Jan Engelman ~ 2

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, dat bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.

Context

De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redac­teur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijd­schrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, op­richt­te. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bij­voor­beeld van Albert Kuyle en Henk Kuiten­brouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.

Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma

Engelman werkt in deze jaren veelvuldig mee aan andere tijdschriften, zelfs aan het “heiden­se” Forum, waarvoor hij in De Nieuwe Eeuw, waar hij dan al jaren redacteur Kunst en Letteren is, grote sympathie betuigt: “Overigens is Forum op dit oogenblik misschien het meest levende en interessante tijdschrift.” (De Nieuwe Eeuw 7 april 1932, p. 876). In De Nieuwe Eeuw van 12 mei 1932 (p. 1038) krijgt Forum wederom ruim aandacht van Engelman. Dat was tegen het zere been van veel katholieke schrijvers en critici. Zelfs Van Duinkerken stond hem hierin niet bij: “Tusschen De Nieuwe Eeuw en De Gemeen­schap wordt, met toenemende helder­heid, een meeningsver­schil opge­merkt betreffen­de de beteekenis van het maandblad Forum.” Zijn bezwaar tegen Forum is vooral dat het vitalisme van het blad willekeurig is en geen “richting” heeft. Over het levensbeschouwelijke uitgangspunt waartegen hij in verzet komt, laat Van Duinkerken ook hier geen twijfel bestaan: “Er staan in Forum gedurig bijdragen, wier beginse­len over de levens­kunst, wanneer zij juist waren, alle leven voor altijd onmogelijk zouden maken.” (De Gemeenschap oktober 1933, pp. 482-490).

In Forum worden (ondanks eerdere spotverzen van Menno ter Braak over Engelman) ook gedichten van Jan Engelman opgenomen: Ambrosi­a en Verwach­ting van Paschen, en een artikel over de kunstenaar Pyke Koch. Ook De Gids, De Vrije Bladen, Helikon en de letter­kundi­ge almanak Erts nemen bijdragen van Engelman op. Door zijn tussenposi­tie komt Engelman tussen twee vuren te staan. Van de kant van de katholieken krijgt hij kritiek op zijn estheticis­me, waaraan hij de katholieke belangen opoffert, en zijn sympathie voor en banden met de “heidenen”. “Vanuit het paga­nis­tische kamp wordt Engel­man echter verweten dat hij in zijn kritieken oordeelt vanuit een religieuze vooringe­nomen­heid.” (Bijvoet et al., De Gemeenschap, ‘s-Gravenhage, 1986 – Schrijversprentenboek 24). Daarover had Engelman al een pittige debatje gevoerd met Ter Braak aan het eind van de jaren twintig, in De Vrije Bladen.

Drukgeschiedenis en vormgeving

Aan het eind van 1932 brengt Engelman zijn gedichten, die her en der over de tijdschriften verspreid zijn gepubliceerd, bij elkaar in wat zijn meest bekende bundel is geworden, Tuin van Eros.

Tuin van Eros wordt net als Sine Nomine in een beperk­te oplage uitgege­ven, deze keer door “Cen­tum Nec Plura” (lees: Charles Nypels Pers) te Am­sterdam. Het is een zeer mooie uitgave, gebonden in rood en typogra­fisch goed verzorgd in “een letter van Cochin” gedrukt door Charles Nypels in een oplage van honderd exemplaren bestemd voor de handel en nog eens vijfentwintig “gereser­veerd voor den schrijver”.

Links inhoudsopgave (tweede deel), rechts het colofon.

Het colofon vermeldt verder dat deze bunde­ling negen gedich­ten bevat uit Sine Nomine. Welke dit zijn, wordt er niet bij gezegd en ook in de Verza­melde gedichten (1960, 2e druk: 1972) wordt hierover geen uitsluitsel gegeven. Vergelijking van de edities leert dat het gaat om de volgende gedichten: Hero’s Epi­tap­he, Ver­dre­ven Oog­en (= Het Grens­land II in Sine Nomine), Zacht bran­den (= Het Grens­land IV), Hij daal­de slui­me­rend (= Het Grens­land V), Adieu, Over het gras, Door­reis, en twee van de muzikale gedich­ten: En Rade en Vera Janaco­poulos. Typerend is ook dat dat andere ritmische gedicht uit die eerdere bundel, Arne Borg, wordt weggelaten. Wellicht paste dat toch te weinig in de thematiek van de nieuwe bundel.

