het minder een roman “than a series of interwoven prose poems packed with lush imagery evoking the aesthetics of the Belle Epoque and successive decades.” Ik laat me graag verrassen.

Natuurlijk kon ik ook De dood van een regisseur van J. Bernlef, “Een roman over de intrigerende verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding in de wereld van de film”, niet laten liggen. Deze maand is de schrijver al weer 6 jaar niet meer onder ons. Begonnen als dichter, beroemd geworden met Hersenschimmen, heeft Bernlef tal van romans en verhalenbundels op zijn naam staan. Dit boek is een relatief vroeg prozawerk, uit de tijd dat film voor velen nog iets magisch had.

Een heel aardige reeks, in de jaren tachtig en negentig uitgegeven door uitgeverij Veen, is Amstel Klassiek: beetje onopvallende paperbacks, waarvan je pas de bijzonderheid ziet als je er meerdere naast elkaar hebt liggen. Ik kan me herinneren dat ik in de loop der jaren ook wel eens titels uit de reeks heb weggedaan (vaak omdat ik dan een luxer editie had aangeschaft), maar ik begin er inmiddels weer de charme van in te zien.

Zo staan vier deeltjes van Marcellus Emants (Waan, Monaco en Een nagelaten bekentenis) al jaren in de kast, evenals de Duizend en enige hoofdstukken over specialiteiten van Multatuli, en onlangs kwam daar Een held van onze tijd van Lermontow en Op zee van wederom Emants bij.

Nu stuite ik op Een ruiterverhaal en andere vertellingen van de Oostenrijkse dichter en schrijver Hugo von Hofmannsthal (1874-1929).

Als ik het goed heb gezien, bevat de Amstel Klassiek reeks vooral titels uit de 2e helft van de 19e eeuw. Er is trouwens ook de gebonden versie in lichtbruin nepleder, maar die heb ik structureel uit mijn kasten verbannen, zo lelijk vind ik hem – bij elke kringloopwinkel kom je wel delen tegen.

Bijzonder aan de paperbacks is dat sommige delen een afneembaar omslagje hebben en andere niet én dat sommige deeltjes ónder het omslag stiekem een Amstel Paperback zijn, een verwante uitgave van dezelfde (soorten) titels. Bovenstaande overzichtsfoto hieronder nogmaals, maar nu met die omslagjes eraf:

Nu kende ik ook al die Amstel Paperbacks, zo heb ik er nog minimaal eentje staan, De badplaats Mont-Oriol van Guy de Maupassant, maar de hierboven getoonde titels lijken door de uitgever bij nader inzien te zijn omgesmurfd naar Amstel Klassiek: het losse omslag meldt Klassiek, het binnenwerk  en de vaste kaft Paperback. Er is meer. Bij de “echte” Amstel Klassiek deeltjes (met of zonder afneembaar omslag) tekent Karel van Laar voor het omslagontwerp, bij de Amstel Paperbacks (ook de vermomde delen) Stephan Saaltink, ook als er een afneembaar omslagje in de stijl van Van Laar omheen zit. Het ziet er naar uit dat de uitgever aan creatief hergebruik heeft gedaan, en daar is vanuit het perspectief van financiën en duurzaamheid wel iets voor te zeggen.

(Naschrift 19-10-2018: vanmiddag kwam ik ook De schimmelruiter van Theodor Storm tegen, voor wederom een euro, maar deze was toch zodanig verkleurd op rug en voorzijde, dat ik de verleiding kon weerstaan – zij het met moeite.)

Tot slot een heel interessant en leuk boekje met beschouwingen over poëzie van Hugo Brems, getiteld naar een bekende dichtregel van Achterberg: De dichter is een koe. Een blik op de inhoudsopgave roept associaties op met Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers: hoofdstukken met een inhoudelijke titel worden afgewisseld met hoofdstukken getiteld “De dichter is een koe” (met een volgnummer).

De andere hoofdstukken hebben overigens veel met water. Het aardig aan dit boek is dat Brems op essayistische manier aan de hand van meer of minder bekende gedichten steeds laat zien hoe poëzie werkt, hoe betekenissen tot stand komen. Vanzelfsprekend nemen gedichten met koeien een speelse maar dominante plek in binnen het geheel.

