Van Lennep ~ Poëtische Werken

Na lange tijd was ik weer eens in een van mijn favoriete antiquariaten, het sfeervolle boekenparadijs Coriovallum, in de Romeinse nederzetting Coriovallum (Heerlen). Hoewel de winkel op loopafstand van mijn werk is, kom ik er te weinig, waarschijnlijk doordat de winkel open is op de twee dagen dat ik normaliter niet in Heerlen ben: vrijdag en zaterdag. Die vrije vrijdag was een cadeautje aan mijzelf toen ik van werkgever veranderde. Misschien moet ik mijn schema toch maar eens aanpassen…

Behalve een los deel uit de Russische Bibliotheek dat ik nog niet had, liep ik ook tegen de 12-delige Poëtische Werken van Jacob van Lennep aan, de uitgave uit 1859-1867, tegen een zeer vriendelijke prijs.

Sinds enige tijd gaat mijn verzamelaarsaandacht ook uit naar 19e-eeuwse Nederlandse schrijvers en dichters. Ik wacht nog op een kans op de biografie van Mathijsen over Van Lennep tegen een leuk prijsje te kopen, maar deze boeiende “schavuit” verdient zeker meer aandacht dan er in de 20e eeuw voor hem is geweest. Weer een mooi weekend voor de boeg…

Daarbij komt dat de boekbandjes uit de 19e eeuw veelal fraai zijn – het oog wil ook wat.

Het regent en het is oktober

Misschien een maandje te vroeg om de dichter J.C. Bloem al te gaan citeren, maar het regende buiten pijpestelen. Binnen regende het boeken. Na weken redelijk “droog” te hebben gestaan is de vangst van vandaag:

Breytenbach, Breyten, Terugkeer naar het paradijs. Een Afrikaans journaal. Vertaald uit het Engels door Mea Flothuis, Van Gennep / Meulenhoff, Amsterdam, 1993. 1e druk - paperback, 275p.
 
Malaparte, Curzio, De huid. Vertaald uit het Italiaans door P. Petersen, Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 1982. 1e druk - paperback, 335p.

Maupassant, Guy de, Sterk als de dood. Vertaald uit het Frans door Clara Eggink, Ambo, Baarn, 1989. 1e druk - paperback, 221p. - [Anno 1889].

Maurik, Justus van, Papieren kinderen. Veen, uitgevers, Utrecht / Antwerpen, 1985. 1e druk - paperback, 183p. - [Amstel Klassiek].

Murakami, Haruki, 1q84 [qutienvierentachtig] - Boek 3. Oktober-december. Vertaald uit het Japans door Jacques Westerhoven, Atlas, Amsterdam / Antwerpen, 2011. 1e druk - gebonden, 474p.

Panofsky, Erwin, Iconologische studies. Thema's uit de Oudheid in de kunst van de Renaissance. Vertaald uit het Engels door Casper de Jong, SUN, Nijmegen, 1984. 2e druk - paperback, 316p.

Roth, Philip, Operation Shylock. A Confession. Jonathan Cape, London, 1993. 1e druk - gebonden, 398p.

Saramago, José, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. Roman. Vertaald uit het Portugees door Harrie Lemmens, Meulenhoff, Amsterdam, 1999. 1e druk - paperback, 414p. - [Meulenhoff Editie; 1775].

Saramago, José, Het stenen vlot. Roman. Vertaald uit het Portugees door Maartje de Kort, Meulenhoff, Amsterdam, z.j.. 1e druk - paperback, 334p. - [Meulenhoff Editie; 1945].

Groeten uit Aken!

Omdat ik meestal vooral op Twitter met anderen over boeken praat en reclame maak voor deze site, realiseer ik me te weinig dat er nog andere lezers van deze blog bestaan. Welkom natuurlijk!

Eén van deze lezers, mogelijk geïnspireerd door mijn wederwaardigheden in het Amsterdamse onlangs, stuurde mij enkele weken geleden per e-mail een bericht met de titel “Bücher zu verschenken”. De afzender maakte duidelijk dat hij graag twee van zijn plankenvullende reeksen naslagwerken cadeau wilde geven. Natuurlijk was mijn nieuwsgierigheid gewekt, nog meer door de foto’s die hij meestuurde.

Afgelopen week was het dan zover. Ik maakte een afhaalafspraak en reed aan het einde van de middag naar Aachen, vlak over de grens, niet ver van hier. Daar aangekomen werd ik vriendelijk ontvangen. De heer Otto H. is een Nederlander die al jaren in Aachen woont.