De bundel, die is opgedragen “Aan Ambrosia”, Engelmans persoonlij­ke muze, is overigens niet in 1932 op de markt verschenen, zoals het titel­blad ver­meldt, maar in 1933. Bij het drukken zat men net op de jaargrens. Dat verklaart de twee verschillen­de jaartal­len in publicaties over Tuin van Eros.

Een van de pentekeningen van Wiegersma, tegenover de titelpagina van Tuin van Eros (1932)

De eroti­sche pentekenin­gen in de bundel zijn van Henk Wie­ger­sma, de beeldende kunste­naar wiens werk door Engelman verschillende keren is bespro­ken, o.a. in De Gemeenschap jrg. 2 (1926) nr. 11 (november), pp. 325-328 en jrg. 4 (1928) nr. 5 (mei), pp. 195-196; en in: Jan Engelman, Torso (1930). Het zijn deze illustraties die voor sommige critici het “vunzige” karakter van de bundel nog eens hebben bena­drukt. De tekeningen zijn niet meer aanwe­zig in latere uitgaven.

Voor Tuin van Eros krijgt Engelman, die inmiddels veelvuldig wordt besproken, zowel binnen als buiten katholieke zuil, in 1934 de Meiprijs voor Poëzie van de Maat­schappij der Nederlandse Letterkunde. (De schrijver A. den Dool­aard, met wie hij de prijs moet delen, weigert zijn deel.) Bij uitgever Querido wordt dan een handels­editie van Engel­mans gedich­ten uitgege­ven, Tuin van Eros en andere gedichten, waarin ook enkele gedich­ten uit Het Roosven­ster en nog een aantal uit Sine Nomine worden opge­nomen, omdat de beide dichtbundels net als de bibliofiele Tuin van Eros zijn uitver­kocht. (Zie hierover o.a. Jan Engelman, Verzamelde gedichten, p. 222; A.L. Sötemann, Querido van 1915 tot 1990: Een uitgeverij, p. 79.; Zie voor een toelichting op de Mei-prijs vooral Jan H. Cartens, Orpheus en het lam, p. 82 noot 6.)

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934. Het “en andere gedichten” staat niet op de band, wel op de titelpagina.

Tuin van Eros en andere gedichten uit 1934 is te beschouwen als een soort voortijdig “verzameld werk”, waarin enkele jeugdzonden zijn weggelaten, maar anderzijds wel nog een aantal van die vroege verzen worden opgehaald, een beetje vergelijkbaar met wat Marsman enkele jaren later deed met zijn Verzamelde Gedichten.

De handelseditie bij Querido is minder exclusief qua vormgeving dan die eerste druk van Nypels, maar typografie en band zijn nog steeds erg fraai. Zie alleen al hierboven de speciale manier waarop bepaalde letters op het voorplat zijn uitgerekt.

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934 – titelpagina.

De bundel is opgebouwd uit drie delen. In Vroege verzen staan de expres­sio­nistische gedichten; Aan den Oever bevat vooral de gedichten uit (de tweede afdeling van) Sine Nomine. De laatste afdeling, die de kern uitmaakt van de bundel en dezelfde naam draagt als de gehele bundel, bevat de gehele Tuin van Eros uit 1932/1933, uitge­breid met nieuwe gedichten als Envoy, Wolken, het kluch­ti­ge Diable­rie, het sterk romanti­sche Meimor­gen in Limburg en Panta Rei (inderdaad, “rei” zonder h, althans in deze druk).

Er is ook een gedicht, ten opzichte van 1932, wegge­la­ten: het vier-regeli­ge Conflict, dat vooral binnen de kring van De Nieuwe Gemeen­schap (juli-augustus 1934, p. 424) voor veel ophef heeft gezorgd:

Uit: Jan Engelman, Tuin van Eros, 1932.

Dat erotische beschrijvingen in literatuur en poëzie hachelijk zijn, is met deze regels ook meteen aangetoond, omdat de beeldspraak snel lachwekkend kan worden. Bij “schenkel” denken wij toch vooral aan de slager. Maar het openlijk praten over (in dit geval falende) seksualiteit was anno 1932 nog niet zo en vogue.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 11e druk (1947).

In latere drukken, die weer gewoon Tuin van Eros heten (dus zonder de toevoe­ging “en andere gedich­ten“), zijn de eerste en tweede afdeling uit de verzameleditie van 1934 weer weggela­ten. De aan het einde toegevoegde ge­dich­ten zijn wèl gehandhaafd. De opbouw is nagenoeg gelijk aan die van 1932: de bundel begint wederom met het lange gedicht In den tuin.

