Op de valreep van mei

Soms is vrouwe Fortuna ook de bibliofiel goedgezind. Enigszins verveeld struinde ik door een kringloopwinkel die ik wel vaker bezoek. Bij de boeken lag niet echt veel bijzonders op dat moment. De gebruikelijke raven hadden het terrein al afgegraven. Hun sporen waren nog zichtbaar. Maar zie! Een vluchtige blik over de bak met cd’s leverde een aantal interessante vondsten op, die ik – ook liefhebber van klassieke muziek – toch maar snel in mijn mandje stopte.

De grote, vriendelijke reus, zoals altijd uitgerust met ringbaard en artistieke pet, overzag mijn selectie met enige jaloezie: “Het beste heb jij er al uit gehaald.”

Veel mooier nog werd mijn ochtend toen de “vulploeg” met een winkelwagen kwam aanrijden en ik er als eerst een paar heel leuke items uithaalde, nog voordat de andere kapers op de kust een kans kregen – want ze kwamen opeens uit allerlei hoeken opduiken. Met name vanwege het setje uit 1744-1745 (waarover zometeen meer, zie onder nummer 4) moest een gepensioneerde concurrent, die er dag en nacht lijkt de bivakkeren, zich verbijten vanwege mijn rasse schreden.

Wat ik vond? Vier heel leuke items.

1.
[Anonymus], Het avontuur en andere verhalen. – Het Boekenrekske, Mechelen, 1937. – 96p.

Dit boekje / tijdschriftje vond ik alleen al leuk door de, zeker voor die tijd, hypermoderne vormgeving, en dan ook nog Vlaams. De afbeelding op de voorkant doet denken aan een bekende tekenfilmserie uit de jaren ’80 met gehelmde en vliegende helden.

Al zoekende blijkt er verdomd weinig te vinden over dit boekje. Antiqbook en Boekwinkeltjes kennen het niet. Google, Delpher en de KB leveren geen relevante zoekresultaten op. Picarta vermeldt wel 5 boekjes van het Boekenrekske (dank aan Reinder Storm), evenals de bibliotheek van de universiteit van Antwerpen (dank aan Rob van Kan).

Waarschijnlijk betreft het hier om een speciale (jaar- of jubileum-) uitgave van een weekblad met verhalen voor de jeugd (“kinderromans”). Zie hieronder een voorbeeld dat ik na veel zoeken gevonden heb op een online veiling. Links op onderstaande foto staan de eerder verschenen nummers. Enkele van de genoemde titels zijn ook opgenomen in het door mij gevonden boekje op magazine formaat, dat dus een bundeling lijkt.

Dat er zo weinig van overgebleven is, heeft er waarschijnlijk mee te maken dat het om “wegwerplectuur” ging.

2.
A.J. de Bull, Gedichten. – H.A.M. Roelants, Schiedam, 1882. – 1e druk. – 451p. – Met 16 staalgravures naar schilderijen van Hein J. Burgers, L. van Erven Dorens, H. Hollander, Jos. Israëls, D.F. Jamin, H.F.C. ten Kate, Mari ten Kate, H.D. Kruseman van Elten, J. Linse, Ch. Rochussen, J. Br. v. Uberfeldt en J. Vetten.

De dichter A.J. de Bull is niet erg bekend, zijn gedichten zijn ook niet van dermate aard dat we hier een meesterwerk hebben opgediept. Ook is de uitgave niet heel onvindbaar of duur in de markt. Dat neemt niet weg dat de gedichten zeker interessant zijn om te lezen, in het kader van de tijd, zoals de pittige opmerkingen over protestantse vorsten n.a.v. een uitvoering van de grote Bach.

De bandtekening en de erin opgenomen staalgravures maken het bovendien tot een lust voor het oog. Hieronder zijn er twee te zien.

Meer over de dichter en zijn werk is terug te vinden op DBNL, die onovertroffen bron voor Nederlandse taal, literatuur en cultuur.

Ook voor oudere literatuurgeschiedenissen heb ik een zwak, zeker als ze van vóór 1940 zijn. Zo heb ik het uit 7 delen bestaande hoofdwerk van G. Kalff en de beroemde (in de loop van decennia verschenen 7 van de geplande 9) delen onder redactie van F. Baur. Een Duitse literatuurgeschiedenis van dit kaliber had ik nog niet.

3.
Robert Koenig, Deutsche Literaturgeschichte [Herausgegeben und bearbeitet von Professor Dr. Karl Kinzel]. – Velhagen & Klasing, Bielefeld / Leipzig, 1910. – 32e druk. – 382+475p. [2 banden].

Deze literatuurgeschiedenis is verschenen in 2 prachtig versierde, degelijke Duitse banden, de inhoud is grotendeels in Fraktur (“gotisch schrift”) gedrukt. De 1e uitgave verscheen in 1879. Het boek moet populair zijn geweest, aangezien de getoonde set uit 1910 al een 32e (!) druk is. Het werk is niet zeldzaam, maar zelden tref je ze nog zo mooi aan, omdat het ook gebruiksvoorwerpen waren (t.b.v. de studie).

Bijzonder is ook dat de set een cadeautje vormt: de gevers hebbeb individueel hun naam voorin geschreven. Ook het versierde schutblad heeft een fraai patroon, met goud op rood.

Tot slot het setje waar een van de andere kapers mij om benijdde, twee lossen delen Franstalige geschiedenis van het Romeinse Rijk:

4.
M. Rollin, Histoire Romaine: Depuis la fondation de Rome jusqu’a la bataille d’Actium, c’est-à-dire jusqu’à la fin de la République. Revu & rendu complete par Mr. Crevier. – J. Wetstein, Amsterdam, 1744-1745. Twee lossen delen (9 en 11 uit 16): XXXVI+509p. en 482p.. – Met uitvouwbare kaarten.

De boeken zitten nog stevig in de band, die wel wat uitgedroogd en craquelé is, maar voor die leeftijd (275 jaar!) nog erg mooi. De uitvouwbare kaarten (zie ook hieronder) zijn nog zo goed als onaangetast. En aanwezig dus, terwijl er onder ons zijn die, veelal om geldelijk gewin, afbeeldingen en kaarten uit boeken haalt om ze los te verkopen, of dit soort boeken slopen om materiaal te bieden voor het repareren van andere boeken. The horror! The horror!

Als je op de uitgeversnaam Wetstein zoekt, vind je o.a. dit: https://www.dbnl.org/tekst/_boe022199401_01/_boe022199401_01_0033.php …. In dat artikel wordt ook het drukkersmerk (voor de jongeren onder ons: het logo) getoond dat ook in deze boeken staat, en de gevelsteen die nog bewaard wordt. In dat drukkersmerk staat de mooie spreuk: “Terar, dum prosim” (Ik mag verslijten, als ik maar van nut ben). Dat lijkt me een mooi levensmotto.

Dat is nog een interessant gegeven: de meeste uitgaven van dit werk zijn uitgegeven in Parijs, mijn beide delen zijn allebei uit Amsterdam.

Kort samengevat: voor het “offer” van in totaal € 22,50 was ik weer een innig gelukkige mens.

Een schatkamer voor je verjaardag

Bij de moderne boeken lag op het moment niks naar mijn smaak, behalve één studie in de etalage, maar die was wat al te stevig geprijsd.

Toen ik achterin de winkel belandde, zag ik in de kast “oude boeken”, liggend op een plank op schouderhoogte, een wit kaftje, met daarop in balpen geschreven: “Schatkamer der Nederlandsche Dichteren || 1770 | Leijden”. Mijn aanvankelijke landerigheid sloeg meteen om in geanimeerde nieuwsgierigheid.

Achter dit kaftje bleek een boeiend pakketje schuil te gaan van gerepareerde, samengenaaide en vastgelijmde afleveringen van een tijdschrift, waarvan ik nog nooit gehoord had, maar waarvan de titel en de ouderdom mijn hartje sneller deden kloppen.

Het bleek te gaan om 3 maandafleveringen van Schatkamer der Nederlandsche Dichteren, en wel de maanden juli, augustus en september 1770. Op het voorblad van juli staat, met moderne pen aangebracht, een naam en datum van 299 jaar later.

De volledige titel luidt (met | als regelscheidingsteken):

Schatkamer | der |  Nederlandsche | Dichteren | Geöpend door het Genootschap | Onder de Spreuk: | Nut Vermaek | Voor de Maend July des Jaers 1770.

De bundeling werd uitgegeven te Leiden (Leyden) in 1770 bij uitgever C. van Hoogeveen jr. Taalkundig opvallend: de umlaut op de o in “geopend”.

