“Ik hoop dat je van het boekje geniet”

Een boek kan soms het meest intieme cadeau zijn dat je van iemand krijgt.

Een zekere H. (acPlatDuJour-Kaartjehternaam en woonplaats onbekend) verjaart. Hij (de voornaam duidt onmiskenbaar een man aan) wordt 82. Een bekende van hem, A. wenst hem een fijne verjaardag toe in de meest warme bewoordingen. De voornaam duidt onmiskenbaar op een vrouw. Zijn echtgenote, of heeft hij die overleefd? Nee, zij kan het niet zijn, want de intieme woorden veronderstellen tegelijkertijd een niet-nabijheid. “Vieren met de familie komt nog.”

Is het een goede vriendin, zijn nieuw gevonden liefde wellicht, of een oude vlam die hij decennia niet gezien of gesproken heeft? Of zou het een zus zijn? Of een dochter die veel van haar vader houdt? Of maakt ze zich er makkelijk vanaf? Zo van: we (de familie) kunnen zelf niet komen, je krijgt nog je feestje en veel plezier met dit boek. Je kunt hier verschillende kanten op bij gebrek aan context.

Woont hij in een huis waar voor hem gezorgd wordt? Dat suggereert dit wel: “In het huis zal er ook nog wel aandacht aan besteed worden.” Is het misschien een verzorgster uit “het huis”, waarover ze ogenschijnlijk met grote vertrouwdheid en vanzelfsprekendheid schrijft? Haar taal en spelling zijn overigens onberispelijk, geen enkele van de d-/t-fouten die je steeds vaker ziet.

Ze wenst hem nog veel goede, gezonde jaren erbij. “Ik hoop dat je van het boekje geniet.” Het kaartje hoort dus echt bij het boekje (of bij een ander boek, en dan is het als boekenlegger verdwaald geraakt). Alvorens ze hem tot slot het “allerbeste en lieve groeten” wenst, volgt misschien wel de meest intieme onthulling: “Dat deed ik ook.” (ze doelt op het genieten). Ze heeft dit boek dus zelf ook gelezen, dat beweert ze althans. Het kan een vorm van inlevende beleefdheid zijn, of gewoon waar – uiteindelijk maakt dat niet uit, het cadeau is persoonlijk, de genegenheid heeft de ruimte van taal gekregen, een volgeschreven kaart. Een beetje ouderwets. Ik zie hem zitten, glimlachend om de attentie (of verbitterd: waarom komt ze niet zelf?), met het boekje in handen. Plat du jour, menu van de dag, met anekdotische verhalen over Frankrijk. Ik zie hem zitten en voel me een beetje een voyeur die net niet alles kan horen.

Het boekje is de 7e druk uit 2009. Als hij het ook meteen in dat jaar heeft gekregen, wat zeer aannemelijk is gezien de elkaar snel opvolgende drukken, dan is hij nu… 89 jaar. Of zou hij inmiddels overleden zijn? Heeft men zijn huis of kamer in “het huis” leeggehaald, de boedel verdeeld en de boeken maar aan de kringloopwinkel meegegeven? Ik voel me steeds ongemakkelijker met boek en kaart.

 

 

De laatste homo universalis ~ In memoriam Umberto Eco

Toen ik het werk van Umberto Eco voor mijzelf “ontdekte”, aan het eind van mijn schooltijd in Maastricht (1989-1990), was hij inmiddels wereldberoemd vanwege de in vele talen vertaalde, en inmiddels verfilmde, dikke roman Il nome della rosa, “De naam van de roos”.

Natuurlijk had ik ook de film met Sean Connery in de hoofdrol gezien, zelfs de videoband ervan in huis. Het kon ook niet anders dan dat dit de roman van Eco was waarmee ik als eerste kennis maakte en waarvan ik danig onder de indruk was. Iets later, in mijn eerste studiejaar Nederlands in Nijmegen, las ik het boek nogmaals. Onze inspirerende docent Middelnederlandse letterkunde Paul Wackers wees ons op de anachronismen, maar raadde het ons desondanks aan, omdat er ook veel “wereldbeeld” in te vinden was.