In die opzet verscheen in 1938 een gekarton­neerde goedkope herdruk (= 3e druk) in klein formaat. In 1946 verscheen de tiende, in 1947 de elfde druk en in 1956 de twaalfde druk. Het is dus na de eerste uitgave vrij snel tot een aantal herdruk­ken gekomen. Na de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de Vijftigers, verdwijnt Engelman als dichter al snel naar de achtergrond.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 12e druk (1956).

De eerste druk van Engel­mans Verza­melde gedichten uit 1960 vormt voor Tuin van Eros de dertiende druk. Al deze laatste uitgaven zijn bij Querido te Amsterdam verschenen.

De gedichten uit Tuin van Eros

In Tuin van Eros staan de gedichten die hun sfeer ontlenen aan een synthese tussen Helleense aardse schoonheid en pla­toons-christelijke idealen. Een typerend gedicht is wat dat betreft het openingsgedicht In den tuin, dat een soort van ouvertu­re vormt op de gehele bundel, waarin onder meer de herinnering van de schepping aan de orde komt:

Ver op den heuvel blinkt het licht
van mijn oorspronkelijk gezicht,
dat mij vervoert en mij verwart:
het oerbegin, het wereldhart.

Wat dit oerbegin inhoudt, en waar het Engelman uiteindelijk om lijkt te gaan (door alle erotiek heen), laat hij doorschemeren in een andere strofe van dit gedicht:

Wie onuitspreeklijk heeft bemind,
wie zoekt tot hij zijn oerglans vindt,
raakt op den grooten stroom eens vlot
en aan den horizon is God.

De tuin van Eros is ook de tuin van Eden, waar het liefhebben schuldeloos is. Het gedicht roept verder talloze reminiscenties op aan de aanbidding van het Lam Gods uit de Apocalyps. Engelman had eerder al een belang­rijk opstel over De Aanbid­ding van het Lam van de gebroeders Van Eyck gepubliceerd in De Gemeen­schap (in 1930 opgenomen in zijn boek Torso). Dit apoca­lyptisch motief moet grote indruk op Engel­man hebben ge­maakt, aangezien het in dit gedicht, maar ook in andere gedichten van Tuin van Eros een belang­rijke ondertoon van de erotiek vormt.

Begin van het openingsgedicht uit Tuin van Eros, “In den tuin”

Over de intenties van een dichter kan slechts gespecu­leerd worden, en in het geval van Engelman is er wat voor te zeggen dat zijn katholicisme vaak slechts een literaire voedings­bron is, maar dat Engelmans poëzie níet doordrongen zou zijn van chris­telijke motie­ven, is ─ wanneer men zich baseert op de gedichten zelf ─ eenvoudig niet hard te maken. Het is de criticus D.A.M. Binnendijk geweest, die dit als een van de eersten (en een van de weinigen, behalve Vestdijk) gezien heeft: “Een op deze wijze genuan­ceerd geloof leidt de aandacht af van de sociale en moreele conflicten en van de evangeli­sche eisen van menschen­min en naastenliefde naar de apocalyptische zijde van het Christendom, naar de visionnaire, mystische en extatische kansen, welke dit geloof evenzeer biedt” (De groene Amsterdammer 29 mei 1937, p. 8).

Fragment uit het openingsgedicht van Tuin van Eros, “In den tuin”

Dat de erotiek desalniettemin een overheersende rol speelt, hebben de critici goed begrepen. Een gedicht als Nachtwake laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

O bleeke heup op bed gevonden
als horizon en heuvelkam,
o borsten, zachter neergewonden
dan donzen vogels, vleugellam ─

Voor tijdschriften als De Nieuwe Gemeenschap (dat zich in 1934 had afgesplitst van De Gemeenschap) zal dit een steen des aanstoots zijn, evenals de regel “Zachte maîtressen die mijn hart verheugt” uit het gedicht Madri­gaal.

“Madrigaal”, uit: Jan Engelman, Tuin van Eros (1932).

Het is met name de poëzie uit Tuin van Eros waardoor Engelman het etiket “musisch dichter” krijgt opgeplakt. Doordat hij nadrukke­lijk afstand nam van zijn vroege, wijdlopige en barokke poëzie, heeft Engelman dit beeld zelf nog eens versterkt. Zijn voorkeur voor fijnzinnig woordspel en muzikaliteit komt in de meeste ge­dichten uit Tuin van Eros naar voren.