Ik was natuurlijk erg in mijn nopjes, want – zoals het kaftje laat zien – ik mocht het boekje voor 5 euro mee naar huis nemen. Zelfs als je rekening houdt met tegenvallers, het amateuristische vastlijmen, en de enkele vochtvlekken en gebruikssporen van weleer, had ik hier waarschijnlijk toch wat bijzonders bij de hand, dat bovendien een periode van bijna 250 jaar had overbrugd. Het papier verkeert in een betere staat dan wij op die leeftijd ooit uit zullen zien – o ja, ik was vandaag, 1 mei, net 48 geworden.

Thuisgekomen ontdekte ik dat sommige pagina’s met tape wat verstevigd / gerepareerd waren en dat de volgorde van de pagina’s niet klopte. Geheel tegen mijn gewoonte in, maar wel voorzichtig, nam ik een schaar bij de hand en verwijderde het moderne, handbeschreven omslagje (dat waarschijnlijk wel ervoor heeft gezorgd dat deze katernen en pagina’s bij elkaar zijn gebleven).

Toen ik de rug ontbloot had, bleek dat de pagina’s (niet meer alle pagina’s zaten netjes in een katern) tevens ingenaaid waren. Ook dat moderne stiksel heb ik voorzichtig verwijderd, want die vreemde volgorde, met het “voorbericht” ergens midden in aflevering 1 vond ik toch wat al te gortig. Vervolgens heb ik de pagina’s in de goede volgorde gelegd en voorlopig losbladig in een map netjes opgeborgen. Wellicht dat inbinden in een smaakvolle band deze keer toch een goed optie is.

Intussen had ik op Twitter melding gemaakt van mijn vondst, en zie, onze boekenvriend @Perkamentus schoot mij te hulp en attendeerde mij op een beschrijving van het tijdschrift op de digitale Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften (ENT, zie hier). Interessant is dat daar wordt vermeld dat De Schatkamer een uitgave in twee delen is, een gegeven dat ik ook terugvond in de titelbeschrijving van een van de weinige hits op Antiqbook, aangeboden door antiquariaat Goltzius. Dit betreffen overigens delen die uit 1771 en 1775 zijn, terwijl de drie losse afleveringen in mijn bezit uit 1770 zijn! Reden voor verder onderzoek. (Overigens biedt antiquariaat De Refter deel 2 los aan in twee edities uit resp. 1775 en 1777, ook die zou ik wel eens willen zien.)

De bovengenoemde ENT vermeldt ook, dat de aanvankelijk bedoelde maandelijkse opzet waarschijnlijk niet gerealiseerd is. De vraag is ook waardoor mijn setje bij elkaar is gebleven, waarom dit precies 3 opeenvolgende maanden waren, en of dit wellicht een eerste “proefuitgave” was voor wat in 1771 en verder werd uitgegeven, of dat men van plan veranderde en men afzag van de maanduitgaven. Laten we de link van de ENT volgen naar de scan zoals die op Google Books is te zien.

Op de scan is een heel andere titelpagina te zien dan in mijn setje (met de verschillen in de titel hier cursief weergegeven):

Schatkamer | der |  Nederlandsche | Dichteren | Geöpend door een Genootschap | Van Dichtminnaeren, | Onder de Spreuk: | Nut Vermaek | Eerste Deel.

De imprint geeft wel weer dezelfde uitgever en plaats te zien, maar nu met jaartal 1771. Dat is opvallend, want direct daarop volgt, net als in de uitgave van 1770 het Voorbericht aen den Beminnaeren en Begunstigers der Nederduitsche Dichtkunde. Het voorbericht uit juni 1770 lijkt ongewijzigd te zijn overgenomen in de editie van 1771 en heeft een op zichzelf staande paginanummering, van 3 tot en met 8.

Direct erop volgt, in beide edities, het openingsgedicht van Hubert Korneliszoon Poot, getiteld ’s Heilants Hemelvaert, waarbij de paginanummering weer bij 1 start.

Bij een eerste vergelijking lijkt het erop dat tot en met pagina 132 beide uitgaven volledig aan elkaar gelijk zijn, aldus de oorspronkelijke delen van juli, augustus en september 1770 omvattend. In de versie van 1771 volgen dan nog meer dan 150 bladzijden, het laatste paginanummer is 290.

Ook een leuke bijkomstigheid: het voorbericht gebruikt de wat oudere aanduiding “Nederduitsche“dichtkunde, terwijl de titelpagina en de bovenschriften het over Nederlandsche Dichteren hebben. Blijkbaar zit hier ergens de overgang voor de aanduiding van het Nederlands. Merk ook op dat er verschil is tussen ons moderne begrip “kunst” en het begrip “kunde” dat typerend is voor de dichtgenootschappen uit de periode van Verlichting.

Er zijn ook interessante verschillen. De ENT vermeldt bijvoorbeeld, en dat is in het exemplaar van Google Books ook te zien, dat de afleveringen niet als zodanig herkenbaar zijn. Dat is in mijn exemplaar uit 1770 wel het geval. De afleveringen bestrijken rond de 40 pagina’s per keer en beginnen steeds met een titelpagina, steeds het jaar 1770 vermeldend. Is de uitgave uit 1771 een herdruk (met hetzelfde zetsel) of heeft men de exemplaren in plano gebruikt en de titelpagina’s in 1771 weggelaten?

Opvallend is ook dat de maandtitelpagina’s in mijn exemplaar niet in de nummering zijn meegenomen: juli eindigt met pagina 40 en pas de eerste inhoudelijke pagina in augustus is met 41 genummerd, zodat ook bij aanvang al een doorlopend geheel lijkt gepland, wellicht met het oog op inbinding door de eigenaar. Daardoor ontbreekt in de latere editie ook onderstaand bericht aan de lezer:

Een ander opvallend verschil zijn de titelpagina’s in het begin. Het exemplaar dat aan de basis ligt van de beschrijving op ENT bevat een pagina met korte titel (“Schatkamer | der | Nederlandsche | Dichteren.”) en een pagina met een fraaie prent die een tuin afbeeldt, met de muze op de wolken rechtsboven en drie puti op de voorgrond. Deze twee pagina’s ontbreken in mijn editie van 1770. De uitgebreide titelpagina bevat behalve tekstuele verschillen (zie beschrijving boven) ook een andere prent, namelijk een eenvoudige met drie puti, terwijl mijn editie uit 1770 een fraaie prent bevat met een Arcadisch landschap.

Omdat de inhoud van de 132 pagina’s gelijk is aan de online beschikbare versie van 1771, en de ENT er al voldoende over vermeldt, zal ik daar geen nadere bibliografische beschrijving van geven. Het gaat om grotendeels christelijk geïnspireerde gedichten en versjes.

In de galerij hieronder worden nog enkele pagina’s getoond uit de set van 1770. Klik op de foto voor een vergrote weergave.

April is the cruellest month

Aankopen in april 2019

Soms schrik je een beetje van jezelf, van je bereidheid om altijd maar je portemonnee te trekken en vervolgens boeken mee te sjouwen naar je mancave.

Daar staat tegenover: geen andere exuberante hobby’s, geen dure auto, geen motor, geen boot, geen frequent café- of restaurantbezoek, slechts één vrouw (maar natuurlijk wel 5 dochters), geen geldverslindende sport (alleen een paar hardloopschoenen), geen tabaksgebruik, geen drugsgebruik, matig met alcohol, zuinig en effectief met de boodschappen, kortom een vrij braaf en overzichtelijk leven.

Mijn rechtvaardiging, zo ongeveer.

De oogst is zichtbaar op de foto’s. Wat Nederlandse en vertaalde literatuur, met name een paar mooie deeltjes ‘verzamelde werken’ en/of uit reeksen (Privé Domein, Russische Bibliotheek), wat filosofie, wat Amerikanistiek (geschiedenis en literatuur), iets met heiligen en universiteiten, een paar oudjes (waarover ik onlangs uitgebreider schreef).

Een deeltje uit de van lelijkheid mooie paperback-serie AmstelKlassiek. Het uiterst boeiende boek over Nederlandse boekenwereld in de Gouden Eeuw.

Kortom, de kern van mijn handicap: willen kunnen lezen over de volle breedte. Niet afhankelijk willen zijn van de beschikbaarheid in openbare bibliotheken. Niet goed kunnen kiezen ook, maar tegelijk het toeval een grote rol te geven (naar wat men tegenkomt op zijn pad). Het eigen tekort maar al te goed beseffen, en daar af en toe in te berusten.

