Stoïcisme is filosofie voor “echte mannen”, aldus Seneca. Andere soorten filosofen, zo suggereert hij, zijn eigenlijk maar watjes of zachte heelmeesters. Zoals je mannen en vrouwen hebt, zo heb je stoïcijnen en alle andere filosofen – en dat is niet per se vrouwvriendelijk bedoeld.

Heel toevallig viel, een dag nadat ik in Epictetus en Marcus Aurelius (twee andere stoïci) had zitten lezen, bij ons op de deurmat de nieuw verschenen vertaling door Vincent Hunink van een van Seneca’s teksten over standvastigheid en onverstoorbaarheid, onder de titel “Onkwetsbaarheid”. Dat is weer een genot om te lezen, al overdrijft Seneca soms wel wat en laat hij zich in met stoerdoenerij, maar dat doet hij dan weer wel zeer welsprekend. Bij Epictetus en Marcus Aurelius ligt veel nadruk op het verschil tussen wat je als mens kan overkomen en wat jouw eigen oordeel daarover is (en het behoort tot de wijsheid van de deugd om steeds de juiste houding aan te nemen en het goede te doen, zodat je ziel niet slecht kan worden door wat er gebeurt, door dat wat buiten je invloed – namelijk je oordeel – ligt). Bij Seneca is dat implicieter, bij hem ligt meer de nadruk op de concrete levenskunst: hoe kun je zo onkwetsbaar mogelijk worden. En wees vooral een man, een echte Romein! Daar hoort geen zelfbeklag of slachtoffergedrag bij.

Sommige passages kun je ook zo’n 2000 jaar later nog steeds aan jezelf en anderen voorhouden. Ik permitteer me hier een wat uitgebreider citaat over slachtofferdenken, wat Seneca ziet als “gezeur van een zieke ziel”:

“Het is een kwestie van te veel vrije tijd: wie van nature een zwak, onmannelijk karakter heeft en bij gebrek aan echt onrecht snel protesteert gaat zich druk maken over dit soort dingen. En meestal is er dan sprake van een verkeerde interpretatie.”

“Voelt iemand zich beledigd? Dan ontbreekt het hem aan wijsheid en aan zelfvertrouwen: dat is wat hij laat zien. Hij wordt geminacht, denkt hij, het lijdt voor hem geen twijfel. En dat doet pijn. Maar die voelt een mens alleen door een soort kleinzieligheid, waarmee hij zichzelf naar beneden haalt en een stap omlaag doet.” (p. 31).

Let op de nadruk die hij legt op de rol van interpretatie omtrent goed en slecht; dat is typisch stoïcijns: het kwaad dat je wordt aangedaan kan jou niet raken, tenzij je dat zelf toestaat. Je moet dus vooral jezelf de zwartepiet toespelen, als je je (om iets futiels, zegt hij ook nog!) beledigd voelt.