De twee reeksen waar het om gaat zijn:

Jens, Walter (hrsg.), Kindlers neues Literatur-Lexicon. Studienausgabe. [20 delen] Kindler, München, 1988-1996. - Paperback, ca. 15000 bladzijden.

Mann, Golo & Heuss, Alfred (red.), Universele wereldgeschiedenis [12 delen]. Vertaald uit het Duits Scheltens & Giltay / Heideland-Orbis, Den Haag / Hasselt, 1974-1979. 1e druk - gebonden, ca. 7500 bladzijden.

Daarnaast kreeg ik ter plekke ook nog een bijna 200 jaar oude druk van Schiller mee en een verzamelbundel van toneelwerken van Thomas Bernhard:

Schiller, Friedrich von, Sämtliche Werke. Vollständige Ausgabe in einem Bande. Gebrüder Hartmann, Den Haag, 1829. 1e druk - gebonden, 1333p.

Bernhard, Thomas, Die Stücke, 1969-1981. Suhrkamp, Frankfurt am Main, 1983. 1e druk - gebonden, 1064p. 

Natuurlijk was ik ook in mijn nopjes met die uitgave van Schiller, ondanks dat dit een bibliotheekexemplaar is geweest, en het boek dus stempels en andere sporen van die geschiedenis bevat, maar deze editie bevat alle werken van de grote schrijver, en (wat heel bijzonder is voor die tijd) in romein en niet in Frakturschrift (in de wandelgang wel eens als “gotisch” aangeduid).

Ook het voor Nederland lovende werk over de Opstand, getiteld Geschichte des Abfalls der Vereinigten Niederlande von der Spanische Regierung (1801-1808), zit in deze bundeling:

“Eine der merkwürdigsten Staatsbegebenheiten, die das sechszehnte Jahrhundert zum glänzendsten der Welt gemacht haben, dünkt mir die Gründung der niederländischen Freiheit.”

Dankbaar en voldaan zit ik sindsdien te grasduinen in met name de delen uit Kindlers Lexicon, een ware Fundgrube voor de wereldliteratuur.

In de gauwigheid had ik in Aken een artikel over Ruusbroec gespot, maar al snel raakte ik gelukzalig verdwaald tussen de diverse lemmata, en bleef ik hangen bij Rainer Maria Rilke, van wie ik na lezing van het stuk over de Duineser Elegien natuurlijk de betreffende bundel, hier in de kast aanwezig, moest herlezen. Iets vergelijkbaars gebeurde mij ook bij lezing van het artikel over de Russische schrijver Saltykow, waardoor ik spontaan zin kreeg het – eveneens in de kast staande – De familie Golowljow te gaan lezen. Dat is het fijne van dit soort naslagwerken: ze stimuleren je om weer heel vele andere boeken ter hand te nemen.

Ik bedacht me: als ooit het internet stuk gaat, kan ik alleen al met deze twee reeksen een groot deel van mijn leven offline vullen. Waarvan akte.

Uitstorting van de ziel

Onbekend maakt onbemind. Dat geldt in het bijzonder voor een groot deel van de Nederlandse literatuur uit de 19e eeuw, die eeuw van ‘braafheid’ en ‘domineespoëzie’. Op dat misverstand is door door verschillende kenners is al vaker gewezen. Dat betekent echter niet dat de ‘schade’, door de Tachtigers aangebracht, meteen ongedaan is gemaakt. Ook voor een doorsnee neerlandicus is de  literatuur van de 19e eeuw grotendeels onbekend.

Niet alleen maar domineesdichters
Verrassingen komen niet alleen. Enkele weken geleden verwierf ik, naast een aantal klassiek geworden handboeken literatuurgeschiedenis, ook een groot aantal eigentijdse uitgaves van 19e-eeuwse dichters en schrijvers, waaronder Willem Bilderdijk (zie ook deze aflevering), Nicolaas Beets, J.J.L. ten Kate, H. Tollens, P.A. de Génestet, Jacob van Lennep en Carel van Nievelt. Niet allemaal auteurs waarvoor nu nog warme belangstelling bestaat. Maar binnen die vaak fraai versierde boekbanden blijken soms wel degelijk juweeltjes verborgen. Zo blijkt de veelgesmade Ten Kate nogal wat buitenlandse literatuur vertaald te hebben, waaronder Gerusalemme liberata van Torquato Tasso. Daar kom ik nog een keer apart op terug.