Respect voor de oudjes

Soms ligt of staat er een zielig deel alleen. Je weet van jezelf dat je van losse delen jeuk krijgt op onbereikbare plekken. Die serie gaat nooit compleet bij elkaar komen, zeker niet bij zulke oude boeken. Maar toch… In het wekelijkse rondje langs een van mijn favoriete adressen raak ik weer in verleiding.

Dat zielige deeltje, rechts op bovenstaande foto, is deel 5, “tôme cinquième”, uit de Oeuvres de Sainte Thérèse, uitgegeven in 1818 te Lyon bij uitgeverij Fr. Matheron. Een boek van 200 jaar oud, nog feitelijk in zeer goede conditie, met maar een enkel sleets plekje op de band.

Het boek bevat een Franse vertaling van Castillo interior, o Las moradas (oorspr. 1577) van Thérésa van Avila, getiteld Le chateau de l’ame (inderdaad, zonder accenttekens) en van Conceptos del amor de Dios (oorspr. 1566-1574), hier vertaald als Pensées sur l’amour de Dieu. Het eerstgenoemde werk is verdeeld in 17 zogenoemde “demeures” (woningen), wat een vertaling is van de alternatieve titel “moradas”. Dat doet overigens denken aan Johannes 14:2 – “In het huis mijns vaders zijn vele woningen.” Het kasteel van de ziel weerspiegelt dat beeld.

Het papier is nog van de degelijke kwaliteit uit de vroege 19e eeuw. Het kleine handzame formaat herbergt 443 pagina’s, die nog stevig in de band zitten. Kortom een tekst en een uitgave waar veel aan te ontdekken valt.

Het tweede boek, links op de bovenste foto, is mogelijk nog interessanter. Het is weliswaar wat jonger (1845) dan het eerste boek en al van iets moderner papier, zowel onderwerp als vormgeving trekken meteen mijn aandacht.

Het gaat om Recherches et dissertations sur l’histoire de la principauté de Liége, la translation du siége épiscopal de Tongres dans la cité de Liège. Et sur les émeutes, les discordes civiles et les élections populaires des Liégois pendant les 15e, 16e, et 17e siècles  (Onderzoekingen en verhandelingen over de geschiedenis van het prinsdom Luik, de overbrenging van de bisschoppelijke zetel van Tongeren naar Luik. En over de beroeringen, de tweedracht onder burgers en de volksstemmingen van de Luikenaren gedurende de 15e, 16e en 17e eeuw). Het boek is uitgegeven bij H. Dessain te Luik. Aardig in dit verband is de vestiging van de uitgever/boekhandel op het (in Luik centraal gelegen) Lambertusplein, genoemd naar de Heilige Lambertus van Maastricht (ook: van Luik).

De foto hierboven toont het oorspronkelijk papieren kaftje, dat is meegebonden in de contemporaine Franse band met ribben. Net als het vorige boek zijn de schutbladen fraai gemarmerd.

Het dikke boek van ruim 600 bladzijden behandelt de geschiedenis van Luik, en met name de kerkelijke en politieke ontwikkelingen in de late middeleeuwen en vroeg-moderne tijd. De auteur is Louis Marie Guillaume Joseph de Crassier (1772-1851), afkomstig uit een adellijk geslacht.

De Crassier was “historien et numismate”, historicus (waarvan dit boek ook getuigt) en muntdeskundige. De familie had er heel wat verzamelaars en bibliofielen tussen zitten. De oorsprong van de familie ligt in de zuidelijke Nederlanden, met name Maastricht. De Belgische tak concentreert zich rondom Luik, waar ook de auteur van het boek is geboren.

Wat nog aardig is te vermelden is dat Jean-Frédéric Guillaume Joseph de Crassier (1759-1841), getrouwd met Marie Kerens (1769-1854) en overleden te Meerssen (nabij Maastricht) de grote gebeurtenissen van de Franse Revolutie, de Napoleontische tijd, het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de opsplitsing daarvan in Nederland en België meemaakte. Bij de afscheiding van België kozen het echtpaar en hun twee dochters voor de Nederlandse nationaliteit, hun twee zoons voor de Belgische nationaliteit. Hoe grenzen door een gezin kunnen lopen! Overigens kozen meer mensen uit de Maastrichtse elite toentertijd bewust voor de Belgische nationaliteit en verhuisden ze naar een van de nabijgelegen Belgische woonplaatsen.

Ook over dit boek en de achtergrond ervan valt nog veel meer te zeggen. Eerst nog maar eens grondig van A tot Z lezen…

Augustinus en Carthago veneris

Boeken uit de eerste helft van de 20e eeuw vallen vaak op door hun fraaie typografie en vooral ook de (stempel)banden. Op het moment dat ze niet heel zeldzaam zijn, zijn deze boeken voor enkele euro’s tot enkele tientjes toe te voegen aan je bibliotheek, zoals onderstaand fraaie boek over de kerkvader Augustinus.

Louis Bertrand, Sint Augustinus. Geautoriseerde vertaling. Vertaald uit het Frans door Frans J. Wahlen, uitgegeven bij W.L. & J. Brusse, Rotterdam, 1930. 2e, verbeterde druk – gebonden, XXII+336p.

Los van wat je standpunt is in religieuze zaken, is dit een boeiende levensbeschrijving (‘géén “heiligenleven” naar ouden trant’, aldus het ‘woord vooraf van den vertaler’), die bovendien heel fraai is uitgegeven. De taal van het boek is literair, smeuïg, sappig.

“Ik kwam te Carthago, en overal omraasde mij het gekook van misdadige minnarijen.” (p. 55)

Boekband inclusief versierde rug

Behalve de fraaie bandtekening bevat het boek ook mooie houtsneden van de hand van J. Franken Pzn., waarvan er hieronder enkele getoond worden (klik op de betreffende afbeelding voor een grotere weergave).

Daarnaast geeft de manier waarop de tweekleurendruk in rood en zwart is uitgewerkt het boek extra karakter, zoals hieronder te zien is aan de titelpagina.

Met veel gevoel voor detail, hoewel zonder expliciete wetenschappelijke verantwoording, roept Bertrand in bonte kleuren Augustinus en zijn wereld op. Je merkt een zeker welbehagen in de uitgebreide beschrijvingen van de Umwelt uit die tijd. Tegenstellingen worden extra dik aangezet:

“Dit boschrijke Numidië, met zijn waterstroomen, zijn prairies, waarin vette koeien grazen, verschilt zooveel ‘t ook maar mogelijk is van dat andere Numidië, van Sétif, een onmetelijke desolate vlakte, met hier en daar slechts een enkel armzalig hutje op een graanveld; waar zandsteppen in eentonige op en neer deiningen uitrollen tot tegen het wazige massief der Atlas-gebergten, dat den horizon afsluit.” (p. 4)

Tussen twee haakjes: dit bloemrijke taalgebruik maakt ook nieuwsgierig naar de oorspronkelijke Franse tekst. Het boek laat zich dan ook meer als een historische avonturenroman lezen, allerlei retorische strategieën worden ingezet om het spannender te maken. Het doet me denken aan de geschiedenisboeken van vroeger voor de jeugd, waarin het verleden als een spannend verhaal werd verteld.

Jan Engelman ~ 2

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, dat bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.

Context

De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redac­teur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijd­schrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, op­richt­te. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bij­voor­beeld van Albert Kuyle en Henk Kuiten­brouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.

Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma

Engelman werkt in deze jaren veelvuldig mee aan andere tijdschriften, zelfs aan het “heiden­se” Forum, waarvoor hij in De Nieuwe Eeuw, waar hij dan al jaren redacteur Kunst en Letteren is, grote sympathie betuigt: “Overigens is Forum op dit oogenblik misschien het meest levende en interessante tijdschrift.” (De Nieuwe Eeuw 7 april 1932, p. 876). In De Nieuwe Eeuw van 12 mei 1932 (p. 1038) krijgt Forum wederom ruim aandacht van Engelman. Dat was tegen het zere been van veel katholieke schrijvers en critici. Zelfs Van Duinkerken stond hem hierin niet bij: “Tusschen De Nieuwe Eeuw en De Gemeen­schap wordt, met toenemende helder­heid, een meeningsver­schil opge­merkt betreffen­de de beteekenis van het maandblad Forum.” Zijn bezwaar tegen Forum is vooral dat het vitalisme van het blad willekeurig is en geen “richting” heeft. Over het levensbeschouwelijke uitgangspunt waartegen hij in verzet komt, laat Van Duinkerken ook hier geen twijfel bestaan: “Er staan in Forum gedurig bijdragen, wier beginse­len over de levens­kunst, wanneer zij juist waren, alle leven voor altijd onmogelijk zouden maken.” (De Gemeenschap oktober 1933, pp. 482-490).