Tevreden ben ik teruggekeerd van de eeuwige jachtvelden. Of de waterwingebieden.

Of ik nou nooit genoeg heb? Een collega, toch ook een boekenminnaar, die ik trots over mijn nieuwste aanwinsten inlichtte, suggereerde bibliofagie (“Volgens mij verslind je ze!”). Op Twitter suggereerde ook al iemand “vraatzucht”. Of bij mij niet ook het zweet uitbreekt bij de aanblik van weer zo’n stapeltje, want dat krijg je toch nooit gelezen?

Nou, ik doe gewoon mijn stinkende best om zoveel mogelijk te lezen. En te verwerken. Ik accepteer dat een deel ongelezen (of “half gelezen”) zal blijven in dit te korte leven. Het is niet anders. Maar ik wil niet het risico lopen dat ik ooit zonder kom te zitten, of zelfs maar beperkt word. Een belangrijke drijfveer om boeken zo massaal om je heen te verzamelen: er altijd over kunnen beschikken, ervoor zorgen dat er altijd volop keuze voorhanden is, zodat het toeval en je luimen hun gang kunnen gaan. En natuurlijk een zeker fetisjisme met betrekking tot mooie voorwerpen (de artefacten).

Als je al je boeken al gelezen hebt, dan koop je gewoon niet snel genoeg. Wie heeft dat ook al weer gezegd?

 

Aantekeningen uit het ondergrondse

Waar je het het minste verwacht, het spel van het licht: in een donkere kelder, met 4 muren, een dichte deur en maar één, indirect raam dat uitkijkt op een put. Maar op sommige dagen, zonnige dagen, valt er onverwacht veel licht, indirect maar effectief weerkaatsend licht via de put in mijn kelderbieb. Dat ziet er zo uit:

Als geboren mei-kind ben ik er dol op, heldere zonnige dagen. Het liefst ga ik er dan op uit, de stad of de natuur in. Maar als dit licht je zo overvalt, dan blijft men nog even.

Natuurlijk willen boeken niet te veel zonlicht, want dan verkleuren hun rugjes snel. Met name bij bepaalde reeksen in een uniforme uitgave, die men zorgvuldig verzamelt, willen we dat liever voorkomen.

Toch is het een zegen, dit licht. Even is er geen kunstverlichting nodig om de ruimte van toch bijna 10 meter lengte voldoende in het licht te zetten. Lezen lukt nog niet in elk hoekje (wel vlakbij het bovenlicht), maar men kan wel alles ontwaren, vrij scherp deze keer zelfs. Waarschijnlijk doordat de zon al wat lager staat in dit seizoen.

Zonlicht blijft feitelijk toch het meest natuurlijke, aangename licht waarin een schepsel zich kan baden. Ik zet bij droog weer het bovenlicht in deze ruimte ook altijd even open, evenals in de aangrenzende kelderruimte. Niet alleen licht, maar ook frisse lucht trekt er dan doorheen. Het is bijna een lentebriesje dat binnenkomt.

Niet alleen boeken lezen is een genot (een genot dat bovendien desnoods vanaf een schermpje kan – een eReader, tablet of smart phone), maar ook het kijken naar boeken, zelfs naar boekenruggen is een esthetisch genot: het licht dat erop valt, hun plek in het geheel, geordend naar de grillige gewoonten van de zelfingenomen bibliothecaris, en soms gewoon door de willekeur van het alfabet. Het is ook zen. Het is eigen universum, waarin eenheid in de verscheidenheid van al die stille stemmen is aangebracht.

En het ijsvogeltje zag dat het goed was.

Wat ik daar zoal schrijf, aan dat bureau in de kelder, zo vroeg mij iemand op Twitter. En hij gaf zelf meteen een mooi antwoord op die vraag: “Aantekeningen uit het ondergrondse”, met de vanzelfsprekende knipoog naar Dostojevski.

