Twee dichters over Leopold, die Cheops schiep

Dichters schrijven en dichten vaak over het dichten en over andere dichters. Zo schreef Ida Gerhardt verscheidene gedichten over haar leermeester, de grote dichter J.H. Leopold. Drie daarvan verschenen in de bundel De Hovenier uit 1961. Deze gedichten bieden een interessante blik op het dichterschap van beiden, en roepen bovendien een gedicht van H. Marsman over Leopold in herinnering. Het gedicht van Marsman is in deze beschouwing het vertrekpunt. Vervolgens komen drie gedichten van Gerhardt uitvoerig aan de orde, waarin duidelijk overeenkomsten zijn te vinden met woorden en beelden die Marsman gebruikt.

Aan het einde van dit artikel toets ik mijn interpretatieve bevindingen aan die van anderen. Met name J.D.F. van Halsema heeft uitvoerig geschreven over “J.H. Leopold bij Ida Gerhardt” (Van Halsema 2002). Deze heb ik gebruikt als proef op de som voor mijn eigen interpretatie. Daaruit moet blijken in hoeverre interpretaties die los van elkaar ontstaan, intersubjectief zijn en tot gedeelde conclusies komen.

Van ‘t voorgebergte af der eeuwigheid

In een kort gedicht, daterend van halverwege de jaren ’20, eert H. Marsman (Verzamelde gedichten, 1946, p. 51) de dichter J.H. Leopold op de volgende manier:

Leopold (de dichter van Cheops)

Dwars door den nacht
riep hij met klare stem
van ‘t voorgebergte af der eeuwigheid
den vuren naam van een doorgloeid kristal
waarin genezend werd uiteengebrand
de kranke dood van een vergaan heelal
en morgenlijk het jonge sperma sliep
van een bezield, oorspronkelijk
getal.

zoo’ voormaals God een jonge wereld riep
– een duister vocht tot grootsch kristal gestold –
die in de lendenen der chaos sliep,
zoo déze Leopold,
die Cheops
schiep.

Heel fraai laat Marsman beide strofen langzaam aflopen in regellengte, waardoor de verschuiving van het grootse en kosmische ook iconisch zich versmalt tot het individuele en concrete van de dichterlijke scheppingsdaad. De brokkelige structuur van het gedicht is maar schijn, want het gedicht leest heel “ritmisch”. Bronzwaer (1993, pp. 102-103) merkte op dat dit gedicht feitelijk een regelmatige jambische pentameter is (als je de korte regels tot één regel combineert), maar dat Marsman op deze wijze het woord schiep bijna tot een Wortsatz maakte: “het wordt door zijn typografisch element zózeer met betekenis geladen dat het, in zich en in zich alleen, het hele hoofdthema van het gedicht in de kortst mogelijke formulering bevat.”

Opvallend in het gedicht is het gebruik van het woord “sperma” (geen alledaags woord rond 1930), dat in de tweede strofe een equivalent heeft in “duister vocht” – waardoor het scheppende ook een erotische lading krijgt (versterkt door het lichamelijke beeld van de lendenen). Marsman verbindt hier schepping, voortbrenging en schrijven, zoals ook Leopold dat in verschillende gedichten deed.

In de beeldspraak van Marsman behoort Leopold tot de giganten, die vanaf een berg spreekt. Die berg roept associaties op met zowel de Parnassus als met de Olympus.

De Parnassus is het gebergte in Midden-Griekenland, dat volgens de overlevering de zetel van Apollo en de muzen was, waar zich de bron bevindt waaruit dichters inspiratie putten, een motief dat veelvuldig in de Nederlandse (en breder: de Europese) letterkunde terug te vinden is. (De andere berg die ook wel met de muzen en met dichterlijke inspiratie in verband wordt gebracht, is de Helikon – wederom een Griekse berg.) Bovenop de Parnassus bevinden zich slechts de grote dichters, waaronder Marsman Leopold schaart.