Het psychologische element van zijn poëzie is uiterst roman­tisch te noemen: het verlangen naar veraf gelegen werelden, naar het bovennatuur­lijke en elysische, de gespleten­heid ten gevolge daarvan (omdat het aardse zo verleidelijk is), en het onbekommerd willen uitzingen van het eigen lied, dat in feite het uiterst roman­tische credo behelst dat een dichter zijn gemoed moet uitspreken in zijn gedichten. Een duidelijk voor­beeld daarvan is te vinden in het gedicht Hart en lied:

Uit doem en uit ellende
rijst soms het rankste lied,
waar ik mij keer of wende,
mijn hart zingt als het riet.

Het zijn regels als deze die sommige critici doen denken aan Gezelle of Gorter. Wie in Engelmans bundels bladert, valt op hoeveel gedichten met muziek te maken hebben, wat vaak al in de titel tot uiting komt. Aller­eerst natuurlijk het bekende gedicht geïnspireerd door een Griekse zangeres, Vera Janacopoulos, dat bovendien de onderti­tel “cantilene” heeft, een genre-aanduiding uit de muziek.

Dit gedicht wordt nog wel in schoolboeken gebruikt als sprekend voorbeeld van poésie pure, een klankgedicht (ondanks dat Vestdijk in de jaren ’40 al lang heeft aangetoond dat de betekenis van de gebruikte woorden er wel degelijk toe doet bij het oproepen van de sfeer van het gedicht). Het is Engelmans bekendste gedicht.

En Rade, evenals het vorige gedicht al in Sine Nomine te vinden, heeft als ondertitel: “vocalise voor Cavalcanti”. Ook dit gedicht wordt nog wel eens geciteerd in literatuurgeschiedenissen en (school)bloemlezingen.

Alberto de Cavalcanti was cineast, vooral bekend om zijn avantgardistische films in de jaren twintig. Het gedicht van Engelman is geschreven naar aanleiding van En Rade. In deze film komen ook beelden voor van een haven, die heimwee oproept naar de verte (wat ook in Engelmans gedicht tot uitdrukking komt); op balen staan de namen van plaatsen elders op de wereld (en ook deze namen heeft Engelman overgenomen).

In de verschil­lende edities van Tuin van Eros en in Het bezegeld hart wordt het aantal gedichten dat refereert aan de muziek aanzienlijk uitgebreid: “Wo die schönen Trompeten blasen”, Madrigaal, Hart en lied, Klein Air, Melodie des Herzens, het `ostinato’ Wolken, Tijdzang, Het Andere Lied, en Aandachtig Lied.

Een van de mooiste gedichten uit Tuin van Eros, we kwamen het al tegen bij de behandeling van Sine Nomine (1930) vind ik persoonlijk nog altijd “Zacht branden”.

Als ergens mystiek en erotiek op een elegante, beknopte en niet-leerstellige manier in schoonheid samengaan, dan hier, weerspiegeld in de vele (maar naar mijn smaak niet hinderlijk op de voorgrond tredende) assonanties, alliteraties en metrische bijzonderheden. Wie ben jij, met wie ik zo verkeer? De prille keel is nog op het randje (gezien Engelmans soms uit de bocht schietende lichamelijke beeldspraak – denk aan de eerder geciteerde schenkel), maar verbindt dit gedicht ook met de cantilenes en vocalises uit de bundel.

Tot de mooie gedichten die vanaf de editie van 1934 zijn toegevoegd behoren “Meimorgen in Limburg”, “Klein Air” en vooral “Annabel”, waaruit blijkt wat Engelmans grootste (en tegelijk beperkte) dichterlijke talent was: het lyrische, het zangerige, het muzisch geïnspireerde korte gedicht.

Tuin van Eros is wel het hoogtepunt in het dichterschap van Jan Engelman. In een volgende aflevering laten we nog enkele bijzonderheden zien uit de periode 1936-1941, zoals het fascinerende gelegenheidsgedicht “De dijk”, dat Engelman schreef n.a.v. een AVRO-prijsvraag.


De spuigaten uit

Februari is nog maar een dag begonnen of het loopt alweer de spuigaten uit. Gelegenheid zoekt de dief, ik bedoel de bibliofiel.

Ik ben met name in mijn nopjes met de tweedelige uitgave van P.C. Hoofts Gedichten: “Volledige uitgave door F.A. Stoett, tweede geheel herziene, vermeerderde druk van de uitgave van P. Leendertz Wz.”, uitgegeven bij uitgeverij P.N. van Kampen in 1899 (deel 1) en 1900 (deel 2). De uitgave is er in verschillende uitvoeringen / banden. Ik heb hier een versie met halflinnen / half rood (kunst?)leder, ingebonden bij boekbinderij J.J. Küppers te Roermond. De twee delen zijn overigens onderdeel geweest van de bibliotheek van het R.K. Lyceum voor meisjes te Amsterdam. Hoe ze dan weer terug in Limburg zijn gekomen, is mij een raadsel.