De laatste dagen van de zomer

Donderdag eind van de middag. Het zonnetje schijnt. Schijnt nu. Tussen de middag heb ik enkele mooie boeken op de kop getikt. Hoe mooi de nederzetting Coriovallum ook is, de doorwaadbare plaats aan de Maas, Trajectum ad Mosam werkt op mij als een magneet. Trein en fiets brengen mij waar ik zijn wil.

Men parkeert de fiets op de zonovergoten Markt en vindt alras een passend terras, waar men zich nederzet met een der verworven aanwinsten. La dolce vita.

 

Ik zie scherper door de taal

Rusteloos tot rust komen. Weer verleid zijn, maar het mag. Twee keer poëzie, één keer dramatiek en twee keer historiek. Ik ben eigenlijk over alle vijf de aanwinsten verguld.

Als ik mijn stapeltje aan een collega laat zien, bladert hij verbaasd in het boek van mevrouw Roland Holst. Ik realiseer me dat “dramatische kunst” tegenwoordig wat “dramatisch” klinkt voor wie niet specifiek is ingevoerd in (oudere) literaire terminologie, waarin de drie literaire hoofdgenres bestonden uit lyriek, epiek en dramatiek. Dramatische kunst is dus gewoon toneel, dat wat op een bühne aan de kijker wordt voorgeschoteld, dan wel daartoe geschreven is. Het boek van mevrouw Roland Holst graaft diep in de geschiedenis van het toneel, en eindigt onvermijdelijk in typisch begin 20e-eeuwse socialistische heilsvoorspellingen dan wel aanwijzingen voor de toekomst. Juist daarom is het een aardig boek, bovendien is de boekband fraai vormgegeven.

De biografie over keizer Franz Joseph is een boeiend stuk geschiedenis. Een bijzonder grappig fragment vind ik dat waar gesproken wordt over zijn verloving:

Der junge Kaiser ist in die Jahre gekommen, da der Jüngling zum Manne reift und sich nach Liebe zu sehnen beginnt. Begeistert hat ihm sein Freund Albert von Sachsen auf der letzten gemeinsamen Auerhahnjagd von seiner entzückenden Braut Carola von Wasa […] erzählt.

De jongen begint dus een beetje tot man te rijpen en enigszins naar liefde te hunkeren. Prachtig is het woord Auerhahnjagd – de jacht op Auerhoenderen. De redenatie lijkt te zijn: zijn vriend vertelt hem over het lekker ding, nota bene een jeugdvriendinnetje van de keizer, waarmee die vriend trouwt, en dus wordt het ook eens tijd voor de jonge keizer.

Het gaat verder, want er moeten ook politieke behoeften bevredigd worden:

Erzherzogin Sophie möchte zugleich mit dem Herzenswunsche ihres Sohnes auch politische Interessen befriedigen. Wenn es mit Preussen nicht geht, soll es wenigstens eine Prinzessin aus dem zweitgrössten deutschen Staate, aus Bayern, also aus ihrem eigenen Hause, sein.

De zoon moet dus feitelijk binnen de familie trouwen. Het allergrappigste, maar dat kan aan mij liggen, vond ik de zinsnede: als het met Pruisen niet gaat… De berekening en de seksualiteit in één zin.

Ook heel blij was ik met de twee dichtbundels, een verzameld werk uitgave van Cees Nooteboom en een bloemlezing uit het werk van Jan G. Elburg. Nu was Elburg een paar maatjes kleiner dan Lucebert en Gerrit Kouwenaar, maar toch heeft hij enkele fascinerende gedichten gepubliceerd. Ik laat er eentje zien hieronder.

Ik zal het kiemen zien. En ik zie scherper door de taal…

Ik ben een bloem

Lezend in Gezelle keer ik terug naar de jaren 1989-1990, toen een intelligente en bevlogen leraar Nederlands een vwo-klas in het eindexamenjaar uitgebreid kennis liet maken met onder andere het werk van Guido Gezelle, de Vlaamse priesterdichter uit de 19e eeuw.

Zoals dat hoort voor een nog onwetend maar ontvankelijk publiek op die leeftijd, werden we door een aantal van diens bekendste gedichten geleid: “Ego flos” (Ik ben een blomme), “’t Er viel ‘ne keer”, “Het Schrijverke” (dat zo mooi poëticale en natuurlijke motieven vervlecht), et cetera.