In Forum worden (ondanks eerdere spotverzen van Menno ter Braak over Engelman) ook gedichten van Jan Engelman opgenomen: Ambrosi­a en Verwach­ting van Paschen, en een artikel over de kunstenaar Pyke Koch. Ook De Gids, De Vrije Bladen, Helikon en de letter­kundi­ge almanak Erts nemen bijdragen van Engelman op. Door zijn tussenposi­tie komt Engelman tussen twee vuren te staan. Van de kant van de katholieken krijgt hij kritiek op zijn estheticis­me, waaraan hij de katholieke belangen opoffert, en zijn sympathie voor en banden met de “heidenen”. “Vanuit het paga­nis­tische kamp wordt Engel­man echter verweten dat hij in zijn kritieken oordeelt vanuit een religieuze vooringe­nomen­heid.” (Bijvoet et al., De Gemeenschap, ‘s-Gravenhage, 1986 – Schrijversprentenboek 24). Daarover had Engelman al een pittige debatje gevoerd met Ter Braak aan het eind van de jaren twintig, in De Vrije Bladen.

Drukgeschiedenis en vormgeving

Aan het eind van 1932 brengt Engelman zijn gedichten, die her en der over de tijdschriften verspreid zijn gepubliceerd, bij elkaar in wat zijn meest bekende bundel is geworden, Tuin van Eros.

Tuin van Eros wordt net als Sine Nomine in een beperk­te oplage uitgege­ven, deze keer door “Cen­tum Nec Plura” (lees: Charles Nypels Pers) te Am­sterdam. Het is een zeer mooie uitgave, gebonden in rood en typogra­fisch goed verzorgd in “een letter van Cochin” gedrukt door Charles Nypels in een oplage van honderd exemplaren bestemd voor de handel en nog eens vijfentwintig “gereser­veerd voor den schrijver”.

Links inhoudsopgave (tweede deel), rechts het colofon.

Het colofon vermeldt verder dat deze bunde­ling negen gedich­ten bevat uit Sine Nomine. Welke dit zijn, wordt er niet bij gezegd en ook in de Verza­melde gedichten (1960, 2e druk: 1972) wordt hierover geen uitsluitsel gegeven. Vergelijking van de edities leert dat het gaat om de volgende gedichten: Hero’s Epi­tap­he, Ver­dre­ven Oog­en (= Het Grens­land II in Sine Nomine), Zacht bran­den (= Het Grens­land IV), Hij daal­de slui­me­rend (= Het Grens­land V), Adieu, Over het gras, Door­reis, en twee van de muzikale gedich­ten: En Rade en Vera Janaco­poulos. Typerend is ook dat dat andere ritmische gedicht uit die eerdere bundel, Arne Borg, wordt weggelaten. Wellicht paste dat toch te weinig in de thematiek van de nieuwe bundel.

De bundel, die is opgedragen “Aan Ambrosia”, Engelmans persoonlij­ke muze, is overigens niet in 1932 op de markt verschenen, zoals het titel­blad ver­meldt, maar in 1933. Bij het drukken zat men net op de jaargrens. Dat verklaart de twee verschillen­de jaartal­len in publicaties over Tuin van Eros.

Een van de pentekeningen van Wiegersma, tegenover de titelpagina van Tuin van Eros (1932)

De eroti­sche pentekenin­gen in de bundel zijn van Henk Wie­ger­sma, de beeldende kunste­naar wiens werk door Engelman verschillende keren is bespro­ken, o.a. in De Gemeenschap jrg. 2 (1926) nr. 11 (november), pp. 325-328 en jrg. 4 (1928) nr. 5 (mei), pp. 195-196; en in: Jan Engelman, Torso (1930). Het zijn deze illustraties die voor sommige critici het “vunzige” karakter van de bundel nog eens hebben bena­drukt. De tekeningen zijn niet meer aanwe­zig in latere uitgaven.

Voor Tuin van Eros krijgt Engelman, die inmiddels veelvuldig wordt besproken, zowel binnen als buiten katholieke zuil, in 1934 de Meiprijs voor Poëzie van de Maat­schappij der Nederlandse Letterkunde. (De schrijver A. den Dool­aard, met wie hij de prijs moet delen, weigert zijn deel.) Bij uitgever Querido wordt dan een handels­editie van Engel­mans gedich­ten uitgege­ven, Tuin van Eros en andere gedichten, waarin ook enkele gedich­ten uit Het Roosven­ster en nog een aantal uit Sine Nomine worden opge­nomen, omdat de beide dichtbundels net als de bibliofiele Tuin van Eros zijn uitver­kocht. (Zie hierover o.a. Jan Engelman, Verzamelde gedichten, p. 222; A.L. Sötemann, Querido van 1915 tot 1990: Een uitgeverij, p. 79.; Zie voor een toelichting op de Mei-prijs vooral Jan H. Cartens, Orpheus en het lam, p. 82 noot 6.)

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934. Het “en andere gedichten” staat niet op de band, wel op de titelpagina.

Tuin van Eros en andere gedichten uit 1934 is te beschouwen als een soort voortijdig “verzameld werk”, waarin enkele jeugdzonden zijn weggelaten, maar anderzijds wel nog een aantal van die vroege verzen worden opgehaald, een beetje vergelijkbaar met wat Marsman enkele jaren later deed met zijn Verzamelde Gedichten.

De handelseditie bij Querido is minder exclusief qua vormgeving dan die eerste druk van Nypels, maar typografie en band zijn nog steeds erg fraai. Zie alleen al hierboven de speciale manier waarop bepaalde letters op het voorplat zijn uitgerekt.

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934 – titelpagina.

De bundel is opgebouwd uit drie delen. In Vroege verzen staan de expres­sio­nistische gedichten; Aan den Oever bevat vooral de gedichten uit (de tweede afdeling van) Sine Nomine. De laatste afdeling, die de kern uitmaakt van de bundel en dezelfde naam draagt als de gehele bundel, bevat de gehele Tuin van Eros uit 1932/1933, uitge­breid met nieuwe gedichten als Envoy, Wolken, het kluch­ti­ge Diable­rie, het sterk romanti­sche Meimor­gen in Limburg en Panta Rei (inderdaad, “rei” zonder h, althans in deze druk).

Er is ook een gedicht, ten opzichte van 1932, wegge­la­ten: het vier-regeli­ge Conflict, dat vooral binnen de kring van De Nieuwe Gemeen­schap (juli-augustus 1934, p. 424) voor veel ophef heeft gezorgd:

Uit: Jan Engelman, Tuin van Eros, 1932.

Dat erotische beschrijvingen in literatuur en poëzie hachelijk zijn, is met deze regels ook meteen aangetoond, omdat de beeldspraak snel lachwekkend kan worden. Bij “schenkel” denken wij toch vooral aan de slager. Maar het openlijk praten over (in dit geval falende) seksualiteit was anno 1932 nog niet zo en vogue.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 11e druk (1947).

In latere drukken, die weer gewoon Tuin van Eros heten (dus zonder de toevoe­ging “en andere gedich­ten“), zijn de eerste en tweede afdeling uit de verzameleditie van 1934 weer weggela­ten. De aan het einde toegevoegde ge­dich­ten zijn wèl gehandhaafd. De opbouw is nagenoeg gelijk aan die van 1932: de bundel begint wederom met het lange gedicht In den tuin.

In die opzet verscheen in 1938 een gekarton­neerde goedkope herdruk (= 3e druk) in klein formaat. In 1946 verscheen de tiende, in 1947 de elfde druk en in 1956 de twaalfde druk. Het is dus na de eerste uitgave vrij snel tot een aantal herdruk­ken gekomen. Na de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de Vijftigers, verdwijnt Engelman als dichter al snel naar de achtergrond.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 12e druk (1956).

De eerste druk van Engel­mans Verza­melde gedichten uit 1960 vormt voor Tuin van Eros de dertiende druk. Al deze laatste uitgaven zijn bij Querido te Amsterdam verschenen.

De gedichten uit Tuin van Eros

In Tuin van Eros staan de gedichten die hun sfeer ontlenen aan een synthese tussen Helleense aardse schoonheid en pla­toons-christelijke idealen. Een typerend gedicht is wat dat betreft het openingsgedicht In den tuin, dat een soort van ouvertu­re vormt op de gehele bundel, waarin onder meer de herinnering van de schepping aan de orde komt:

Ver op den heuvel blinkt het licht
van mijn oorspronkelijk gezicht,
dat mij vervoert en mij verwart:
het oerbegin, het wereldhart.

