Aantekeningen uit het ondergrondse

Waar je het het minste verwacht, het spel van het licht: in een donkere kelder, met 4 muren, een dichte deur en maar één, indirect raam dat uitkijkt op een put. Maar op sommige dagen, zonnige dagen, valt er onverwacht veel licht, indirect maar effectief weerkaatsend licht via de put in mijn kelderbibliotheek.

Kijkend naar het zuidwesten.
Westwand, nog zonder de extra kast ervoor.
Even is er geen kunstverlichting nodig om de ruimte van toch bijna 10 meter lengte voldoende in het licht te zetten. Lezen lukt nog niet in elk hoekje (wel vlakbij het bovenlicht), maar alles is vrij scherp zichtbaar.
En het ijsvogeltje zag dat het goed was.
Mijn geliefde lees- en schrijftafel. Even zonder computer.

Een verdwaalde Eco

Ik was weer eens op jacht naar boeken en op een Engelse vertaling van Il Secondo Diario Minimo van de zwaargeleerde en tegelijk lucide Umberto Eco. Wat ik verder ook zou beslissen, How to Travel with a Salmon & Other Essays ging mee naar huis.

Omdat ik er niet helemaal zeker van was of ik dit boek niet ook al in Nederlandse vertaling had (of deels in een bloemlezing uit Eco’s werk), en de titel me erg bekend voorkwam, wilde ik thuis al mijn boeken van Eco even op een rijtje hebben. Normaal vind ik, ongeacht de ordening van dat moment, ca. 90% van de gewenste titels direct, nog eens 9% binnen anderhalve minuut, maar nu werd ik geconfronteerd met de gênante 1% die echt moeilijk vindbaar blijkt op het moment dat je het betreffende boek zoekt. Lees verder

Lezer & bibliofiel – of 2 zielen in 1 borst

De absolute lezer en de volkomen bibliofiel hebben het makkelijk in deze wereld.

De eerste leest alleen: hij hoeft niet alle boeken te hebben die hij leest, en indien wel, dan geeft hij meestal nauwelijks om hun verschijningsvorm. De lelijkste pocket voldoet aan zijn behoeften en ook een eReader of tablet computer gebruikt hij veelal zonder bezwaren. Leesgemak staat voorop. Als hij al verzamelt, dan moet het vooral veel zijn. In principe voldoet elk boekenwandsysteem dat zo efficiënt mogelijk de boeken opslaat – magazijnstellingen zijn zelfs geschikt.

De “donkere” hoek met de lichtgevoelige reeksen

 

De extreme bibliofiel daarentegen is veel meer een estheet, ook met betrekking tot de tastbare dingen in deze wereld. Niet alleen en soms zelfs niet in de eerste plaats is de tekst van belang, maar de manier waarop een boek als tastbaar object (artefact) is vormgegeven. Bibliofielen zijn in de eerste plaats verzamelaars en hebben het opvallend vaak over typografie, boekverzorging, gebonden met stofomslag, bijzondere reeksen, eerste edities, gesigneerd, beperkte oplage, papiersoort en zeldzaamheid. Men zou de indruk kunnen krijgen dat zij niet lezen.

Wie echter lezer én bibliofiel is, draagt twee zielen in zijn borst. Lees verder

Pleidooi voor een bibliotheek voor lezers

Laat ik beginnen met een bekentenis: ik kom al jaren nog maar heel weinig in openbare bibliotheken, een enkele uitzondering daargelaten, en dan nog vooral om mijn kinderen erin wegwijs te maken. Waarom kom ik er zo weinig? Wat staat me tegen? Waarom hou ik er niet van boeken te lenen? Waarom vind ik desondanks openbare bibliotheken belangrijk en wat zouden zij (voor kinderen) moeten zijn? Een pleidooi voor een bibliotheek voor lezers.

Lees verder

Pleidooi voor materialisme

Ik ben een materialist. Doorgaans wordt dat niet echt als een aanprijzing beschouwd. Materialisme betekent in het meest dagelijkse taalgebruik iets als “te veel belang hechten aan materiële zaken, lees geld”. Een materialist is al snel een egoïst, iemand die weinig tot geen oog heeft voor de ideële kant van het bestaan, een money maker met dollartekens in zijn ogen.