Ik ben die docent nog steeds heel dankbaar voor deze kennismaking. Ik kan niet vaak genoeg benadrukken hoe belangrijk onderwijs voor mij geweest is en hoe het mij gevormd heeft, mijn horizon, nee niet verbreedde maar überhaupt opende.

Sindsdien ben ik ook verkocht voor de poëzie van Gezelle, ondanks het vaak expliciet religieuze karakter ervan – daar was ik rond mijn 18e-21e tijdelijk even klaar mee, maar niet met die mooie poëzie. De perfecte bouw van Gezelles gedichten, het vrolijk dansende van de taal, het romantisch-visionaire, het pure taalplezier – men kan er niet vaak genoeg naar terugkeren.

Om die reden kon ik de 18 delen in 6 dikke banden met de “jubileum-uitgave” uit begin jaren dertig, een tekstkritische editie met veel aantekeningen en een variantenapparaat, niet laten liggen toen ik het voor een luttel bedrag mocht meenemen.


Aardige bijkomstigheid is nog dat deze set ooit eigendom was van een Nijmeegs geleerde, de classicus F.J.C.J. Nuyens, onder andere archivaris en bibliothecaris van het rijksarchief te Maastricht geweest. Dat brengt me in herinnering dat de “kleine” set met de verzamelde gedichten van Gezelle, die ik begin jaren ’90 in Nijmegen kocht (bij Antiquariaat Verzameld Werk), daarvoor bezit waren geweest van de Nijmeegse hoogleraar Nederlandse letterkunde Karel Meeuwesse. Allemaal bijzaken natuurlijk, maar wel aardige bijzaken.

Ruim twee meter onder de grond
kijkt men rond.
Kiest positie, leest een boek.
Men is een bloem, en uren zoek.

 

Uitgaven van Arthur van Schendel uit de jaren 1920-1939

Een aantal van de boeken en drukken die in de jaren twintig en dertig verschenen van Arthur van Schendel zitten enkele exemplaren die fraai zijn uitgegeven, niet in de laatste plaats vanwege de bijzondere boekbanden, soms ook de frontispice of andere prenten en een enkele keer ook de typografie zelf. Hieronder enkele voorbeelden uit mijn eigen bibliotheek, veelal bij toeval tegengekomen en voor een klein bedrag verworven.

Arthur van Schendel, Blanke gestalten. – Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1923, 1e druk, 210p.

De rode linnen band is voorzien van opdruk in goud en zwart. Op het voorplat een afbeelding van een vrouwenfiguur (non) tegen de achtergrond van een kasteel- of burchtachtig gebouw.

Op de rug is een bloemmotief te zien, dat waarschijnlijk een iris is, gezien ook het versierde schutblad, dat “Iris boeken” vermeldt.

Arthur van Schendel, Verlaine: het leven van een dichter. – Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1927, 1e druk, 184p.

Het bandontwerp doet erg aan Jugendstil denken, met een beetje een element van de zogenoemde “slaolie stijl”. Dit boek is een impressionistische beschouwing over persoon en werk van Verlaine, geen wetenschappelijke studie. Daarmee geeft het meer informatie over de auteur dan de beschrevene.

Arthur van Schendel, De waterman. – Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1933, 1e druk, 239p.

Fraaie roodlinnen band met zilveren opdruk, zilveren schutbladen. In eerste instantie dacht ik genept te zijn, omdat die zilveren schutbladen er later op geplakt leken, bij wijze van boekherstel, zo nieuw en modern leek dit materiaal, maar nader onderzoek leert dat dit oorspronkelijk zo bij het boek hoort.

Ook mooi is de typografie in dit boek. Zie bijvoorbeeld hierboven de titelpagina, die ondanks alle roestvlekjes nog fraai oogt, met name door de kunstige verwerking van de uitgeversinitialen.

 

Boom Grote Klassieken – een bibliografie

Regelmatige bezoekers van deze site en volgers op mijn Twitter-kanaal (@dannyhabets) weten dat ik nogal een liefhebber ben van (liefst luxe uitgegeven) reeksen van literaire en/of filosofische klassiekers. Eerder stelde ik bibliografieën samen van o.a. de Baskerville Serie en Ambo-Klassiek.