Een deel van de verzameling bevat inderdaad wat veel god, gezin en vaderland, met name de poëzie. Maar er blijken ook heel interessante prozawerken tussen te zitten, zoals Carel van Nievelt (1843-1913), van wie ik 4 verzamelbundels in een uniforme uitgave met verhalen en novellen voor me heb liggen. De auteur publiceerde deze onder eigen naam. Voor andere publicaties hanteerde hij ook wel de pseudoniemen “Gabriël” en “J. van den Oude”.

Lees verder

Bilderdijk weer verenigd

Mijn boekentocht van enkele weken geleden leverde mij een mooie collectie aan 19e-eeuwse literatuur op, met name uit de verzameling van Theo Gerritse. Zoals beschreven in het betreffende blog, mocht ik deze boeken voor een bescheiden bedrag meenemen.

De weer verenigde set uit de collectie Theo Gerritse

In die collectie zaten ook enkele losse delen met eerste drukken uit het werk van Willem Bilderdijk, uit de periode 1804-1808:

Bilderdijk, Willem, De mensch. Popes Essay on Men gevolgd. Johannes Allart, Amsterdam, 1808. 1e druk - gebonden, 224p.
 
Bilderdijk, Willem, Najaarsbladen. Eerste deel. Immerzeel, 's-Gravenhage, 1808. 1e druk - gebonden, 181p.

Bilderdijk, Willem, Mengelingen. Eerste deel. Gezangen van Ossian - Romances - Losse stukken. Johannes Allart, Amsterdam, 1804. 1e druk - gebonden, 158p. 
Lees verder

In paradisum

“Nel mezzo di cammin di nostra vita, mi ritrovai… ” ~ Op het midden van mijn levenspad gekomen bevond ik mij in een donker woud van boeken. Opnieuw: op het midden van mijn levenspad gekomen bevond ik mij in een paradijs.

Vrij naar Dante, als ik zo vrij mag zijn. Voor een grotere en duidelijker weergave (op computerscherm) kunt u op de foto’s klikken.

De lengterichting van de ruimte ligt (globaal) op de noord-zuidas. Hierboven kijken we in noordelijke richting. Links de wand fictie, rechts de wand literatuurwetenschap, geschiedenis, godsdienst, filosofie en Limburgensia. In het midden staat ‘bureau 2’.

Lees verder

Ingeklonken

Zoals u in de vorige aflevering heeft kunnen lezen, heb ik op vrijdag 16 augustus in één keer veel 19e-eeuwse boeken erbij gekregen. Inmiddels zijn ze goed en wel ingeruimd en is er een hele kast met “oudjes” ontstaan:

Geen kroegentocht, maar boekentocht

Of ik interesse had in Busken Huet. Vaak kom je op Twitter interessante en leuke mensen tegen en soms leidt dat tot zo’n nieuwsgierig makende vraag. Bovendien was ik al te lang niet meer in Amsterdam geweest, waar toch meer interessante boeken te koop worden aangeboden dan in mijn eigen woonplaats.

Een van de 40 delen uit de Verzamelde Werken van Conrad Busken Huet

Via Twitter dus, vroeg Marijke Barend-van Haeften, literatuurhistorica – voorheen werkend aan de Universiteit van Amsterdam, mij in april dit jaar of ik interesse had in een set van Busken Huet.

Lees verder

Fables de Fontaine

AuteurJean de la Fontaine
TitelOeuvres complètes – Fables [2 tômes]. Précédées d’une nouvelle notice sur sa vie.
UitgeverLefèvre
PlaatsParis
Jaar van uitgave1818
In Bibliotheca Habetsiana sinds9 juni 2014
BijzonderhedenDeze uitgave is zeer fraai ingebonden en bevat mooie houtgravures.
Lees verder

Op de valreep van mei

Soms is vrouwe Fortuna ook de bibliofiel goedgezind. Enigszins verveeld struinde ik door een kringloopwinkel die ik wel vaker bezoek. Bij de boeken lag niet echt veel bijzonders op dat moment. De gebruikelijke raven hadden het terrein al afgegraven. Hun sporen waren nog zichtbaar.

Maar zie! Mijn ochtend werd een stuk mooier toen de “vulploeg” met een winkelwagen kwam aanrijden en ik er als eerst een paar heel leuke items uithaalde, nog voordat de andere kapers op de kust een kans kregen – want ze kwamen opeens uit allerlei hoeken opduiken.

Lees verder

Een schatkamer voor je verjaardag

Bij de moderne boeken lag op het moment niks naar mijn smaak, behalve één studie in de etalage, maar die was wat al te stevig geprijsd.