Onder gedichten is in dit geval ook verstaan: het in dichtregels gestelde toneelwerk, zoals Geeraerdt van Velsen , Baeto en zelfs Ware-nar. Die ruime opvatting van “gedichten” is in afwijking van de moderne uitgave van P. Tuynman, die zich nadrukkelijk, blijkens de titel al, beperkt tot de Lyrische poëzie (zangen, sonnetten, gelegenheidsdichten, etc.).

Bij P.C. Hooft (en andere tijdgenoten) ervaar je nog dat “lyriek” afstamt van / samenhangt met zingen. Het woord is (zie ook Wikipedia) afgeleid van het Griekse λύρα (lura), dat “lier” betekent. In de oorspronkelijke betekenis zijn het gedichten of liedteksten die met de lier begeleid kunnen worden. Veel van Hoofts gedichten zijn voorzien met een wijsaanduiding (“op de wijze van…”) maar klinken ook als een klok en zijn sterk metrisch van karakter.

Ter afsluiting een van de bekendste lyrische gedichten van P.C. Hooft, een sonnet dat mooi mag “suonare” (weerklinken):

Alsof ik ze innerlijk zoen

Leo Vroman, Daar. – Querido, Amsterdam, 2011.

Ik had van Vroman al een bundeling Gedichten 1946-1984, en ik begreep al snel dat deze bundel uit 2011 daar niet in zou staan. Daar wilde ik  meer van weten, hoewel ik nog niet veel gedichten van Vroman had gelezen, maar deze bundel was weer te uitnodigend om te laten liggen.

Normaliter ben ik niet zo’n liefhebber van “praterige” gedichten. Parlando-poëzie ontaardt nogal eens tot overdreven “gewoondoenerij”, het doe-maar-normaal van de dichtkunst, met als reden dat dat al bijzonder genoeg zou zijn. Gelukkig is bij Vroman de nuchtere toon bedrieglijk, er gebeuren wel degelijk bijzondere dingen, zowel in het verhaal als de taal van het gedicht:

Het eten heeft minstens twee kanten,
wat wij er ook mee doen.
Ik kauw op gekookte planten
alsof ik ze innerlijk zoen. (p.14)

Ik ben een bloem

Lezend in Gezelle keer ik terug naar de jaren 1989-1990, toen een intelligente en bevlogen leraar Nederlands een vwo-klas in het eindexamenjaar uitgebreid kennis liet maken met onder andere het werk van Guido Gezelle, de Vlaamse priesterdichter uit de 19e eeuw.

Zoals dat hoort voor een nog onwetend maar ontvankelijk publiek op die leeftijd, werden we door een aantal van diens bekendste gedichten geleid: “Ego flos” (Ik ben een blomme), “’t Er viel ‘ne keer”, “Het Schrijverke” (dat zo mooi poëticale en natuurlijke motieven vervlecht), et cetera.
Lees verder

De valkuilen van de dichter

In 1934 publiceert Menno ter Braak een van zijn bekendste kritieken, onder de titel “Poezie als roes“, waarin hij niet alleen de nieuwe bundels van M. Nijhoff en Jan Engelman bespreekt, maar ook uitvoerig de achterliggende principes van poëzie onderzoekt. Hij schrijft dan onder meer: 

“Waarom zou iemand zijn toevlucht nemen tot de poëzie als het niet was, dat hij er zijn goede redenen voor had zich niet in proza uit te drukken? Over dat feit glippen de poëziecritici ‘van het vak’ echter gewoonlijk met bewonderenswaardige lichtvoetigheid heen;” 

Goede vraag: waarom zou je als schrijver überhaupt je tekst in dichtvorm gieten? Vanwaar die vreemde gewoonte die voor relatief veel wit op pagina zorgt en dus bij uitstek weinig efficiënt is? En vooral: waarin zit hem dat verschil tussen poëzie en proza? Daar hebben mensen allemaal ideeën en beelden bij, en de meeste daarvan kloppen een beetje. 