Interpreteren we de berg als de Olympus, dan wordt de dichter een godgelijke schepper, die met klare (donderende?) stem dwars door de nacht roept. Interessant is hier het woord voorgebergte, (Van Dale: “in zee vooruitspringend deel van een gebergte, kaap”). De associatie “voorgeborchte” speelt hierin ook mee – in dit geval niet het voorgeborchte van de hel maar van de hemel, tot waar deze hoogste berg van Griekenland reikt. De top ervan is veelal door wolken aan het oog onttrokken, waardoor de berg iets ontzaglijks en onbereikbaars heeft. De primaire betekenis van “voorgebergte” is enigszins in strijd met onze interpretatie van de Olympus, aangezien deze berg niet direct aan zee ligt, als kaap (maar wel dicht bij de kust). Het is dus maar de vraag hoe ruim we dit moeten en mogen interpreteren.

Net als Zeus’ donderende stem, roept ook in dit gedicht de stem naar beneden (het gebergte af). Het vuur en het doorgloeid kristal zouden in dit verband kunnen duiden op de bijbehorende bliksemstralen. Het spreken van de dichter is dan als een donderslag bij heldere hemel, ex nihilo.

Het spreken is tegelijkertijd ook scheppen, dat de “kranke dood van een vergaan heelal” genezend uiteenbrandt en leven voortbrengt. Net zoals God de wereld schiep, schiep de dichter zijn gedicht, middels het woord. Niet zonder reden rijmt schiep op riep: ze vallen samen. In de chaos was er de kiem, het jonge sperma, waaruit een jonge wereld ontstond, en zo ontstond ook het gedicht Cheops, de schepping van de dichter Leopold. Het “jonge sperma” en de “jonge wereld” gaan een verbinding met elkaar aan en met “morgenlijk” – de ochtend vormt, na de nacht, het begin van de nieuwe dag (vergelijk ook uitdrukkingen als de ochtend van het leven). De stem riep door de klare (nog ongerepte) nacht, schiep daarmee en bezielde dat wat al in de kiem besloten lag. Het is niet uitgesloten dat Marsman, die in deze jaren op zoek was naar een “bezield verband”, ook de beginscène uit Genesis voor ogen had – de associaties daarmee liggen in elk geval op de loer.

Tot slot doen zinsbouw, beeldspraak en woordgebruik van Marsman aan de vereerde dichter zelf denken: het achteraan plaatsen van degene om wie het draait: “zoo déze Leopold, / die Cheops schiep.” In Cheops krijgt de lezer bij aanvang meteen een lange zin, verdeeld over 20 dichtregels, voor de kiezen, die uitloopt in het achteraan geplaatste onderwerp: “in deze weidsche vlucht / de koning Cheops” (eveneens een jambisch pentameter verdeeld over meer dan één regel).

Ida Gerhardt over J.H. Leopold

Aan het gedicht van Marsman moest ik terugdenken toen ik stuitte op de slotregel van een gedicht van Ida Gerhardt – en ik ben hierin natuurlijk niet de eerste:

De drie Pharaos

Toen was er, midden in het stadsgewoel,
een man en op de hand droeg hij
een valk.
En mensen dromden rond dien Pharao,
die met een ketting om de voet
in onbewegelijke trots het eigen lot
bestaarde. Hij was als bazalt.
O, gelijk deze zag ik in zijn stad
kort voor zijn dood, een vastgeketend vorst,
de mensen overstarend op een plein,
die Cheops schiep, den dichter Leopold.

Het gedicht is te vinden in de bundel De Hovenier uit 1961 (ik citeer naar de Verzamelde gedichten, 1992, p. 300), waarin nog twee andere gedichten over Leopold zijn te vinden – daarover zo dadelijk meer. Jan Hendrik Leopold (1865-1925) was classicus en tot 1924 leraar klassieke talen aan het Erasmiaans gymnasium te Rotterdam. Een van zijn leerlingen was de jonge Ida Gerhardt, die later eveneens dichter en leraar klassieke talen werd. Voor Gerhardt gold Leopold als een grote leermeester en inspirator (zie o.a. Van der Paardt 1993 en Van der Paardt 2012).