Wat dit oerbegin inhoudt, en waar het Engelman uiteindelijk om lijkt te gaan (door alle erotiek heen), laat hij doorschemeren in een andere strofe van dit gedicht:

Wie onuitspreeklijk heeft bemind,
wie zoekt tot hij zijn oerglans vindt,
raakt op den grooten stroom eens vlot
en aan den horizon is God.

De tuin van Eros is ook de tuin van Eden, waar het liefhebben schuldeloos is. Het gedicht roept verder talloze reminiscenties op aan de aanbidding van het Lam Gods uit de Apocalyps. Engelman had eerder al een belang­rijk opstel over De Aanbid­ding van het Lam van de gebroeders Van Eyck gepubliceerd in De Gemeen­schap (in 1930 opgenomen in zijn boek Torso). Dit apoca­lyptisch motief moet grote indruk op Engel­man hebben ge­maakt, aangezien het in dit gedicht, maar ook in andere gedichten van Tuin van Eros een belang­rijke ondertoon van de erotiek vormt.

Begin van het openingsgedicht uit Tuin van Eros, “In den tuin”

Over de intenties van een dichter kan slechts gespecu­leerd worden, en in het geval van Engelman is er wat voor te zeggen dat zijn katholicisme vaak slechts een literaire voedings­bron is, maar dat Engelmans poëzie níet doordrongen zou zijn van chris­telijke motie­ven, is ─ wanneer men zich baseert op de gedichten zelf ─ eenvoudig niet hard te maken. Het is de criticus D.A.M. Binnendijk geweest, die dit als een van de eersten (en een van de weinigen, behalve Vestdijk) gezien heeft: “Een op deze wijze genuan­ceerd geloof leidt de aandacht af van de sociale en moreele conflicten en van de evangeli­sche eisen van menschen­min en naastenliefde naar de apocalyptische zijde van het Christendom, naar de visionnaire, mystische en extatische kansen, welke dit geloof evenzeer biedt” (De groene Amsterdammer 29 mei 1937, p. 8).

Fragment uit het openingsgedicht van Tuin van Eros, “In den tuin”

Dat de erotiek desalniettemin een overheersende rol speelt, hebben de critici goed begrepen. Een gedicht als Nachtwake laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

O bleeke heup op bed gevonden
als horizon en heuvelkam,
o borsten, zachter neergewonden
dan donzen vogels, vleugellam ─

Voor tijdschriften als De Nieuwe Gemeenschap (dat zich in 1934 had afgesplitst van De Gemeenschap) zal dit een steen des aanstoots zijn, evenals de regel “Zachte maîtressen die mijn hart verheugt” uit het gedicht Madri­gaal.

“Madrigaal”, uit: Jan Engelman, Tuin van Eros (1932).

Het is met name de poëzie uit Tuin van Eros waardoor Engelman het etiket “musisch dichter” krijgt opgeplakt. Doordat hij nadrukke­lijk afstand nam van zijn vroege, wijdlopige en barokke poëzie, heeft Engelman dit beeld zelf nog eens versterkt. Zijn voorkeur voor fijnzinnig woordspel en muzikaliteit komt in de meeste ge­dichten uit Tuin van Eros naar voren.

Het psychologische element van zijn poëzie is uiterst roman­tisch te noemen: het verlangen naar veraf gelegen werelden, naar het bovennatuur­lijke en elysische, de gespleten­heid ten gevolge daarvan (omdat het aardse zo verleidelijk is), en het onbekommerd willen uitzingen van het eigen lied, dat in feite het uiterst roman­tische credo behelst dat een dichter zijn gemoed moet uitspreken in zijn gedichten. Een duidelijk voor­beeld daarvan is te vinden in het gedicht Hart en lied:

Uit doem en uit ellende
rijst soms het rankste lied,
waar ik mij keer of wende,
mijn hart zingt als het riet.

Het zijn regels als deze die sommige critici doen denken aan Gezelle of Gorter. Wie in Engelmans bundels bladert, valt op hoeveel gedichten met muziek te maken hebben, wat vaak al in de titel tot uiting komt. Aller­eerst natuurlijk het bekende gedicht geïnspireerd door een Griekse zangeres, Vera Janacopoulos, dat bovendien de onderti­tel “cantilene” heeft, een genre-aanduiding uit de muziek.

Dit gedicht wordt nog wel in schoolboeken gebruikt als sprekend voorbeeld van poésie pure, een klankgedicht (ondanks dat Vestdijk in de jaren ’40 al lang heeft aangetoond dat de betekenis van de gebruikte woorden er wel degelijk toe doet bij het oproepen van de sfeer van het gedicht). Het is Engelmans bekendste gedicht.

En Rade, evenals het vorige gedicht al in Sine Nomine te vinden, heeft als ondertitel: “vocalise voor Cavalcanti”. Ook dit gedicht wordt nog wel eens geciteerd in literatuurgeschiedenissen en (school)bloemlezingen.

Alberto de Cavalcanti was cineast, vooral bekend om zijn avantgardistische films in de jaren twintig. Het gedicht van Engelman is geschreven naar aanleiding van En Rade. In deze film komen ook beelden voor van een haven, die heimwee oproept naar de verte (wat ook in Engelmans gedicht tot uitdrukking komt); op balen staan de namen van plaatsen elders op de wereld (en ook deze namen heeft Engelman overgenomen).

In de verschil­lende edities van Tuin van Eros en in Het bezegeld hart wordt het aantal gedichten dat refereert aan de muziek aanzienlijk uitgebreid: “Wo die schönen Trompeten blasen”, Madrigaal, Hart en lied, Klein Air, Melodie des Herzens, het `ostinato’ Wolken, Tijdzang, Het Andere Lied, en Aandachtig Lied.

Een van de mooiste gedichten uit Tuin van Eros, we kwamen het al tegen bij de behandeling van Sine Nomine (1930) vind ik persoonlijk nog altijd “Zacht branden”.

Als ergens mystiek en erotiek op een elegante, beknopte en niet-leerstellige manier in schoonheid samengaan, dan hier, weerspiegeld in de vele (maar naar mijn smaak niet hinderlijk op de voorgrond tredende) assonanties, alliteraties en metrische bijzonderheden. Wie ben jij, met wie ik zo verkeer? De prille keel is nog op het randje (gezien Engelmans soms uit de bocht schietende lichamelijke beeldspraak – denk aan de eerder geciteerde schenkel), maar verbindt dit gedicht ook met de cantilenes en vocalises uit de bundel.

Tot de mooie gedichten die vanaf de editie van 1934 zijn toegevoegd behoren “Meimorgen in Limburg”, “Klein Air” en vooral “Annabel”, waaruit blijkt wat Engelmans grootste (en tegelijk beperkte) dichterlijke talent was: het lyrische, het zangerige, het muzisch geïnspireerde korte gedicht.

Tuin van Eros is wel het hoogtepunt in het dichterschap van Jan Engelman. In een volgende aflevering laten we nog enkele bijzonderheden zien uit de periode 1936-1941, zoals het fascinerende gelegenheidsgedicht “De dijk”, dat Engelman schreef n.a.v. een AVRO-prijsvraag.


Jan Engelman ~ 1

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). Eén ding kreeg ik al gauw in de gaten: het verzamelen van Engelman was niet alleen leuk om je studie-object zo compleet mogelijk in huis te hebben, maar ook op het gebied van drukgeschiedenis, typografie en boekverzorging valt er aan Engelmans werk veel te beleven. In een aantal afleveringen laat ik de dichtbundels van 1927-1940 de revue passeren. Hieronder de eerste aflevering: over het debuut uit 1927 en de wonderlijk mooie bundel Sine Nomine (1930).

1927: het debuut

Jan Engelman kwam voort uit de groep die men wel is gaan aanduiden als de jong-katholieken, die aanvankelijk deels rondom het tijdschrift Roeping waren georganiseerd (zoals iedereen zich organiseerde naar gezindte in het verzuilde Nederland). Ontevreden jonge katholieke schrijvers keerden zich tegen de tendens in Roeping om kunst en literatuur eenzijdig ethisch-religieus te benaderen: schoonheid is dat wat tot God leidt en de kunstenaar moet in zijn kunst vooral zijn geloof belijden.

Engelman heeft in Roeping ook enkele gedichten gepubliceerd, maar al spoedig, in 1925, richtte hij samen met enkele andere ‘jongeren’ een nieuw tijdschrift op, De Gemeenschap. In het tijdschrift publiceerde Engelman weer gedichten, maar ook beschouwingen over literatuur en kunst.