Het enige echte onderscheid tussen poëzie en proza is uiteindelijk dat bij poëzie de dichter het regeleinde bepaalt en bij proza de bladspiegel. Dat is wat wij leerden in het eerste jaar Nederlands in Nijmegen. Ik vond het wel zo verfrissend: nuchter, zakelijk, objectief. Zodra het om poëzie (of literatuur in het algemeen) gaat, lopen namelijk al snel ‘objectieve’ kenmerken en ‘subjectieve’ waardeoordelen door elkaar. Je stuit dan al snel op opmerkingen als: “maar dat is ook geen (echte) poëzie, dat vind ik geen gedicht”. Daarbij blijft nogal eens onuitgesproken waarop dat oordeel is gebaseerd. Of men komt met veelal (het ontbreken van) bepaalde formele, zichtbare kenmerken: rijm, ‘ritme’ (meestal wordt metrum bedoeld), rijke beeldspraak, gebruik van metaforen of zelfs allegoriëen en personificaties. Of: “Je hoort niet dat het een gedicht is.” Dat wil meestal zeggen dat het gedicht niet of nauwelijks rijmt, dat de zinnen over de regels doorlopen zonder hoorbare stop, etc.  

Anderen concentreren zich op de ‘inhoud’ en vinden dat poëzie vooral ‘diepe gedachten’ moet uitdrukken of dat een gedicht een pregnante expressie moet zijn van ‘gevoel’, bij voorkeur ook nog een edel gevoel, of iets met ‘eenzaamheid’ en zo.  

Uiteindelijk is dat allemaal niet ter zake: een gedicht moet helemaal niets en gelukkig laat de geschiedenis van de poëzie een rijk scala aan vormen, inhouden en opvattingen zien. Door de erfenis van de Romantiek denken sommigen dat een gedicht origineel moet zijn (wat het gek genoeg vaak niet is door het veelvuldige hergebruik van traditionele middelen en terugvallen op bestaande tot cliché geworden beeldspraak) en zijn we vergeten dat er ook zoiets als ‘didactische’ poëzie bestaat, om maar eens een zijweg te noemen. Tot en met de baroktijd deed men over dat soort poëzie veel minder moeilijk, net zomin als over ontlening en hergebruik. 

Waar de meeste mensen het wél over eens zijn, is dat in een gedicht meestal iets speciaals gebeurt met de taal, of beter: in taal. Het feit alleen al dat je zinnen niet gewoon over de bladspiegel laat doorlopen, maar dat je de tekst kunstmatig opdeelt in korte of lange, regelmatige of grillig verlopende regels, soms zelfs met afwijkende, ongebruikelijke of geen interpunctie, geeft aan dat je als schrijver een speciale bedoeling hebt met wat je mededeelt, dat je aan ‘boodschap’ en ‘verpakking’ veel aandacht besteedt, soms zelfs: dat de verpakking zelf de boodschap is, de vorm de inhoud en zo verder. Alleen al het gebruik van dichtregels i.p.v. doorlopend proza is een specifiek statement. Gedichten schrijven heeft iets pontificaals: “kijk dit (of: kijk mij) eens hier, deze tekst vraagt om een apart soort aandacht.” Om diezelfde reden worden veel gedichten, maar lang niet alle, zorgvuldig van opsmuk voorzien: allerlei klankeffecten (rijm, alliteratie, assonantie, metrum), beeldspraak, opvallende inhoudelijke combinaties, waardoor woorden(velden) in een nieuw licht komen te staan. 

Sommige mensen vinden overigens dat een gedicht ‘zo normaal mogelijk’ moet zijn, d.w.z. zo zakelijk en nuchter mogelijk, met eenvoudige woorden, zonder al te veel opsmuk, etc. Maar uiteindelijk is ook dat een vorm van ‘opsmuk’, namelijk die der gewoonheid. Ik moet daarbij altijd een beetje denken aan Oscar Wilde, die ergens opmerkt: “Being natural is simply a pose, and the most irritating pose I know.” 

De taal in een gedicht kan ‘natuurlijk’ of ‘kunstmatig’ aanvoelen, en vaak is het afhankelijk van iemands ‘literatuuropvatting’ hoe hij/zij dat beoordeelt. In de geschiedenis zie je een bijna voortdurende afwisseling van streven naar gewoonheid, nuchterheid, eenvoud aan de ene kant en exuberantie en verheven, breedsprakige, meeslepende taal aan de andere kant. In het laatste geval spreken we ook wel van ‘retoriek’, wat tegenwoordig meestal negatief wordt bedoeld, in de betekenis van ‘bombastisch’. 

