Ik ben een bloem

Lezend in Gezelle keer ik terug naar de jaren 1989-1990, toen een intelligente en bevlogen leraar Nederlands een vwo-klas in het eindexamenjaar uitgebreid kennis liet maken met onder andere het werk van Guido Gezelle, de Vlaamse priesterdichter uit de 19e eeuw.

Zoals dat hoort voor een nog onwetend maar ontvankelijk publiek op die leeftijd, werden we door een aantal van diens bekendste gedichten geleid: “Ego flos” (Ik ben een blomme), “’t Er viel ‘ne keer”, “Het Schrijverke” (dat zo mooi poëticale en natuurlijke motieven vervlecht), et cetera.
Lees verder

De valkuilen van de dichter

In 1934 publiceert Menno ter Braak een van zijn bekendste kritieken, onder de titel “Poezie als roes“, waarin hij niet alleen de nieuwe bundels van M. Nijhoff en Jan Engelman bespreekt, maar ook uitvoerig de achterliggende principes van poëzie onderzoekt. Hij schrijft dan onder meer: 

“Waarom zou iemand zijn toevlucht nemen tot de poëzie als het niet was, dat hij er zijn goede redenen voor had zich niet in proza uit te drukken? Over dat feit glippen de poëziecritici ‘van het vak’ echter gewoonlijk met bewonderenswaardige lichtvoetigheid heen;” 

Goede vraag: waarom zou je als schrijver überhaupt je tekst in dichtvorm gieten? Vanwaar die vreemde gewoonte die voor relatief veel wit op pagina zorgt en dus bij uitstek weinig efficiënt is? En vooral: waarin zit hem dat verschil tussen poëzie en proza? Daar hebben mensen allemaal ideeën en beelden bij, en de meeste daarvan kloppen een beetje. 

Het enige echte onderscheid tussen poëzie en proza is uiteindelijk dat bij poëzie de dichter het regeleinde bepaalt en bij proza de bladspiegel. Dat is wat wij leerden in het eerste jaar Nederlands in Nijmegen. Ik vond het wel zo verfrissend: nuchter, zakelijk, objectief. Zodra het om poëzie (of literatuur in het algemeen) gaat, lopen namelijk al snel ‘objectieve’ kenmerken en ‘subjectieve’ waardeoordelen door elkaar. Je stuit dan al snel op opmerkingen als: “maar dat is ook geen (echte) poëzie, dat vind ik geen gedicht”. Daarbij blijft nogal eens onuitgesproken waarop dat oordeel is gebaseerd. Of men komt met veelal (het ontbreken van) bepaalde formele, zichtbare kenmerken: rijm, ‘ritme’ (meestal wordt metrum bedoeld), rijke beeldspraak, gebruik van metaforen of zelfs allegoriëen en personificaties. Of: “Je hoort niet dat het een gedicht is.” Dat wil meestal zeggen dat het gedicht niet of nauwelijks rijmt, dat de zinnen over de regels doorlopen zonder hoorbare stop, etc.  

Anderen concentreren zich op de ‘inhoud’ en vinden dat poëzie vooral ‘diepe gedachten’ moet uitdrukken of dat een gedicht een pregnante expressie moet zijn van ‘gevoel’, bij voorkeur ook nog een edel gevoel, of iets met ‘eenzaamheid’ en zo.  

Uiteindelijk is dat allemaal niet ter zake: een gedicht moet helemaal niets en gelukkig laat de geschiedenis van de poëzie een rijk scala aan vormen, inhouden en opvattingen zien. Door de erfenis van de Romantiek denken sommigen dat een gedicht origineel moet zijn (wat het gek genoeg vaak niet is door het veelvuldige hergebruik van traditionele middelen en terugvallen op bestaande tot cliché geworden beeldspraak) en zijn we vergeten dat er ook zoiets als ‘didactische’ poëzie bestaat, om maar eens een zijweg te noemen. Tot en met de baroktijd deed men over dat soort poëzie veel minder moeilijk, net zomin als over ontlening en hergebruik. 

Waar de meeste mensen het wél over eens zijn, is dat in een gedicht meestal iets speciaals gebeurt met de taal, of beter: in taal. Het feit alleen al dat je zinnen niet gewoon over de bladspiegel laat doorlopen, maar dat je de tekst kunstmatig opdeelt in korte of lange, regelmatige of grillig verlopende regels, soms zelfs met afwijkende, ongebruikelijke of geen interpunctie, geeft aan dat je als schrijver een speciale bedoeling hebt met wat je mededeelt, dat je aan ‘boodschap’ en ‘verpakking’ veel aandacht besteedt, soms zelfs: dat de verpakking zelf de boodschap is, de vorm de inhoud en zo verder. Alleen al het gebruik van dichtregels i.p.v. doorlopend proza is een specifiek statement. Gedichten schrijven heeft iets pontificaals: “kijk dit (of: kijk mij) eens hier, deze tekst vraagt om een apart soort aandacht.” Om diezelfde reden worden veel gedichten, maar lang niet alle, zorgvuldig van opsmuk voorzien: allerlei klankeffecten (rijm, alliteratie, assonantie, metrum), beeldspraak, opvallende inhoudelijke combinaties, waardoor woorden(velden) in een nieuw licht komen te staan. 