De slotregel nu: die Cheops schiep, den dichter Leopold vormt een chiasme met zoo déze Leopold, die Cheops schiep van Marsman. Het kan bijna niet anders of de formulering van Marsman heeft bij de dichteres, al dan niet bewust, invloed gehad op deze regel. Waar komt deze constructie vandaan? Was Marsman de eerste die hem gebruikte? Zijn er nog anderen? Bij Gerhardt is dit een zodanig vaste combinatie geworden (ook in dat opzicht doen de klassieken zich gelden), dat zij decennia later, in de bundel De adelaarsvarens (1988) de combinatie nogmaals gebruikt in een gedicht waarin de naam Leopold niet valt, maar het wel duidelijk om hem gaat: “En eenzaam is zijn weg gegaan / die Cheops schiep.” In dit laatste geval ontbreekt het antecedent (“de dichter”, “hij”), in het gedicht hierboven is er sprake van inversie: het antecedent volgt na de betrekkelijke bijzin, hetgeen voor een speciale nadruk zorgt, nota bene in een accusativus (4e naamval), omdat het lyrisch subject (de ik-figuur) de dichter ziet, bestaart zou ik bijna zeggen, naar analogie van regel 7.

De interpretatie van het gedicht lijkt eenvoudig: net zoals de vorstelijke valk (farao 1) geketend is en niets rest dan trots starend in zijn lot te berusten, is ook de dichter (farao 2) een vastgeketend vorst (de alliteratie zet het des te dikker aan), bijna meelijwekkend maar toch zijn trots bewarend. De derde farao is natuurlijk Cheops, die in het naar hem genoemde gedicht van Leopold ook erin moet berusten dat hij na zijn dood, na zijn “weidsche vlucht” (Leopold 1983, p. 147), uiteindelijk is ingesloten in zijn piramide en hem niets rest dan te staren naar de tekens in zijn graf en daarin zijn zin moet zien te vinden. Het gedicht van Gerhardt roept het gedicht Cheops zelf in herinnering, inclusief de daar uitgewerkte tegenstelling tussen wilde beweging en stille verstarring. Het stadsgewoel uit het gedicht van Gerhardt is een echo van het gewoel aan het begin van Cheops, de

doorluchte drommen en den stoet
der smetteloos verrezenen, die dreven
door alle hemelen, het groot gevolg

Tegenover het stadsgewoel is er de starre onbeweeglijkheid van de versteende valk. Bazalt, of basalt, is vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava. De stromende vloeibaarheid die het aanvankelijk had, is gestold in onbeweeglijke hardheid. Het vorstelijke dier lijkt zodanig verstard en verstijfd dat het een dood ding is. Op diezelfde manier zien we de dichter, kort voor zijn dood (levend al dood zijnde in zijn verstarring). We hebben dus te maken met een aantal spiegeleffecten:

  1. De valk lijkt op een farao.
  2. De dichter Leopold doet denken aan deze versteende valk.
  3. De dichter Leopold schreef een gedicht over de farao Cheops, waarin deze vanuit de woelige beweging verstart.
  4. Zoals de man de valk (de farao) op de hand droeg, zo is Leopold de hand achter Cheops.

Het gedicht heeft wat mij betreft nog een raadsel: wie is de man die de valk op zijn hand draagt? Moeten we ook hier weer aan een Egyptische figuur denken? Is dat ook een farao die reflecteert op zijn bestaan en die in de geketende valk zichzelf herkent? De mogelijkheden van het gedicht zijn nog niet uitgeput.

