Zoals het leven van een kleurrijke en fascinerende persoonlijkheid als Kees Fens niet in enkele bladzijden is te vatten, zo is een omvangrijke levensbeschrijving als die door Wiel Kusters niet af te doen in enkele woorden. Daarnaast is schrijver dezes belast met een mogelijke positieve vooringenomenheid, voortkomend uit een niet te onderschatten bewondering voor de leermeester die Kees Fens ook voor hem was, in de meest letterlijke maar ook in de meest uitgebreide zin. Desalniettemin een poging.

FensDe door Kusters geschreven biografie bevat veel herkenbaars, uiteraard voor wie Fens’ publicaties in zekere mate gevolgd heeft en nog meer voor wie ook persoonlijk “les” van hem heeft gehad. Dat zou Fens overigens allerminst verbazen, want hij heeft zich wel eens laten ontvallen hoe verbazingwekkend een mens uiteindelijk toch constant was, zichzelf bleef, dezelfde streepjes in boeken zette. Gelukkig valt er in de biografie ook veel nieuws te lezen, bijvoorbeeld over een meer particuliere aangelegenheid als zijn streven om een goed en stabiel inkomen te verwerven en wat men noemt de praktische kanten van het bestaan, waarvan enkele niet Fens’ kerncompetentie vormden. Dat doet allemaal geen afbreuk aan zijn statuur, maar valt onder de categorie Menschliches, Allzumenschliches. Mij lijken ze op een redelijk evenwichtige, wat afstandelijke manier aan bod te komen in deze biografie.

De grootste verdienste van Kusters is dat hij oog heeft voor het schrijverschap van Kees Fens (en zijn pseudoniem A.L. Boom). Etiketten zijn nogal makkelijk te plakken en dus staat Fens vooral bekend als criticus en hoogleraar, eventueel nog als columnist. Waar je echter bijna niemand over hoort – en hierin onderscheidt de biografie van Wiel Kusters zich – is het “autonome” schrijverschap van Fens, met een overduidelijk plezier in de taal als spel, niet alleen in opvatting maar als scheppende kracht bij het eigen schrijven. Nee, Fens was geen romanschrijver en nog minder een dichter, zo blijkt ook uit de biografie, maar wie de literatuur daartoe beperkt, heeft wel een heel smalle definitie. Ook de (latere) stukken over boeken, naar aanleiding van boeken, overpeinzingen, etc. duiden er bij Fens op dat het primair om een werkelijk schrijverschap gaat.

Een andere misvatting die je nogal eens tegenkomt heeft te maken met Fens’ redacteurschap van het tijdschrift Merlyn (1962-1966). Behalve dat dit maar over vier jaren in zo’n rijk publicatieleven gaat, vaart men nogal snel blind op begrippen als “autonomie” en “close reading”. Bij sommige mensen leidt dit tot een rood waas voor de ogen. De positie van Merlyn en zeker van de principieel a-theoretische Fens is minder eenduidig dan zowel voor- als tegenstanders wel eens willen doen geloven. Kusters: “In die zin was Merlyn voor Fens geen al te principieel en theoretisch gefundeerd project, het was niet meer dan een les in nauwgezet lezen.” (p. 190). Dat lijkt mij een zeer juiste conclusie, geheel in lijn met wat Kees Fens hierover (onder meer jaren later in een aflevering van het Jeugdjournaal) als uitleg gaf: “ik probeer mensen beter te leren lezen”. En in een bescheiden bui zelfs: “iets beter”. In zijn jaren na Merlyn, en dat zijn er tot 2008 heel wat (hij heeft tot het laatst van zijn leven gelezen en geschreven), bleek Fens zowel een grote voorliefde voor biografieën te hebben als wel de close reading dienstbaar te maken aan een bredere, meer algemeen culturele interpretatie. Tegen de al te gemakkelijke autobiografische duiding is hij zich blijven verzetten, zoals hij ook het meeste bekentenisproza – als dat niet die transformatie biedt die een literair werk tot literatuur maakt – aan zich voorbij liet gaan.

De door Wiel Kusters geschreven biografie roept veel herinneringen op, verlevendigt deze en maakt het beeld van Kees Fens completer. Ergens meen ik een kritisch geluid te hebben opgevangen over het grote aandeel van citaten, maar dat vind ik een wat merkwaardig argument. Alsof je een film over een voetballer zou maken met maar heel weinig beeldmateriaal van zijn prachtige acties en de goals die hij maakte. Terwijl je als lezer juist geen genoeg kunt krijgen van de vaak schitterende vondsten en rake typeringen – kortom genieten van de schrijver Fens. Tijdens het lezen van de biografie krijg je ook spontaan zin de beschikbare boeken van Kees Fens zelf er weer bij te pakken en te (her)lezen, van de eigenzinnigheid van de literatuur tot aan de gedichten die zich niet vervelen, van de melancholische overpeinzingen van A.L. Boom tot de vrijdagstukken over Hooft en Petrarca (en het spelelement van hun poëzie). Een boek dat, kortom, uitnodigt tot lezing van andere boeken: een beter compliment kun je de biograaf denk ik niet maken.

 

P.S.: Ik zou er wat voor geven om te weten wat Fens zou vinden/zeggen van de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Costa Rica en met name de keeperwissel door de “voetbal-doctorandus” (p. 246) Van Gaal.

Reacties zijn gesloten.