Onderstaande bijdrage bevat een zo volledig mogelijke beschrijving van een van mijn andere favoriete reeksen, namelijk de Grote Klassieken van uitgeverij Boom, waarop de uitgeverij terecht trots is: “In de reeks Grote Klassieken zijn de sleutelwerken bijeengebracht van toonaangevende denkers die de filosofie en geesteswetenschappen blijvend hebben gevormd. Deze onmisbare boeken maken van uw boekenkast een bibliotheek.” Lees verder

De valkuilen van de dichter

In 1934 publiceert Menno ter Braak een van zijn bekendste kritieken, onder de titel “Poezie als roes“, waarin hij niet alleen de nieuwe bundels van M. Nijhoff en Jan Engelman bespreekt, maar ook uitvoerig de achterliggende principes van poëzie onderzoekt. Hij schrijft dan onder meer: 

“Waarom zou iemand zijn toevlucht nemen tot de poëzie als het niet was, dat hij er zijn goede redenen voor had zich niet in proza uit te drukken? Over dat feit glippen de poëziecritici ‘van het vak’ echter gewoonlijk met bewonderenswaardige lichtvoetigheid heen;” 

Goede vraag: waarom zou je als schrijver überhaupt je tekst in dichtvorm gieten? Vanwaar die vreemde gewoonte die voor relatief veel wit op pagina zorgt en dus bij uitstek weinig efficiënt is? En vooral: waarin zit hem dat verschil tussen poëzie en proza? Daar hebben mensen allemaal ideeën en beelden bij, en de meeste daarvan kloppen een beetje. 

Het enige echte onderscheid tussen poëzie en proza is uiteindelijk dat bij poëzie de dichter het regeleinde bepaalt en bij proza de bladspiegel. Dat is wat wij leerden in het eerste jaar Nederlands in Nijmegen. Ik vond het wel zo verfrissend: nuchter, zakelijk, objectief. Zodra het om poëzie (of literatuur in het algemeen) gaat, lopen namelijk al snel ‘objectieve’ kenmerken en ‘subjectieve’ waardeoordelen door elkaar. Je stuit dan al snel op opmerkingen als: “maar dat is ook geen (echte) poëzie, dat vind ik geen gedicht”. Daarbij blijft nogal eens onuitgesproken waarop dat oordeel is gebaseerd. Of men komt met veelal (het ontbreken van) bepaalde formele, zichtbare kenmerken: rijm, ‘ritme’ (meestal wordt metrum bedoeld), rijke beeldspraak, gebruik van metaforen of zelfs allegoriëen en personificaties. Of: “Je hoort niet dat het een gedicht is.” Dat wil meestal zeggen dat het gedicht niet of nauwelijks rijmt, dat de zinnen over de regels doorlopen zonder hoorbare stop, etc.  

Anderen concentreren zich op de ‘inhoud’ en vinden dat poëzie vooral ‘diepe gedachten’ moet uitdrukken of dat een gedicht een pregnante expressie moet zijn van ‘gevoel’, bij voorkeur ook nog een edel gevoel, of iets met ‘eenzaamheid’ en zo.  

Uiteindelijk is dat allemaal niet ter zake: een gedicht moet helemaal niets en gelukkig laat de geschiedenis van de poëzie een rijk scala aan vormen, inhouden en opvattingen zien. Door de erfenis van de Romantiek denken sommigen dat een gedicht origineel moet zijn (wat het gek genoeg vaak niet is door het veelvuldige hergebruik van traditionele middelen en terugvallen op bestaande tot cliché geworden beeldspraak) en zijn we vergeten dat er ook zoiets als ‘didactische’ poëzie bestaat, om maar eens een zijweg te noemen. Tot en met de baroktijd deed men over dat soort poëzie veel minder moeilijk, net zomin als over ontlening en hergebruik. 