Roofvogels in de bergen

De valk in het hierboven besproken gedicht staat niet helemaal op zichzelf. Een van de bundels van Ida Gerhardt heet De Slechtvalk. In de “Aantekeningen” (Gerhardt 1992, p. 816) geeft de dichteres hierbij de korte toelichting: “Egyptisch, oude Rijk”. Ik heb er geen systematisch onderzoek naar gedaan, maar er zijn vast meer valken en andere archetypische roofvogels in Gerhardts gedichten te vinden. In een van de andere twee gedichten uit De Hovenier over Leopold, wordt de dichter vergeleken met een adelaar – en dat levert meteen ook een heel ander beeld van hem op, meer in de heroïsche lijn van Marsman:

Leopold

Adelaar was hij tot de laatste strofe,
toppen òverzwevende waar geen sterveling
ooit genaakt, of naar de verlaten horstplaats
statig weer dalend.

Onverschrokken kantelend langs ravijnen,
vochtomvlaagd door daverend levend water,
schrijvende zijn vederenschaduw daar waar
eeuwige sneeuw ligt.

God zij lof om dit nimmer aangerande
trots vermogen, dat zóveel barre winters
heeft getart en de sterke vleugels wette:
Trots ongebroken.

De dichteres neemt hier grote woorden in de mond, waarvan maar de vraag is of de schuchtere, ingetogen meester zich hierin herkend zou hebben: adelaar, toppen, onverschrokken, kantelend, daverend, trots (2x), vermogen, sterke vleugels, ongebroken, wette. De veelvuldige alliteraties en assonanties (vooral met de klanken /a/ en /o/) en de stapeling van levendige beelden versterken het “daverende” effect en maken het gedicht wat barok van karakter. Leopold was zelf in zijn gedichten doorgaans veel subtieler en zachter van klank en beeldspraak, moffelde harde betekenissen en heldere beelden juist weg, waardoor die eigen zangerigheid van zijn gedichten ontstond. Kees Fens sprak van “het uitstel van of misschien zelfs angst voor definitiefheid” en het karakter van “onvoltooidheid en daarmee voorlopigheid” van Leopolds poëzie.

“Wie zo omzichtig schrijft als hij – elk woord lijkt ook weer te kunnen verdwijnen, dan een hele stoet met zich meevoerend – vermijdt iedere beslistheid.” (Fens 1991, p. 97).

In vitalisme, toon, beeldspraak en woordgebruik doet dit gedicht heel erg aan dat van Marsman denken. De bergtoppen herinneren aan het voorgebergte der eeuwigheid, de eeuwige sneeuw associëren we ook met hooggebergte. Het trotse individu met kosmische blik en kantelende ravijnen doen erg denken aan de vroege, expressionistische gedichten van Marsman. Achteruit kijkend zou men dus de roep met klare stem vanaf de bergen in het gedicht van Marsman ook als roofvogelperspectief kunnen karakteriseren.

In tegenstelling tot het eerdere gedicht van Gerhardt is hier geen sprake van een berustende en verstarde farao, maar een krachtige roofvogel, tot de laatste strofe. Een mooi beeld is de schaduw die de adelaar met zijn rijke dos veren werpt op de witte sneeuw: daarmee schrijft hij, gevoed door dat levende water, waaraan hij voortdurend zijn vleugels wette (zie ook hier de alliteratie, die de afstand tussen deze twee regels overbrugt).

Van der Paardt (2012, pp. 4-5) wijst erop dat de roofvogel nog rijker aan betekenis is:

“Bij Gerhardt kent de grote roofvogel een dubbele symboliek: hij staat niet alleen voor de dichter (‘schrijvende zijn vederenschaduw daar waar/ eeuwige sneeuw ligt’, regels uit ‘Leopold’), maar ook voor diens gedichten”

Aan de hand van andere gedichten uit dezelfde bundel, zoals “Thasos”, maakt Van der Paardt dit aannemelijk:

“Dan gaat de blik omhoog en ziet de lyrische ik een roofvogeljong dat zich vrijmaakt van zijn nest: dat jong is het vers dat opwiekt (Gerhardt gebruikt voor de opwaartse beweging bij voorkeur het werkwoord ‘ontstijgen’). Door de vogelsymboliek is dit gedicht verbonden met ‘Leopold’” (Van der Paardt 2012, pp. 4-5).

Van der Paardt legt expliciet een verband tussen de gedichten in de bundel en wijst terecht op nog een ander gedicht over Leopold.