In 1927 bundelde Engelman een aantal van zijn eerste gedichten in Het Roosvenster.

Jan Engelman, Het roosvenster. Stenfert Kroese & Van Der Zande, Arnhem, 1927. 1e druk – paperback, 15p. – gedrukt bij drukkerij Boosten & Stols, crème papieren omslag, rood uitgeversembleem.

Het is een dun bundeltje en geeft een heel ander beeld dan we bij Engelman hebben: de gedichten zijn langer dan zijn latere, meer lyrische poëzie en vertonen behoorlijk lange regels, zoals in het gedicht “De geboorte”.

Toen de verschroeide samoen over de aarde was gegaan ─
heuvelen lagen zwart gebrand en de steden verdord als gemartelde monden,
de syrinx der vertwijfeling gilde van horizont tot horizont
en de laatste chimaera grijnsde krankzinnig op het trillende zand,
een mensch sloeg zijn nagels aan de aarde
die stom bleef ─
toen de visschen scholen in de diep-zee,
de wilde dieren met bevende neusgaten in de ravijnen,
toen de groote stilte nabij was

De toon is verheven, breedsprakig en vol van wat men wel het humanistisch expressionisme is gaan noemen, met een terugblik naar de voorbije, verschrikkelijke Grote Oorlog, die aan veel illusies een einde maakte. Op sommige plaatsen doet het gedicht echt verouderd aan of wordt de beeldspraak overdreven ─ iets wat critici Engelman wel vaker verweten hebben:

Al moesten wij de poorten breken van duizend forteressen,
al moesten wij kruipen onder huilende granaten der slagvelden,
al moesten wij dalen in grafkelders
en wroeten in de zwijgende kluizen der banken, waar het valsche goud blinkt,
met doorschoten vlaggen staan op barricaden
en proeven het zure brood der gevangenen

In dit fragment klinkt zelfs een revolutionaire toon door, maar toch moet dit eerder gezien worden als een uiting van jeugdig enthousiasme (zoals dat later ook in het gedicht The Flying Fool naar voren komt), gecombi­neerd met de barokke beeld­spraak die is ontleend aan het humanitaire ex­pressionis­me.

Critici waren over het algemeen niet erg positief over deze bundel. Opvallend is wel dat er al heel wat besprekingen aan gewijd zijn.

Qua boekverzorging en typografie viel er nog niet zoveel te beleven aan dit debuut, maar dat veranderde snel met de volgende bundel.

1930: Sine Nomine

In de jaargangen 1928 en 1929 publiceert Engelman in De Ge­meenschap, maar ook elders, de gedichten die in zijn tweede bundel Sine Nomine (1930) terecht zullen komen. In De Gemeenschap zijn dit vooral de bekend geworden klankgedichten Vera Janaco­poulos en Arne Borg, en de gedichten Over het gras en Met Jeanne d’Arc op Kerstmis. Het aantal bijdragen van Engelman aan De Gemeen­schap neemt in deze jaren af. Engelman blijkt ook met andere, veelal niet-katholieke tijd­schrif­ten vriendschap­pelijke banden te onderhouden. Zo wordt in het meer algeme­ne podium De Vrije Bladen in 1927 zijn gedicht October opgeno­men. Een ander gedicht, Amenop­his IV, verschijnt in 1928 in het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en Maria te Canne in De Gids van 1929. Engelman is een van de weinigen binnen het verzuilde literaire leven die zich zó vrij beweegt buiten de eigen groep.

Toon en ritme – er zit iets strakgecomponeerds in de ogenschijnlijk wat grillige vorm – geven dit gedicht zijn dwingend poëtisch karakter, al doet het in de verte inhoudelijk een beetje aan “Cheops” denken van J.H. Leopold.

In 1929 wordt ook Anton van Duinkerken in de redactie van De Gemeen­schap opgeno­men; hij raakt goed bevriend met Engelman. Ondanks het stempel dat Van Duinkerken vanaf het begin op het blad drukt, is het tij echter niet meer te keren: Engel­man en De Gemeen­schap raken geleide­lijk steeds verder van elkaar verwij­derd. In 1928 en 1929 zijn nog enkele belangrijke opstellen van zijn hand te vinden: over de beeldende kunste­naars Henk Wiegersma en Henri Jonas, over de dichters Karel van de Woes­tijne, Erich Wichman en over de criticus Gerard Bruning. In 1930 is vooral het opstel over het tijdschrift Leiding van P.N. van Eyck van belang, die op zijn beurt een bespreking wijdt aan De Gemeenschap en een aan Sine Nomine van Engelman.

In 1930 lopen de conflicten over de koers van het blad tussen de redacteuren hoog op, tussen Engelman en Van Duinkerken enerzijds en Henk Kuitenbrou­wer en Albert Kuyle (= Louis Kuitenbrou­wer) anderzijds. Met name Kuyle heeft steeds meer kritiek op Engelman, ook als persoon, en op diens leefwijze, die in de ogen van Kuyle losban­dig is. Eind 1930 verlaat Engelman de redactie van De Gemeenschap. Albert Kuyle, die tot dan toe slechts mede­wer­ker en redactie­secretaris is geweest, neemt dan zitting in de redactie.

Ondertussen is Engelmans ster rijzende aan het firmament van de Nederlandse literatuur. Zijn klankge­dichten, waaronder Vera Janacopoulos wel het meest, worden natio­naal bekend en roepen zowel positieve als nega­tieve reacties op. In 1930 ver­schijnt ─ nog bij uitgeverij De Ge­meen­schap (gelieerd aan het tijdschrift) ─ Engel­mans tweede bundel, Sine Nomine. Het is een luxe uitgave, in een kleine oplage gedrukt door de bekende Maastrichtse typograaf Charles Nypels.

Jan Engelman, Sine Nomine. De Gemeenschap, Utrecht, 1930. 1e druk – gebonden, 49p.

In deze bundel vinden we nog wel enkele langere, aan het expressionisme en vitalisme herinnerende gedichten zoals “The Flying Fool”, waarin wat modieus de vliegende avonturier Charles Lindbergh wordt verafgood: “Een nieuwe jeugd ging opwaarts in zijn Ster.” Engelman noemt hem o.a. de “ijlbode onzer nostalgie”. Het is duidelijk dat hij experimenteerde met vorm en inhoud en nog zijn weg moest vinden.

The Flying Fool (fragment)

Lindbergh is de drager van het olympische vuur, hij heeft een grootse prestatie geleverd, die model staat voor en symbool is van het nieuwe elan van na de Eerste Wereldoorlog. Tegelijkertijd is het een aansporing voor de jong-katholieken. Met recht kan gezegd worden dat dit gedicht, zoals meer gedichten in de eerste afdeling van Sine Nomine, aansluit bij de vitalisti­sche gedichten uit Het Roosvenster. Gedurende de bundel is een geleide­lijke overgang waar te nemen naar een meer individualisti­sche en hellenis­tische sfeer, wat blijkt uit de aanwezigheid van een aantal typeren­de kenmerken: classicisme, estheticisme, (neo-)platonisme en (algemeen-) christelijke religiositeit.

In de bundel zijn ook al enkele gedichten te vinden die typerend zijn voor de latere, “musische” Engelman, zoals het bekendste gedicht van hem, het klankdicht “Vera Janacopoulos”, en andere experimenten op dit terrein, “Arne Borg” (een beetje in de stijl van Paul van Ostaijen) en “En Rade”.

Arne Borg (fragment)

Het is ook typerend dat de meeste van deze klankdichten, samen met strakker gecomponeerde gedichten als “Verdreven Oogen”, “Zacht branden” en “Hij daalde sluimerend” ook in de volgende bundels worden opgenomen.

Twee gedichten uit de cyclus ‘Het grensland’. De gedichten II, IV en V zullen in Tuin van Eros als zelfstandige gedichten, los van elkaar met een eigen titel, worden opgenomen.

“Zacht branden” laat al een glimp zien van de mystiek aandoende erotiek waarvan Engelmans volgende bundel geheel doordrongen is. Het is een klankrijk gedicht, waarin enjambement, rijm en metriek nagenoeg perfect samengaan met de inhoud.

De bundel Sine Nomine wordt in de kritiek niet onverdeeld gunstig beoor­deeld, maar men onderkent wel de waarde van sommige afzonder­lijke gedichten. Waar­schijnlijk heeft dit Engelman ertoe gebracht van Sine Nomine geen herdruk uit te brengen, maar enkele, in van de meest spraakmakende ge­dich­ten in een nieuwe bundel weer op te nemen. In Tuin van Eros (1932) zijn inder­daad negen gedichten uit Sine Nomine opgeno­men.