Waar de meeste mensen het wél over eens zijn, is dat in een gedicht meestal iets speciaals gebeurt met de taal, of beter: in taal. Het feit alleen al dat je zinnen niet gewoon over de bladspiegel laat doorlopen, maar dat je de tekst kunstmatig opdeelt in korte of lange, regelmatige of grillig verlopende regels, soms zelfs met afwijkende, ongebruikelijke of geen interpunctie, geeft aan dat je als schrijver een speciale bedoeling hebt met wat je mededeelt, dat je aan ‘boodschap’ en ‘verpakking’ veel aandacht besteedt, soms zelfs: dat de verpakking zelf de boodschap is, de vorm de inhoud en zo verder. Alleen al het gebruik van dichtregels i.p.v. doorlopend proza is een specifiek statement. Gedichten schrijven heeft iets pontificaals: “kijk dit (of: kijk mij) eens hier, deze tekst vraagt om een apart soort aandacht.” Om diezelfde reden worden veel gedichten, maar lang niet alle, zorgvuldig van opsmuk voorzien: allerlei klankeffecten (rijm, alliteratie, assonantie, metrum), beeldspraak, opvallende inhoudelijke combinaties, waardoor woorden(velden) in een nieuw licht komen te staan. 

Sommige mensen vinden overigens dat een gedicht ‘zo normaal mogelijk’ moet zijn, d.w.z. zo zakelijk en nuchter mogelijk, met eenvoudige woorden, zonder al te veel opsmuk, etc. Maar uiteindelijk is ook dat een vorm van ‘opsmuk’, namelijk die der gewoonheid. Ik moet daarbij altijd een beetje denken aan Oscar Wilde, die ergens opmerkt: “Being natural is simply a pose, and the most irritating pose I know.” 

De taal in een gedicht kan ‘natuurlijk’ of ‘kunstmatig’ aanvoelen, en vaak is het afhankelijk van iemands ‘literatuuropvatting’ hoe hij/zij dat beoordeelt. In de geschiedenis zie je een bijna voortdurende afwisseling van streven naar gewoonheid, nuchterheid, eenvoud aan de ene kant en exuberantie en verheven, breedsprakige, meeslepende taal aan de andere kant. In het laatste geval spreken we ook wel van ‘retoriek’, wat tegenwoordig meestal negatief wordt bedoeld, in de betekenis van ‘bombastisch’. 

Als je dus kijkt naar de taal van de poëzie, dan is een belangrijk onderscheid te maken naar hoe de poëtische taal zich verhoudt t.o.v. ‘alledaags’ en ‘normaal’  taalgebruik. Onder andere de Russische formalisten hebben dit gethematiseerd en verklaard dat poëzie wordt gekenmerkt door een specifiek gebruik van taal, nadrukkelijk afwijkend van ons dagelijkse taalgebruik. In poëtische taal, zo heet het, wordt de poëtische functie van taal voorop gesteld, van waaruit een vervreemdend en de-automatiserend effect zou uitgaan. Maar wat nu als na een periode van veel bombast en exuberantie dichters weer terugkeren naar ‘natuurlijker’ en ‘normaler’ taalgebruik? Dan zijn we feitelijk weer terug bij af. Of is dat zogenaamd natuurlijker taalgebruik op dat moment afwijkend, namelijk t.o.v. wat in de courante poëzie ‘normaal’ is geworden? 

Beide extremen, die ik kortweg als gewoonheid versus exuberantie aanduid, vormen valkuilen voor de dichter. De dichter moet laveren tussen Scylla en Charybdis: nadert hij de gewoonheid te dichtbij, dan is zijn poëzie futloos, te ‘makkelijk’, wordt zij in het beste geval ervaren als ‘onpoëtisch’ en is ze in het slechtste geval ronduit triviaal. Overdrijft de dichter in uitgelatenheid en gedurfde vormen en beelden, dan ligt de beschuldiging van ‘holle retoriek’ of zelfs ‘kitsch’ op de loer. Dichten is een evenwichtskunst. De dichter heeft een zekere koersvastheid nodig om niet verzwolgen te worden.