Een rondeel

In De Hovenier is namelijk nog een derde gedicht te vinden gewijd aan Leopold. Het betreffende gedicht is meer in de stijl van Leopold zelf en daarmee – veel meer dan de twee andere gedichten – een allusie als tekstvorm. De titel, “Rondeel voor Leopold”, verwijst bovendien naar een dichtvorm die ook Leopold verschillende malen gebruikte. Het rondeel is voor en over Leopold, de traditionele dichtvorm resoneert daardoor op dubbele manier.

Rondeel voor Leopold

Offert Asklepius een haan;
want hij is tot de dood genezen,
die door zijn volk is uitgewezen
en ongeweten heengegaan.

Wat komt gij samen òm hem staan!
Het woord is bitter: onvolprezen.
Offert Asklepius een haan,
want hij is tot de dood genezen.

Geen die het laken terug zal slaan
nu hij niet meer te wéér kan wezen.
Geen stilte is zo stil als deze. –
Hij kwam aan de overzijde aan.

Offert Asklepius een haan.

Woorden als “ongeweten”, “wezen”, “bitter” en “onvolprezen” zitten veel meer in het lexicale veld van de dichter Leopold. De herhaalde beginregel klinkt wat raadselachtig, niet door de verwijzing naar de mythologie, want dat wordt in de aantekeningen bij de bundel al verklaard (Gerhardt 1992, p. 815): de Grieken offerden bij genezing vaak een haan aan de god Asklepios, en Sokrates’ laatste woorden zouden zijn: “Kriton, wij zijn Asklepios nog een haan verschuldigd. Vergeet niet dat te regelen.” (Plato, Faidon, 118A). Die eerste regel moeten we dus als een aansporing of gebod zien. Bijzonder is het schijnbaar tegenstrijdige tot de dood genezen, maar dit is geheel in lijn met Sokrates’ opvatting: hij is veroordeeld, heeft de gifbeker gedronken, zijn sterven is een genezing – verlost van de aardse beslommeringen. Hij is ervan overtuigd dat hij naar gelukkiger oorden zal gaan (de overzijde). Veel van de elementen zijn te relateren aan het sterven van Sokrates: Wat komt gij òm hem staan, met uitroepteken, lijkt op de vrienden die zich om Sokrates heen verzameld hebben voor dit laatste moment, en zoals bekend vindt Sokrates hun gehuil en gesnik wat aanstellerig: “Wat doen jullie toch vreemd! […] Ik heb namelijk gehoord dat men in eerbiedige stilte moet sterven. Wees kalm en sterk.” Dat correspondeert met r. 11: Geen stilte is zo stil als deze – zo stil als de afwezigheid van de gestorvene.

Het gedicht suggereert een parallel tussen het lot van de uitgewezen Sokrates en de onbegrepen dichter Leopold, die (aldus de strekking van deze regels) ook beter af zal zijn in de dood. Verwijst het ongeweten heengaan naar een stille dood in afgezonderdheid? Dat zou ook de bitterheid van het woord verklaren: niet herkend, niet erkend, onvolprezen. Het gedicht van Gerhardt voert verder dan de passage uit Faidon, kijkt voorbij het sterven: Hij kwam aan de overzijde aan. Deze regel roept onherroepelijk reminiscenties op aan de bekende regel: Hij is reeds aan de overzijde, de slotregel van het gedicht “Begrafenis M. Nijhoff” (Gerhardt 1992, p. 269) uit de bundel Het levend monogram (1955). Deze regel lijkt op zijn beurt weer een toespeling op Nijhoffs gedicht “De moeder de vrouw”, over de brug bij Bommel die twee overzijden verbindt. Zie ook Van der Paardt 1993, die mooi laat zien hoe Nijhoff en Leopold als klassieke dichters (in verschillende betekenissen) het referentiekader vormen van de dichteres Ida Gerhardt. Van der Paardt gaat ook dieper in op de betekenis van Faidon (Lat. Phaedo) voor dit gedicht en suggereert dat Gerhardt het lot van Sokrates (gedwongen zelfdoding) in Leopold weerspiegeld ziet (Van der Paardt 1993, p. 839).