Als je dus kijkt naar de taal van de poëzie, dan is een belangrijk onderscheid te maken naar hoe de poëtische taal zich verhoudt t.o.v. ‘alledaags’ en ‘normaal’  taalgebruik. Onder andere de Russische formalisten hebben dit gethematiseerd en verklaard dat poëzie wordt gekenmerkt door een specifiek gebruik van taal, nadrukkelijk afwijkend van ons dagelijkse taalgebruik. In poëtische taal, zo heet het, wordt de poëtische functie van taal voorop gesteld, van waaruit een vervreemdend en de-automatiserend effect zou uitgaan. Maar wat nu als na een periode van veel bombast en exuberantie dichters weer terugkeren naar ‘natuurlijker’ en ‘normaler’ taalgebruik? Dan zijn we feitelijk weer terug bij af. Of is dat zogenaamd natuurlijker taalgebruik op dat moment afwijkend, namelijk t.o.v. wat in de courante poëzie ‘normaal’ is geworden? 

Beide extremen, die ik kortweg als gewoonheid versus exuberantie aanduid, vormen valkuilen voor de dichter. De dichter moet laveren tussen Scylla en Charybdis: nadert hij de gewoonheid te dichtbij, dan is zijn poëzie futloos, te ‘makkelijk’, wordt zij in het beste geval ervaren als ‘onpoëtisch’ en is ze in het slechtste geval ronduit triviaal. Overdrijft de dichter in uitgelatenheid en gedurfde vormen en beelden, dan ligt de beschuldiging van ‘holle retoriek’ of zelfs ‘kitsch’ op de loer. Dichten is een evenwichtskunst. De dichter heeft een zekere koersvastheid nodig om niet verzwolgen te worden.

Het peilloos hart ~ Over Tempel en kruis (2)

Hendrik Marsman had een ongeneeslijke neiging tot grootse, vaak kosmische beeldspraak. Zijn vitalistisch-expressionistische vroege poëzie staat erom bekend. Denk aan gedichten als Heerscher (DBNL), Vlam, Val en Verhevene uit wat Marsman aanduidde als zijn “eerste periode”, begin jaren 1920. Ook Tempel en kruis (1939-1940) zit vol met verheven, grootsheid en belang suggererende beelden. Kijken we bijvoorbeeld naar onderstaand fragment – we zitten nog steeds in het eerste deel, “De dierenriem”: 

Wat al snel opvalt, is dat ondanks het ontbreken van consequent eindrijm (schel, vel en cel zitten wat verstopt t.o.v. elkaar) de regels lijken te zingen en vol poëtische middelen zitten om de structuur hechter te maken en woorden met elkaar in verbinding te brengen, zoals bijvoorbeeld de hele en halve alliteraties: 

gesternte – gloeit 
spijkerschrift – sterren – stond – kinderstem – struweel – schemering – scheidt – schel 
klinken – kinderstem  
vlammen – pinkstervuur – vergezicht – Verhaal 
duister – dichtbeschreven – draalt – donker  
opziend – oogwenk  

Assonanties (halfrijmen) versterken dit effect nog: 

nacht – heelal – klank – nachtegaal  
stond – Babylon 
klinken – kinderstem – zingt – pinkstervuur – vergezicht 
tuin – luiden – uitslaan – duister 
nachtegaal – draalt – avondraam  

Zo krijgt de klinkende, zingende kinderstem via deze formele verbindingen veel belang. Die kinderstem zingt “het dies irae”, een van de kerngezangen uit de traditionele dodenmis. Niet onbelangrijk is het feit dat Marsman een tijd lang enigszins geflirt heeft met het katholicisme, “op zoek naar een bezield verband” (zie ook de studie van Goedegebuure), maar ook buiten die specifieke context is de verwijzing naar de beginwoorden van dit onderdeel uit de Latijnse mis betekenisvol.   Lees verder

Palimpsest ~ Over Tempel en kruis

Gedichten horen eigenlijk niet te lang te zijn. Poëzie vereist een zekere concentratie en dat is moeilijker lang vol te houden. Dat geldt ook voor de dichter: bij langere gedichten zakt ook bij hem of haar de inspiratie wel eens in, zeker bij een sterk lyrisch temperament. Als lezer van zo’n kolos ga je dan op een gegeven moment passages overslaan en kom je elke keer uit bij de highlights. Ik noem dat het opera-effect: meestal luisteren we alleen naar de mooiste aria’s en duetten, omdat voor de gehele opera vaak tijd en geduld ontbreken. Enkele opera’s van Puccini zijn overigens aangenaam kort – in La Boheme is na de opbloeiende liefde (zeg maar na O soave fanciulla) het spannendste wel voorbij, de voortdurend opgezweepte emoties willen weer tot rust komen.

