Terwijl men om het hardst roept om een totale lockdown, is het nu al troosteloos in de binnenstad van Maastricht, voor voordat strengere maatregelen van kracht worden. Ik had het al gehoord, maar ik moest het met eigen ogen zien. Net zoals je een dierbare overledene per se wilt zien, anders geloof je het niet.

Het Vrijthof is leeg, waar anders mensen en duiven vertoeven. Het plein ziet er absurd schoon uit, de vegers moeten net zijn geweest. Geen weggegooide frietbakjes, geen rondslingerende jongeren, geen slordig geparkeerde fietsen. Ogenschijnlijk ideaal, maar doods.

De terrassen, waar normaliter al talloze mensen van het vroege voorjaar genieten, hebben hun stoeltjes en tafeltjes geparkeerd totdat betere tijden aanbreken.

In de Grote Staat, de bekendste winkelstraat van Maastricht, waar ooit V&D een thuis was voor zich vervelende scholieren, waar tot voor kort nog duizenden mensen per dag doorheen liepen, ook op een donderdagmiddag, is het uitgestorven. Ceci n’est pas un jeudi après-midi.

Onwillekeurig moest ik denken aan de bekende passage uit The Waste Land van T.S. Eliot, hoewel de setting wel anders is:

Zelfs bij boekhandel-in-de-kerk Dominicanen, waar men anders struikelt over het bezoekende en omhoog starende publiek, is bevreemdend leeg. Een enkele klant en wat medewerkers.

Hoewel het heerlijk is om eens ongehinderd bij alle boeken te kunnen komen, is het een trieste aanblik, zeker nu de boekenweek nog in volle gang is, en het zou moeten bruisen van activiteit.

Iedereen is bang geworden en kijkt elkaar wantrouwend aan: is dat wel anderhalve meter? Het liefste zou ik een potje gaan huilen, maar dat helpt niemand. Wij hebben geen zin om te kopen, keren snel naar huis terug en verschuilen ons daar in de eigen bibliotheek.