Toetsing

Toen ik bovengenoemde gedichten van Ida Gerhardt las, was dat het vrije grasduinen en lezen dat zelfs neerlandici soms wel doen, zonder raadpleging van secundaire literatuur. Gefascineerd door de relaties tussen de hier besproken gedichten (ook dat van Marsman) begon ik te schrijven, want door te schrijven ga ik beter, preciezer lezen; het schrijven openbaart nieuwe betekenissen en verbanden (dat is overigens wel een weg met vele valkuilen). Toen dit schrijven de vorm van een beschouwing begon aan te nemen, heb ik secundaire literatuur geraadpleegd, doch één belangrijke bron heb ik over het hoofd gezien: Van Halsema 2002. Ik kwam er pas achter toen het bovenstaande op wat punten en komma’s na gereed was.

Die misser – anders kan ik het niet noemen – heeft ook een voordeel: relatief blanco ben ik de gedichten te lijf gegaan. Daardoor is het mogelijk om mijn bevindingen te toetsen aan wat Van Halsema, een groot kenner van o.a. het werk van Leopold, opdiepte en op die manier te kunnen vaststellen of en in hoeverre interpretaties intersubjectief zijn.

Van Halsema over Leopold bij Gerhardt

Van Halsema vertrekt vanuit biografische gegevens: de schoolperiode van Gerhardt, die begin jaren ’20 Leopold als docent Grieks had, met hem een vriendschap opbouwde, die op een dag van zijn kant abrupt werd beëindigd. De vertrouwelijke omgang van ruim een jaar zou de toekomstige dichteres behoorlijk beïnvloed hebben. Van Halsema betoogt dat ondanks de mythische status van Leopolds dichterschap Gerhardt niet direct, aan de oppervlakte door hem is beïnvloed. Hij stelt dat “er eigenlijk geen gedicht van Gerhardt is dat van Leopold had kunnen zijn, of andersom” – wij zagen het zelf al hierboven, behalve wellicht in het geval van “Rondeel voor Leopold”. Uiteindelijk zijn de gedichten van Gerhardt “van geheel andere makelij, betekenismogelijkheden, stem en temperament dan de gedichten van Leopold waaruit ze wellicht ten dele voortkomen.” (p. 212)

Volgens Van Halsema vormt het gedicht “Leopold” een tweeluik met het eraan voorafgaande gedicht “Sappho”, beide geschreven in Sapfische strofen. Daar heb ik bij mijn analyse geen aandacht aan besteed, maar het punt dat Van Halsema maakt is aannemelijk, al formuleert hij het ook erg dichterlijk: “Met die verbinding is de koninklijke status van Leopold in het hermeneutisch universum volop aangegeven” (p. 213). Centraal staat volgens hem “de ongenaakbare, onverschrokken trots van deze dichter, tegen alle ongeluk in” (p. 213).

Het “Rondeel voor Leopold” draait om de voorstelling van een door zijn volk miskende dichter, die door die miskenning als het ware ter dood veroordeeld is, “dat is de implicatie van de verwijzing naar Socrates die het gedicht grotendeels structureert” (p. 213). Dat is een scherpe observatie: het verhaal rondom de dood van Sokrates structureert het gedicht, maar we hebben al gezien dat Gerhardt hierin verder gaat, tot voorbij de grens van de dood. Van Halsema geeft daar nog een interessante draai aan een regel die ik nog niet volledig kon plaatsen: het feit dat men om hem heen staat, associeerde ik zelf met de vorstelijke valk uit “De drie Pharaos” (En mensen dromden rond dien Pharao). Van Halsema stelt dat het om hem heen staan feitelijk te laat is (hij is al aan de overzijde), dat dus in andere woorden de erkenning en het eerbetoon veel te laat zijn.