Tot slot: deze keer valt er ook qua boekverzorging wat te beleven. Alleen al de fraaie schreefloze hoofdletters van de titelpagina en de boekband doen heel modern aan, en zowel het blauw op de grijze band als het rood als tweede kleur op de titelpagina vind ik erg mooi.

De bundel werd ook in maar een kleine oplage uitgegeven, gedrukt in Maastricht door de beroemde typograaf Charles Nypels. Het “colophon” is wat dubbelzinnig over de oplage en het papier: zijn er maar 50 in totaal uitgegeven en dus allemaal op het papier van Van Gelder Zonen, of zijn er meer gedrukt en zijn daarvan er 50 aldus gedrukt? In het eerste geval had ik een komma verwacht, maar het laatste is waarschijnlijker. Dit vraagt om nader uitzoeken (cliffhanger)!

Volgende keer: de verschillende drukken van Tuin van Eros (en al dan niet “andere gedichten” en de gewaagde tekeningen van Henk Wiegersma!

De spuigaten uit

Februari is nog maar een dag begonnen of het loopt alweer de spuigaten uit. Gelegenheid zoekt de dief, ik bedoel de bibliofiel.

Ik ben met name in mijn nopjes met de tweedelige uitgave van P.C. Hoofts Gedichten: “Volledige uitgave door F.A. Stoett, tweede geheel herziene, vermeerderde druk van de uitgave van P. Leendertz Wz.”, uitgegeven bij uitgeverij P.N. van Kampen in 1899 (deel 1) en 1900 (deel 2). De uitgave is er in verschillende uitvoeringen / banden. Ik heb hier een versie met halflinnen / half rood (kunst?)leder, ingebonden bij boekbinderij J.J. Küppers te Roermond. De twee delen zijn overigens onderdeel geweest van de bibliotheek van het R.K. Lyceum voor meisjes te Amsterdam. Hoe ze dan weer terug in Limburg zijn gekomen, is mij een raadsel.

Onder gedichten is in dit geval ook verstaan: het in dichtregels gestelde toneelwerk, zoals Geeraerdt van Velsen , Baeto en zelfs Ware-nar. Die ruime opvatting van “gedichten” is in afwijking van de moderne uitgave van P. Tuynman, die zich nadrukkelijk, blijkens de titel al, beperkt tot de Lyrische poëzie (zangen, sonnetten, gelegenheidsdichten, etc.).

Bij P.C. Hooft (en andere tijdgenoten) ervaar je nog dat “lyriek” afstamt van / samenhangt met zingen. Het woord is (zie ook Wikipedia) afgeleid van het Griekse λύρα (lura), dat “lier” betekent. In de oorspronkelijke betekenis zijn het gedichten of liedteksten die met de lier begeleid kunnen worden. Veel van Hoofts gedichten zijn voorzien met een wijsaanduiding (“op de wijze van…”) maar klinken ook als een klok en zijn sterk metrisch van karakter.

Ter afsluiting een van de bekendste lyrische gedichten van P.C. Hooft, een sonnet dat mooi mag “suonare” (weerklinken):

Een monument bij elkaar

Zaterdag 26 januari was het eindelijk zo ver: een date met een aantal van een gelijke soort “gekken” als ik zelf, afkomstig uit verschillende delen van het land: Perkamentus en Fasol (wier pseudoniemen ik hier zal respecteren), R. Kemper Alferink, en natuurlijk Paul Abels, die samen met zijn vrouw ons gastvrij door Gouda loodste, van kerkhistorie en glas tot drukkerij en antiquariaat.

Gouda – Markt en het oude Stadhuis

Het allermooiste werd tot het laatst bewaard: het van binnen bezichtigen van Pauls eigen Goudse librije, een heel sfeervol boekenkabinet waar mening bibliofielenhart sneller van gaat kloppen. Ondanks onze verschillende aandachtsgebieden qua boeken, werden de overeenkomsten in, wat ik maar noem, bibliofiele “maniertjes” duidelijk en een antropoloog had het bestaan van een specifieke menssoort kunnen bevestigen.

Omdat Maastricht en Gouda toch een beetje uit elkaar liggen en ik de laatste jaren te weinig in het “Hollandse” deel der natie kom, had ik het nuttige met het aangename verenigd, een NS-dagkaart gekocht, en ‘s ochtends vooraf in Den Haag een “paar boekies” opgehaald die ik op Markplaats besproken had. Dat heb ik geweten! Voor een vriendelijk prijsje kocht ik, zo goed als nieuw, vier kloeke delen uit Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, een vrij nieuw monument van de neerlandistiek, verschenen bij uitgeverij Bert Bakker tussen 2006 en 2017.

Voorpret tijdens de lange treinreis van Gouda naar Maastricht, met de nieuw verworven delen.

Behalve dat ik die dag vele voetstappen heb gezet, heb ik ook menige extra kilo meegetorst, van Den Haag naar Gouda, door Gouda heen en ‘s avonds mee terug naar Maastricht. Maar geduld en inspanning (de twee vrienden van een bibliofiel en zijn portemonnee) zijn beloond.

De vier nieuwe delen verenigd met hun lotgenoten aan het thuisfront.

Nog één “echt” deel ontbreekt (naast het dunne deeltje met nabeschouwingen), maar geduld loont, zo is gebleken. Duizenden pagina’s aan letterkundige geleerdheid in een veelkleurig uniforme uitgave. De kleurenoverloop tussen de delen vind ik trouwens erg mooi.
Het is eenheid in verscheidenheid, of eigenlijk andersom. Die geleidelijke “verkleuring” weerspiegelt ook de lange ontwikkeling van de Nederlandse literatuur door de geschiedenis heen. Zo wordt het verleden langzaam herkenbaar in het heden.

Met dat laatste kom ik weer terug op wat die 5 “gekken” in dat Goudse boekenkabinet (dat van buitenaf bij mensen de indruk van een exclusief antiquariaat wekt) bindt gedurende de middag en de vooravond. In cultuurhistorisch en bibliofiel opzicht kan ik me eigenlijk geen betere dag wensen.

De complete reeks:

Oostrom, F.P. (Frits) van, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Bert Bakker, Amsterdam, 2006. 1e druk – gebonden, 640p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 1].

Oostrom, F.P. (Frits) van, Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400. Bert Bakker, Amsterdam, 2013. 1e druk – gebonden, 650p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 2].

Pleij, Herman, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1440-1560. Bert Bakker, Amsterdam, 2007. 1e druk – gebonden, 863p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 3].

Porteman, Karel; Smits-Veldt, Mieke B., Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700. Bert Bakker, Amsterdam, 2008. 1e druk – gebonden, 1053p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 4].

Leemans, Inger; Johannes, Gert-Jan, Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: De Republiek. Bert Bakker, Amsterdam, 2013. 1e druk – gebonden, 815p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 5].

Verschaffel, Tom, De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden. Bert Bakker, Amsterdam, 2017. 1e druk – gebonden, 331p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 6].

Berg, Wim van den; Couttenier, Piet, Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1800-1900. Bert Bakker, Amsterdam, 2009. 1e druk – paperback, 833p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 7]. – Dit is het nog ontbrekende deel.

Bel, Jacqueline, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945. Bert Bakker, Amsterdam, 2015. 1e druk – gebonden, 1140p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 8].

Brems, Hugo, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1945-2005. Bert Bakker, Amsterdam, 2006. 1e druk – gebonden, 792p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 9].

Gelderblom, Arie Jan; Musschoot, Anne Marie, Ongeziene blikken. Nabeschouwingen. Bert Bakker, Amsterdam, 2017. 1e druk – gebonden, 96p.
– [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 10]. – Ja, ook dit deeltje zal ooit in mijn bibliotheek belanden, maar dat heeft geen prioriteit.

Niet wijken voor de sneeuw

Sneeuw dreigde.

Files in het vooruitzicht. Men mocht eerder weg. Op tijd nog. Maar men vreesde de chaos niet. Men gaf zich over aan een bibliofiele ontdekkingsreis.


Klik om te vergroten

Het is gezien, het is niet verborgen gebleven. Met John reisde ik naar huis. Het viel mee: alleen de oprit naar de snelweg gaf wat vertraging. Maar aan de horizon genaakte Maastricht.

Boven is het stil, beneden – in het midden van de wereld – spint een tevreden lezer, als een varken in het paleis. Ka Ching!