Het tweede boek van Eco dat aan mijn lezershorizon verscheen, was De slinger van Foucault. Waarschijnlijk is er nauwelijks een boek denkbaar dat bij zoveel mensen ongelezen in de kast heeft gestaan. Alleen al door het in de kast te hebben, kon men zich een intellectueel imago aanmeten. Op mij heeft het door de combinatie van omvang en geleerdheid altijd een afschrikwekkend effect gehad, waardoor ik het nog steeds niet van kaft tot kaft heb gelezen. Daarmee diskwalificeert het zich overigens niet als boek, maar heeft het dezelfde bijzondere reputatie als bijvoorbeeld Finnegans wake van James Joyce. Eco was hartstochtelijk geleerd en schreef over talloze onderwerpen op heel verschillende terreinen, waaronder ook over James Joyce en de veronderstelde invloed van de middeleeuwen op diens werk. Eigenlijk is mij die essayistische en literatuurwetenschappelijke Eco altijd minstens zo lief geweest, ook al zijn niet al zijn boeken en artikelen even “leesbaar”.

Toen hij beroemd werd met zijn romans (vooral De naam van de roos), timmerde Umberto Eco al vele jaren aan de weg als wetenschapper. In 1991 was hij te gast in Nijmegen, uitgenodigd door de vakgroep Algemene Literatuurwetenschap (ALW), waar ik ook vakken volgde. Ik herinner me een uitpuilende collegezaal, alsof er een bekende ster uit de pop- en rockwereld werd binnengehaald. In de nasleep van dat evenement verschenen in Letterlik, het toenmalige Nijmeegse instituutsblad van Nederlands, artikelen over het literatuurtheoretische werk van Eco, die een poging deden de meester qua geheimtaal naar de kroon te steken. Het ging over de “limits of interpretation” versus de in principe eindeloze mogelijkheden tot het genereren van betekenissen (“eindeloze semiosis”).

In de berichten naar aanleiding van Eco’s overlijden wordt gesproken over zijn veelzijdigheid en onmatigheid. Onmatig was hij in zijn schrijven zeker. Hij heeft a.h.w. een omvangrijk pak van Sjaalman achtergelaten. Er leken voor Eco geen grenzen te bestaan. Moeiteloos verbond hij lage en hoge cultuur, schakelde hij tussen stripverhalen en esthetische theorie, tussen middeleeuwen en heden, tussen ingewikkelde taaltheoretische beschouwing en luchtige scherts. Hij schreef over schoonheid en lelijkheid in de kunst, hij had voor studenten en andere schrijvers in de dop een handleiding Hoe schrijf ik een scriptie geschreven, die ondanks alle luchthartige ironie nog nuttig bleek ook. Daarin hij vooral spoort hij ook aan tot meer leren, extra talen te leren, meer kennis te vergaren. Zo schreef hij uiteenlopende boeken als Kunst en schoonheid in de middeleeuwen en Europa en de volmaakte taal.

Een van de geestigste romans (met behulp waarvan ik mijn Italiaans probeerde te upgraden, door het origineel parallel aan de vertaling te lezen) vind ik nog altijd Baudolino, over de belevenissen een leugenachtige schavuit tijdens een van de kruistochten in het gevolg van keizer Frederik I “Barbarossa”.

Kenmerkend voor zijn veelzijdigheid is dat Eco’s boeken door je hele bibliotheek heen verspreid staan, je vindt ze terug tussen: romans, literaire essays, literatuurwetenschap, (taal)filosofie, semiotiek, middeleeuwen, kunstgeschiedenis, etc. Het is bijna onmogelijk alles te kennen van Eco. Zo zou hij ook een autoriteit zijn op het gebied van James Bond en ook kinderboeken geschreven hebben. Een aantal van zijn latere romans heb ik nog niet gelezen, en ga zo maar verder.

Van sommige mensen kun je je niet voorstellen dat ze niet het eeuwige leven hebben, zeker als ze gedurende enkele decennia in zo’n nadrukkelijke mate aanwezig zijn geweest. Met het overlijden van Umberto Eco is weer een persoonlijkheid van ons heen gegaan die de wereld verrijkte met zijn vele kleuren. Misschien was hij wel de laaste homo universalis.