Het gedicht “De drie Pharaos” volgt direct op het vorige gedicht. “Het motief van het koningschap wordt hier gecombineerd met dat van de massa die dat koningschap niet in zijn waarde herkent: de koning is vastgeketend.” (p. 213) Dit past in de, wat Van Halsema noemt “tragisch-heroïsche voorstelling” die Gerhardt van Leopold heeft. Ook Van Halsema beoordeelt de slotregel als een reminiscentie aan het gedicht van Marsman. De vastgeketende vorst Leopold, “die Cheops schiep” weerspiegelt volgens hem het lot van Cheops in het gedicht van Leopold en hij haalt de bekende laatste regels uit Cheops aan om dat nog extra te onderbouwen: “hij is geboeid door de symbolen / van het voormalige”, en ik zou de allerlaatste woorden daaraan willen toevoegen: “en hij hangt er in.

Besluit

In de rest van zijn uitgebreide artikel gaat Van Halsema in op nog andere gedichten waarin Leopold een rol speelt. Voor het doel van ons betoog is het hier niet van belang; wel kan ik het artikel van harte aanbevelen aan wie meer wil lezen over de relatie Leopold-Gerhardt. Van Halsema komt tot een fraaie synthese.

Het algemene beeld is dat twee losstaande interpretaties toch bepaald convergeren in de voornaamste conclusies. Helemaal vreemd is dat niet: “relatief blanco” is natuurlijk erg relatief en niet helemaal eerlijk. Niemand is volledig of zelfs maar in grote mate blanco. Daarnaast delen wij als lezers bewust en onbewust bepaalde voorkennis: reminiscenties aan klassieke literatuur, herkenning van motieven, herinneringen aan andere dichters en gedichten, en alleen al de gemeenschappelijke taal en cultuur waarin wij zijn gepokt en gemazeld.

Geraadpleegde literatuur

  • W. Bronzwaer, Lessen in lyriek. Nieuwe Nederlandse poëtica. Nijmegen: SUN, 1993. Ook te vinden op DBNL.
  • Kees Fens, “Poëzie op het water geschreven: drie artikelen over J.H. Leopold”. In: P.M.Th. Everard & H. Hartsuiker (red.), Ontroering door het woord. Over J.H. Leopold 1. Groningen: Historische Uitgeverij, 1991.
  • Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1992 (2 delen, Baskerville Serie). De herdruk uit 2002 in één paperback deel is identiek qua paginering. De gedichten over Leopold zijn te vinden op de pagina’s 281, 299, 300, 606, 686.
  • J.D.F. van Halsema, “Als nadert een ontmoeten”. J.H. Leopold bij Ida Gerhardt. In: Nederlandse Letterkunde 7 (2002) 3 (augustus), pp. 207-223. Gebruikt is de digitale versie op DBNL.
  • KB – Nationale Bibliotheek, Dichters over J.H. Leopold, online artikel van de KB. Hierin worden zowel het gedicht van Marsman als enkele gedichten van Ida Gerhardt (en van anderen) over Leopold aangehaald.
  • J.H. Leopold, Gedichten I. De tijdens het leven van de dichter gepubliceerde poëzie. Historisch-kritische uitgave, verzorgd door A.L. Sötemann en H.T.M. van Vliet. Deel 1: teksten. Amsterdam [etc.]: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1983. Het gedicht ‘Cheops’ is te vinden op de pagina’s 147-152.
  • H. Marsman, Verzamelde gedichten. Amsterdam: Em. Querido, 1941, 19463. Het gedicht over Leopold is te vinden op p. 51.
  • Rudi van der Paardt, “3 november 1979: Ida Gerhardt krijgt de Prijs voor Meesterschap. De klassieke traditie”. In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (hoofdred.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, Groningen 1993, p. 835-840.
  • Rudi van der Paardt, “Ida Gerhardt – De Hovenier”. In: Ton Anbeek et al., Lexicon van literaire werken. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1989-2014. Dit artikel dateert uit 2012. Gebruikt is de digitale versie op DBNL. Zie ook de bibliografie aldaar.