Joseph Roth’s 1002e Nacht

In dit boek komen verschillende liefdes samen, ten eerste de schrijver Joseph Roth en zijn werk. Ik hoorde en las voor het eerst van hem toen ik 17 of 18 jaar was.


Roth, Joseph, Die Geschichte von der 1002. Nacht. Roman. De Gemeenschap, Bilthoven, 1939. 1e druk – gebonden, 240p. 

De romans van Roth zijn doordesemd door een diepe melancholie, en een nostalgische terugblik op la belle époque in de Donaumonarchie, die met de Eerste Wereldoorlog, de Great War, dramatisch eindigde. Roth maakt dit goed invoelbaar, de lezer kan het zich levend voorstellen. Zijn bekendste roman is wellicht toch Radetzkymarsch (1932).

Hotel Savoy (1924) was de eerste roman die ik van Joseph Roth las, en het was een overdonderende ervaring. In de jaren ’30, met de machtsovername door de nazi’s, zocht Roth zijn toevlucht in Frankrijk. Als emigrantenschrijver deed hij ook Nederland aan, en raakte hij bevriend met onder andere Menno ter Braak. De literatuur van het interbellum en met name schrijvers als Ter Braak vormen een tweede persoonlijke liefde.

Daar is nog de kring van “jong-katholieken” uit die tijd aan toe te voegen: Jan Engelman, Anton van Duinkerken en tijdschrift De Gemeenschap, waaraan ook een gelijknamige uitgeverij verbonden was, die ook emigrantenliteratuur heeft uitgegeven. Bij deze uitgeverij verscheen ook het hierboven getoonde boek van Roth.

Die Geschichte von der 1002. Nacht verscheen in 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De roman vertelt het verhaal van de sjah van Perzië en speelt zich grotendeels af in Wenen rond 1880, waar de sjah – verveeld door zijn eigen harem – naar exotische verten smacht en dan Wenen opzoekt. Het mooie is hier de omkering van het westerse kolonialisme en de bijbehorende decadente motieven.

Externe links


Franse & Engelse banden (2)

Van links naar rechts:

Styl, S. [alias: Simon Stijl], Opkomst en bloei der Vereenigde Nederlanden. Brest van Kempen / J. de Vos en Comp., Brussel / Dordrecht, 1824. 3e druk – gebonden, LXXXIV+418p.

Nicoullaud, Charles, Récits d’une tante: Mémoires de la comtesse de Boigne née d’Osmond, I: 1781-1814. Plon-Nourrit et cie., Paris, 1909. 19e druk – gebonden, 505p.

Teirlinck, Herman, De wonderbare wereld. C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1907. 3e druk – gebonden, 296p.

Baker, Samuel W., The Nile Tributaries of Abyssinia. And the sword hunters of the Hamran Arabs. MacMillan and Co., London / New York, 1886. 1e druk – gebonden, XIX+413+47p.

Livingstone, David; Livingstone, Charles, Explorations dans l’Afrique australe. Et dans le bassin zu Zambèse depuis 1840 jusqu’a 1864. Vertaald uit het Engels door Loreau, Henriette, Librairie de L. Hachette, Paris, 1869. 1e druk – gebonden, XX+339p. – [Bibliothèque Rose Illustrée].

Corneille, Pierre; Corneille, Thomas, Théatre [2 tômes]. Avec notes et commentaire. Librairie de Firmin-Didot, Paris, 1875. 1e druk – gebonden, 558+549p.

Corneille, Pierre, Oeuvres de P. Corneille, Théâtre complet [3 tômes]. Nouvelle édition, imprimé d’après celle de 1682, ornée de portraits en pied coloriés, dessins de M. Geffroy. La Place, Sanchez et Cie., Paris, 1884. 1e druk – gebonden, VIII+592+616+697p.

Molière, Oeuvres complètes de Molière [2 tômes]. Nouvelle édition, la seule complète en 2 volumes in-12, ornée de 10 portraits en pied coloriés, dessinés de MM. Geffroy & H. Allouard. La Place, Sanchez et Cie., Paris, 1882. 1e druk – gebonden, VIII+803+823p.

Franse & Engelse banden

Enkele Franse en Engelse oude bandjes in de kast, waaronder een handgeschreven dictaat over commercieel recht, uit ca. 1870.

Van links naar rechts:

Caumont, M.A. de, Abécédaire ou Rudiment d’Archéologie: Architecture Religieuse. Ouvrage approuvé par l’Institut des provinces de France pour l’enseignement de cette science dans les Séminaires & les Maisons d’éducation des deux sexes. F. Le Blanc-Hardel, Caen, 1870. 5e druk – gebonden, 800p.

Pélerin, Adriaan L., Essais historiques et critiques sur le département de la Meuse-Inferieure, en general, et la ville de Maestricht, chef-lieu, en particulier. Francois Cavelier, Maastricht, 1803. 1e druk – gebonden, XI+377p.

Gautier, Théophile, Fortunio. Édition illustrée de dix-huit compositions de Paul-Émile Bécat. George Briffaut, Paris, 1934. gebonden, 212p.

Greville, Charles C.F., The Greville Memoirs. A journal of the reigns of king George IV and king William IV, edited by Henry Reeve [3 volumes]. Longmans, Green and Co., London, 1874. 2e druk – gebonden, 424+384+432p.

Fontaine, Jean de la, Oeuvres complètes – Fables [2 tômes]. Précédées d’une nouvelle notice sur sa vie. Chez Lefèvre, Paris, 1818. gebonden, XCI+242+320p.

Taine, H., Philosophie de l’art [2 tômes]. Hachette, Paris, 1901. 9e druk – gebonden, 292+360p.

Daudet, Alphonse, Tartarin sur les Alpes. Nouveaux exploits du heros Tarasconnais. Illustré par Rossi, Aranda, Myrbach, De Beaumont. C. Marpon & E. Flammarion, Paris, 1886. 1e druk – gebonden, 365p. – [Collection Artistique Guillaume Frères].

Vondel voor de neerlandicus als jongeman

Achteraf besef ik dat ik met het onderwijs dat ik kreeg (aan het Maastrichtse Henric van Veldekecollege) erg bevoorrecht was, specifiek waar het gaat om letterkunde en nog specifieker waar het gaat om Nederlandse letterkunde (al was de beroemde Fernand Lodewick al met pensioen). In de laatste drie jaren van het vwo had ik voor Nederlands achtereenvolgens de docenten C., D. en F. Zij loodsten ons uitgebreid door de literatuurgeschiedenis der Nederlanden en deden dat vrij grondig met ondersteuning van veel tekstvoorbeelden.

C. behandelde in het 4e leerjaar de middeleeuwen, D. in het 5e leerjaar de nieuwere letterkunde tot aan de Romantiek, en E. in het 6e leerjaar de literatuur vanaf de Romantiek (met veel nadruk op de Tachtigers). Ik kan me nog herinneren, dat D. op een maandagochtend zei: “Als ik één of twee van jullie duurzaam kan interesseren voor literatuur, dan is mijn missie geslaagd.” Als 16-jarige wist ik op dat moment al: daar ben ik er één van. Tijdens datzelfde jaar behandelden we met name “de Renaissance”, van Jan van der Noot en met Jan Luyken, van de familie Roemer Visscher tot en met Jacob Cats. Wij wisten, of konden weten, naar welke schrijver het Barlaeusgymnasium vernoemd was, wie La Défense et illustration de la langue française had geschreven, wat het belang was van de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, wat petrarkisme was en hoe de Franse Pléiade-groep invloed had op onze letterkunde.

Lees verder

Shakespeare’s plots

Een van de leukere boekjes waar ik onlangs op stuitte is een wel heel vrij bewerking van de bekende toneelstukken van William Shakespeare. De flaptekst vermeldt, niet zonder ironie:

“A new dimension, that of density, is added to Shakespearian scholarship by Nicolas Bentley’s analysis of Shakespeare’s plots. […] In fact, it is surprising that he has been able to follow the plays at all”

Het is dan ook een humoristisch bedoeld boekje met een zeer beknopte en eigenzinnige weergave van de inhoud van die toneelstukken.

Een van de aardigheden aan het boekje zijn ook de illustraties, waarvan een aantal in zeer frisse kleuren, die door het cartooneske karakter het grappige element onderstrepen.

Hieronder een aantal van deze illustraties. Het boek is uit 1972 en houdt zich nog niet aan de politiek correcte weergave van mensen: Othello is zo stereotiep weergegeven, dat menige zwarte piet erbij verbleekt. (Othello werd overigens meestal door een blanke man gespeeld, wat gezien de huidige discussie over “black face” de betreffende afbeelding nog pikanter maakt.)