Of denk alleen al aan het historisch materialisme: even roemloos ten onder gegaan als de sterk verwante begrippen marxisme, leninisme, communisme en maoïsme. Niet ten onrechte overigens, want tot in de wetenschap aan toe werd het historisch materialisme als een frame aan het denken opgelegd en werd het een zichzelf verklarend verschijnsel vol cirkelredeneringen. En het ging alweer om dat verderfelijke slijk der aarde.

En toch: “materialist” zou ik als een geuzennaam willen hanteren voor het aandacht hebben voor de objecten rondom ons in de wereld, die steeds virtueler wordt: boeken en muziek zijn steeds meer verkrijgbaar op in hoge mate kopieerbare media, waardoor het zijn exclusiviteit als tastbaar object verliest. Welke waarde heeft een stuk muziek als het tussen letterlijk duizende andere stukken muziek staat, gecomprimeerd en wel, op een hard disk van 1 Terabyte? Hoe waardevol is het nu werkelijk als je “een hele bibliotheek” mee op vakantie kunt nemen op je e-reader? Is vakantie nu niet juist de ontsnapping aan die dwingende aanwezigheid van informatie?

Een materialist zoals ik mijzelf zie, houdt van het tastbare: dat wat je kunt aanraken, wat je kunt voelen, ruiken, zien (in de werkelijke betekenis, dus niet een regel op een playlist). Een materialist houdt van dat wat daadwerkelijk ruimte inneemt, een plek voor zichzelf opeist in de 3D ruimte, omdat het er mag zijn. Objecten hebben net als levende wezens (mensen, dieren, planten) recht op bestaan, nu ze er eenmaal zijn. Daarom heb ik ook zo’n hekel aan verspilling, zinloze vernietiging van “dingen”, in de meeste gevallen volstrekt overbodig en alleen maar een uiting van onlust.

Ik moest hieraan denken toen ik “Van wie is de wereld eigenlijk” las, van de filosoof Jaap van Heerden (uit de bundel Wees blij dat het leven geen zin heeft). Daarin wordt ook de rol van de esthetica verdedigd, de leer van het schone. De vaak toch wat zure milieukritiek richt zich meestal op ethische argumenten, maar zou juist vaker zich moeten richten op de esthetische argumenten: “het filosofische idee dat weggeworpen blik onverenigbaar is met de schoonheid van de Matterhorn”. Ook dat heeft te maken juist met respect voor dat wat in de werkelijkheid bestaat, het materiële.

Niet alleen de natuur maar feitelijk alles wat bestaat zou, consequent doorredenerend, “recht van bestaan” hebben, al zijn daar praktisch gezien wel enkele tegenstrijdigheden en complicaties mee gemoeid. “Dit is een gedistingeerd wijsgerig standpunt en in sommig opzicht ook heel redelijk. Als de stelling door iedereen in serieuze overweging genomen zou worden, is een belangrijk winstpunt dat […] onze natuurlijke bereidheid tot vernielen over te gaan, aanzienlijk wordt vertraagd.” (Van Heerden, p. 23).

Het is moreel helemaal geen zonde om te genieten van materiële zaken, zolang ze maar geen fetisj worden. Integendeel, juist het respectvol behandelen van objecten als waren het mensen, zou wel eens ook kunnen leiden tot het minder behandelen van mensen als objecten (in de negatief bedoelde zin). En wie is er ongevoelig voor de geur van een oud boek of de kartonnen hoes van een LP? Wie krijgt geen, al zijn het nog zo vage, nostalgische gevoelens bij het aanschouwen van een bibliotheek vol oude boeken of het opzetten van een grammofoonplaat, die na enkele spatten en tikken een warm en relatief zuiver geluid produceert?

Verzamelaars, met hun menselijke deugden en gebreken, zijn behalve verzamelaars van ervaringen ook hoeders van objecten. Zij kennen meestal heel goed de waarde-op-zichzelf van een object en behandelen het vol respect. Op het moment dat een verzamelaar vol aandacht bezig is met zijn collectie, is hij op zijn onschuldigst, zal er geen kwade gedachte door zijn hoofd spelen, laat staan een misdaad. Alleen de afgunst… dat is een grote valkuil.