Sommige mensen vinden overigens dat een gedicht ‘zo normaal mogelijk’ moet zijn, d.w.z. zo zakelijk en nuchter mogelijk, met eenvoudige woorden, zonder al te veel opsmuk, etc. Maar uiteindelijk is ook dat een vorm van ‘opsmuk’, namelijk die der gewoonheid. Ik moet daarbij altijd een beetje denken aan Oscar Wilde, die ergens opmerkt: “Being natural is simply a pose, and the most irritating pose I know.” 

De taal in een gedicht kan ‘natuurlijk’ of ‘kunstmatig’ aanvoelen, en vaak is het afhankelijk van iemands ‘literatuuropvatting’ hoe hij/zij dat beoordeelt. In de geschiedenis zie je een bijna voortdurende afwisseling van streven naar gewoonheid, nuchterheid, eenvoud aan de ene kant en exuberantie en verheven, breedsprakige, meeslepende taal aan de andere kant. In het laatste geval spreken we ook wel van ‘retoriek’, wat tegenwoordig meestal negatief wordt bedoeld, in de betekenis van ‘bombastisch’. 

Als je dus kijkt naar de taal van de poëzie, dan is een belangrijk onderscheid te maken naar hoe de poëtische taal zich verhoudt t.o.v. ‘alledaags’ en ‘normaal’  taalgebruik. Onder andere de Russische formalisten hebben dit gethematiseerd en verklaard dat poëzie wordt gekenmerkt door een specifiek gebruik van taal, nadrukkelijk afwijkend van ons dagelijkse taalgebruik. In poëtische taal, zo heet het, wordt de poëtische functie van taal voorop gesteld, van waaruit een vervreemdend en de-automatiserend effect zou uitgaan. Maar wat nu als na een periode van veel bombast en exuberantie dichters weer terugkeren naar ‘natuurlijker’ en ‘normaler’ taalgebruik? Dan zijn we feitelijk weer terug bij af. Of is dat zogenaamd natuurlijker taalgebruik op dat moment afwijkend, namelijk t.o.v. wat in de courante poëzie ‘normaal’ is geworden? 

Beide extremen, die ik kortweg als gewoonheid versus exuberantie aanduid, vormen valkuilen voor de dichter. De dichter moet laveren tussen Scylla en Charybdis: nadert hij de gewoonheid te dichtbij, dan is zijn poëzie futloos, te ‘makkelijk’, wordt zij in het beste geval ervaren als ‘onpoëtisch’ en is ze in het slechtste geval ronduit triviaal. Overdrijft de dichter in uitgelatenheid en gedurfde vormen en beelden, dan ligt de beschuldiging van ‘holle retoriek’ of zelfs ‘kitsch’ op de loer. Dichten is een evenwichtskunst. De dichter heeft een zekere koersvastheid nodig om niet verzwolgen te worden.

Les Contes Remois ~ Over deugnieten

Dat het geluk (welbevinden) van een bibliofiel soms ook echt een kwestie van geluk (toeval) is, heb ik onlangs weer eens mogen ervaren. Een plek waar ik zelden kom, niet eens ver van huis. Men verkoopt er allerhande tweedehands goed. Het is er een grote rommel. Daarbij hanteert men gemiddeld vrij hoge prijzen, behalve voor de boeken. Nu was er bovendien 30% korting, wat bij de boeken praktisch gezien neerkwam op een ruime afronding van de prijs naar beneden. Dat laatste besefte ik pas toen ik met een nog bijna hagelnieuwe gebonden Siebelink aan de kassa kwam. Ik rekende af, maar ik ging ook weer terug naar binnen, want ik had een “wel aardig” kunstboekje gezien, dat dan ook nog mee kon. Omdat ook de boeken vrij onoverzichtelijk bij elkaar staan en ook op stapels in dozen en kratten liggen, speurde ik nog een beetje door de kasten en bakken, totdat mijn hart een klein sprongetje maakte (typerende bibliofielen- / verzamelaarsafwijking, doorgaans onschuldig).

 

Tot mijn grote verbazing stuitte ik op een Franstalig werkje, met gedichten en prentjes uit het jaar MDCCCLXIV (1864), getiteld Les Contes Remois. Oftwel: verhalen van Reims, de Noord-Franse plaats waar de auteur leefde en overleed. Deze “Comte de Chevigné”, blijkt Louis de Chevigné (1793-1876) te zijn. De uitgevers van dit boekje waren de gebroeders Michel Levy te Parijs.

Lees verder