Beroemd en berucht is Mei (1889) van Gorter. Bij vlagen vind ik het geniale poëzie, maar van kaft tot kaft kom ik er nooit in één keer doorheen. Alsof na enkele pagina’s mijn zinnen overvoerd worden, na de zoveelste klankrijke en kleurige beeldspraak, en de gedachten en associaties hun eigen weg gaan, losgezongen van de tekst. Daarom begrijp ik de verzuchting van de dichter Hendrik de Vries wel: “Korter! Korter! Korter!”.

Tempel en kruis (1940, geschreven in 1939) van de dichter H. Marsman is ook lang en klank- en beeldrijk. Hoewel Marsman zijn vitalistische expressionisme, met de extatische en verheven beeldspraak, inmiddels wat van zich afgeschud had, bevat Tempel en kruis toch ook voldoende voor liefhebbers van retoriek, zoals bijvoorbeeld in “De boot van Dionysos” (p. 29):

de kreet der hanen scheurt het donker van de muren,
het eerste versche bloed springt uit den flank der dag,
en die in ’t donker lag, hoort in zijn laatste droomen
de vlucht der hinden nog, de herten van den nacht.

Dat neemt niet weg dat er fascinerende stukken poëzie in staan, zeker met op de achtergrond – maar dat is achteraf makkelijk gezegd – de voelbare dreiging van de naderende oorlog. Lees verder

Ik die niets toevoegde ~ Hans Faverey

De poëzie van Hans Faverey (1933-1990) is veelal bekend, of misschien wel berucht, om haar veronderstelde moeilijkheid. Ze zou moeilijk toegankelijk zijn – een oordeel dat vooral is gebaseerd op de twee eerste bundels. Er zou iets “procesmatigs” gebeuren in veel gedichten. Het zou allemaal gaan over de dynamiek van verschijnen en verdwijnen, het bezweren van de dood. Men heeft wel het “(auto)reflexieve” karakter van de gedichten gehekeld, het vele gebruik van het wederkerend voornaamwoord “zich”. Deze karakteriseringen zijn grotendeels waar, maar ze doen de poëzie van Faverey ook te kort. Zoals meestal bij poëzie vervalt een thematische aanpak al snel in trivialiteiten: het gaat over de dood en zo. Ons rest maar één weg: terug naar het gedicht.

Zeven jaar na de uitgave van zijn Verzamelde gedichten (1993) verscheen nog een bundeling van nagelaten gedichten onder de sprekende titel Springvossen (2000). Zeven jaar daarna kocht ik de bundel in de ramsj, en nóg eens zeven jaar later vond ik het tijd voor een grondigere lezing van deze gedichten.

Lees verder

“Beetren zijn heengegaan, en met een minder deel” ~ J.C. Bloem

Het regent en het is november [102]*. Ik ken eigenlijk geen dichtregel die het herfstgevoel zo kernachtig uitdrukt. Hier zit alles in. Of denk aan de “blaren” die in de gele grachten vallen, “Weer keert het najaar en het najaarsweer” [87]. Je hoeft de verzamelde gedichten van J.C. Bloem (1887-1966) maar op een willekeurige pagina open te slaan of de herfstgeuren komen je tegemoet. Zodanig dat je verleid bent te denken dat hij wel kampioen herfstdichten moet zijn.

Aan de andere kant kan het geen kwaad om ook deze dichter af en toe tegendraads te lezen, want er staat meer dan er staat. De gedichten van Bloem zijn helemaal niet zo eenduidig herfstig als dat je op het eerste gezicht zou denken.

Lees verder

“De vensters krijgen ogen in het grijze” ~ Gerrit Achterberg

Door langdurige en intieme omgang ga je van een dichter en zijn werk houden. Dat is goed te zien aan mijn exemplaar van de Verzamelde gedichten van Gerrit Achterberg, dat inmiddels door het vele meeslepen en lezen wat sleets is geworden. Het stofomslag hangt er een beetje los omheen en is aan alle kanten beschadigd, er staat een enkele potloodaantekening in. Dit exemplaar is deel van mijn leven, en de gedichten hebben een ereplaats. Ik kon dan ook niet de verleiding weerstaan om kort achter elkaar twee redelijk nieuwe uitgaven van Achterberg in de ramsj te kopen.

Ten eerste de prachtuitgave van Alle gedichten, twee banden in cassette. Met in deel 1 de Verzamelde gedichten, en in deel 2 de Nagelaten gedichten. Daarnaast de speciale uitgave van een van Achterbergs bundels, Spel van de wilde jacht, voorzien van tekeningen van Jan Kuiper, eveneens een juweeltje voor het oog. Lees verder