 

De verzuchting van Hadrianus

4463-aDe Herinneringen van Hadrianus, zoals verbeeld door Marguerite Yourcenar, en in de vertaling van Jenny Tuin, bevatten in het begin de wat melancholieke verzuchting van Hadrianus (hij is eerder die dag bij de dokter geweest en vertelt over zijn wederwaardigheden):

Het is moeilijk in het bijzijn van een arts keizer te blijven, moeilijk ook je menselijke waardigheid te behouden. Het oog van de medicus zag in mij niets anders dan een hoop lichaamssappen, triest mengsel van lymfe en bloed. Vanmorgen is voor het eerst de gedachte in me opgekomen dat mijn lichaam, die trouwe metgezel, die vriend, zekerder en mij beter bekend dan mijn ziel, veeleer een geniepig monster is dat op een gegeven moment zijn meester zal verslinden.

Je kunt je er alles bij voorstellen. Blijkbaar heeft Hadrianus niet te klagen, want dat hij op oudere leeftijd voor het eerst op die gedachte komt, zegt veel over de voorafgaande gezondheid. Niet zonder reden noemt hij het lichaam ook zijn vriend, zijn trouwe (!) metgezel. Nu lijdt hij, naar eigen zeggen en volgens de dokter aan “waterzucht door hartzwakte”. Maar het is vooral treffend verwoord en maakt nieuwsgieriger naar de rest van het boek.

De postmoderne Lambik

Op de leeftijd dat je doorgaans de avonturen van Suske & Wiske tot je neemt, heb je meestal nog niet gehoord van metafictie of postmodernisme. Als je op latere leeftijd, gepokt en gemazeld in verschillende opzichten, al dan niet per ongeluk een van de albums doorbladert, dan valt aan de humor van Lambik opeens iets op:

SuskeWiskePostmodern1

Als we “metafictie” (vorm van fictie waarin bewust verwijzingen naar het fictie-medium zijn opgenomen), het spel met en problematiseren van de relatie tussen fictie en werkelijkheid, het commentaar op het medium zelf (“niet datgene wat verteld wordt staat centraal, maar het vertellen zelf”) etc. als de belangrijkste kenmerken van postmoderne literatuur (http://nl.wikipedia.org/wiki/Postmoderne_literatuur…) zien, dan gaan er bij deze pagina uit Suske en Wiske “De tamtamkloppers” wel enkele bellen rinkelen: zo past Lambik al gummend en tekenend zijn eigen wapens aan om binnen de context van het verhaal weerstand aan de tegenstrevende personages te kunnen bieden.

SuskeWiskePostmodern2

Ook het afgeplakte plaatje verderop, dat geweld had moeten tonen, maar dat – o ironie – door de auteur zelf zogenaamd gecensureerd is (maar waardoor er wellicht des te meer focus wordt gelegd op het buitensporige geweld), en tot slot de laatste 2 plaatjes, waar Lambik de apenkoning letterlijk achter het plaatje heeft geslagen, waarbij hij binnen het verhaal er nadrukkelijk buiten treedt door te verwijzen naar het plaatje. Postmodernisme in een notendop dus. Zou Willy Vandersteen (anno 1969!) zich van deze theoretische implicaties bewust zijn geweest?

 

Kundera ~ een leesherinnering

Komend voorjaar is het 25 jaar geleden dat ik De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van de Tsjechische schrijver Milan Kundera las. Ik weet dat nog zo goed omdat het voor mij als 17-/18-jarige een van de bepalende leeservaringen is geweest: zo kun je dus ook een boek schrijven, niet gewoon een rechtlijnig verteld verhaal, maar ook een verhaal over verhalen vertellen.

Ik wist nog niet wat postmodernisme was en ik was nog nauwelijks met filosofie in aanraking gekomen, maar ik was direct gecharmeerd van het “reflectieve schrijven” van Kundera. Het citaat van Nietzsche voorin het boek, over de eeuwige wederkeer en de herhaling in de geschiedenis, heb ik vaak herkauwd.

Lees verder