Het peilloos hart ~ Over Tempel en kruis (2)

Hendrik Marsman had een ongeneeslijke neiging tot grootse, vaak kosmische beeldspraak. Zijn vitalistisch-expressionistische vroege poëzie staat erom bekend. Denk aan gedichten als Heerscher (DBNL), Vlam, Val en Verhevene uit wat Marsman aanduidde als zijn “eerste periode”, begin jaren 1920. Ook Tempel en kruis (1939-1940) zit vol met verheven, grootsheid en belang suggererende beelden. Kijken we bijvoorbeeld naar onderstaand fragment – we zitten nog steeds in het eerste deel, “De dierenriem”: 

Wat al snel opvalt, is dat ondanks het ontbreken van consequent eindrijm (schel, vel en cel zitten wat verstopt t.o.v. elkaar) de regels lijken te zingen en vol poëtische middelen zitten om de structuur hechter te maken en woorden met elkaar in verbinding te brengen, zoals bijvoorbeeld de hele en halve alliteraties: 

gesternte – gloeit 
spijkerschrift – sterren – stond – kinderstem – struweel – schemering – scheidt – schel 
klinken – kinderstem  
vlammen – pinkstervuur – vergezicht – Verhaal 
duister – dichtbeschreven – draalt – donker  
opziend – oogwenk  

Assonanties (halfrijmen) versterken dit effect nog: 

nacht – heelal – klank – nachtegaal  
stond – Babylon 
klinken – kinderstem – zingt – pinkstervuur – vergezicht 
tuin – luiden – uitslaan – duister 
nachtegaal – draalt – avondraam  

Zo krijgt de klinkende, zingende kinderstem via deze formele verbindingen veel belang. Die kinderstem zingt “het dies irae”, een van de kerngezangen uit de traditionele dodenmis. Niet onbelangrijk is het feit dat Marsman een tijd lang enigszins geflirt heeft met het katholicisme, “op zoek naar een bezield verband” (zie ook de studie van Goedegebuure), maar ook buiten die specifieke context is de verwijzing naar de beginwoorden van dit onderdeel uit de Latijnse mis betekenisvol.   Lees verder

Palimpsest ~ Over Tempel en kruis

Gedichten horen eigenlijk niet te lang te zijn. Poëzie vereist een zekere concentratie en dat is moeilijker lang vol te houden. Dat geldt ook voor de dichter: bij langere gedichten zakt ook bij hem of haar de inspiratie wel eens in, zeker bij een sterk lyrisch temperament. Als lezer van zo’n kolos ga je dan op een gegeven moment passages overslaan en kom je elke keer uit bij de highlights. Ik noem dat het opera-effect: meestal luisteren we alleen naar de mooiste aria’s en duetten, omdat voor de gehele opera vaak tijd en geduld ontbreken. Enkele opera’s van Puccini zijn overigens aangenaam kort – in La Boheme is na de opbloeiende liefde (zeg maar na O soave fanciulla) het spannendste wel voorbij, de voortdurend opgezweepte emoties willen weer tot rust komen.

Beroemd en berucht is Mei (1889) van Gorter. Bij vlagen vind ik het geniale poëzie, maar van kaft tot kaft kom ik er nooit in één keer doorheen. Alsof na enkele pagina’s mijn zinnen overvoerd worden, na de zoveelste klankrijke en kleurige beeldspraak, en de gedachten en associaties hun eigen weg gaan, losgezongen van de tekst. Daarom begrijp ik de verzuchting van de dichter Hendrik de Vries wel: “Korter! Korter! Korter!”.

Tempel en kruis (1940, geschreven in 1939) van de dichter H. Marsman is ook lang en klank- en beeldrijk. Hoewel Marsman zijn vitalistische expressionisme, met de extatische en verheven beeldspraak, inmiddels wat van zich afgeschud had, bevat Tempel en kruis toch ook voldoende voor liefhebbers van retoriek, zoals bijvoorbeeld in “De boot van Dionysos” (p. 29):

de kreet der hanen scheurt het donker van de muren,
het eerste versche bloed springt uit den flank der dag,
en die in ’t donker lag, hoort in zijn laatste droomen
de vlucht der hinden nog, de herten van den nacht.

Dat neemt niet weg dat er fascinerende stukken poëzie in staan, zeker met op de achtergrond – maar dat is achteraf makkelijk gezegd – de voelbare dreiging van de naderende oorlog. Lees verder