Toen ik achterin de winkel belandde, zag ik in de kast “oude boeken”, liggend op een plank op schouderhoogte, een wit kaftje, met daarop in balpen geschreven: “Schatkamer der Nederlandsche Dichteren || 1770 | Leijden”. Mijn aanvankelijke landerigheid sloeg meteen om in geanimeerde nieuwsgierigheid.

Achter dit kaftje bleek een boeiend pakketje schuil te gaan van gerepareerde, samengenaaide en vastgelijmde afleveringen van een tijdschrift, waarvan ik nog nooit gehoord had, maar waarvan de titel en de ouderdom mijn hartje sneller deden kloppen.

Lees verder

April is the cruellest month

Aankopen in april 2019

Soms schrik je een beetje van jezelf, van je bereidheid om altijd maar je portemonnee te trekken en vervolgens boeken mee te sjouwen naar je mancave.

Daar staat tegenover: geen andere exuberante hobby’s, geen dure auto, geen motor, geen boot, geen frequent café- of restaurantbezoek, slechts één vrouw (maar natuurlijk wel 5 dochters), geen geldverslindende sport (alleen een paar hardloopschoenen), geen tabaksgebruik, geen drugsgebruik, matig met alcohol, zuinig en effectief met de boodschappen, kortom een vrij braaf en overzichtelijk leven.

Mijn rechtvaardiging, zo ongeveer.

De oogst is zichtbaar op de foto’s. Wat Nederlandse en vertaalde literatuur, met name een paar mooie deeltjes ‘verzamelde werken’ en/of uit reeksen (Privé Domein, Russische Bibliotheek), wat filosofie, wat Amerikanistiek (geschiedenis en literatuur), iets met heiligen en universiteiten, een paar oudjes (waarover ik onlangs uitgebreider schreef).

Een deeltje uit de van lelijkheid mooie paperback-serie AmstelKlassiek. Het uiterst boeiende boek over Nederlandse boekenwereld in de Gouden Eeuw.

Kortom, de kern van mijn handicap: willen kunnen lezen over de volle breedte. Niet afhankelijk willen zijn van de beschikbaarheid in openbare bibliotheken. Niet goed kunnen kiezen ook, maar tegelijk het toeval een grote rol te geven (naar wat men tegenkomt op zijn pad). Het eigen tekort maar al te goed beseffen, en daar af en toe in te berusten.

Respect voor de oudjes

Soms ligt of staat er een zielig deel alleen. Je weet van jezelf dat je van losse delen jeuk krijgt op onbereikbare plekken. Die serie gaat nooit compleet bij elkaar komen, zeker niet bij zulke oude boeken. Maar toch… In het wekelijkse rondje langs een van mijn favoriete adressen raak ik weer in verleiding.

Dat zielige deeltje, rechts op bovenstaande foto, is deel 5, “tôme cinquième”, uit de Oeuvres de Sainte Thérèse, uitgegeven in 1818 te Lyon bij uitgeverij Fr. Matheron. Een boek van 200 jaar oud, nog feitelijk in zeer goede conditie, met maar een enkel sleets plekje op de band.

Het boek bevat een Franse vertaling van Castillo interior, o Las moradas (oorspr. 1577) van Thérésa van Avila, getiteld Le chateau de l’ame (inderdaad, zonder accenttekens) en van Conceptos del amor de Dios (oorspr. 1566-1574), hier vertaald als Pensées sur l’amour de Dieu. Het eerstgenoemde werk is verdeeld in 17 zogenoemde “demeures” (woningen), wat een vertaling is van de alternatieve titel “moradas”. Dat doet overigens denken aan Johannes 14:2 – “In het huis mijns vaders zijn vele woningen.” Het kasteel van de ziel weerspiegelt dat beeld.

Het papier is nog van de degelijke kwaliteit uit de vroege 19e eeuw. Het kleine handzame formaat herbergt 443 pagina’s, die nog stevig in de band zitten. Kortom een tekst en een uitgave waar veel aan te ontdekken valt.

Het tweede boek, links op de bovenste foto, is mogelijk nog interessanter. Het is weliswaar wat jonger (1845) dan het eerste boek en al van iets moderner papier, zowel onderwerp als vormgeving trekken meteen mijn aandacht.

Het gaat om Recherches et dissertations sur l’histoire de la principauté de Liége, la translation du siége épiscopal de Tongres dans la cité de Liège. Et sur les émeutes, les discordes civiles et les élections populaires des Liégois pendant les 15e, 16e, et 17e siècles  (Onderzoekingen en verhandelingen over de geschiedenis van het prinsdom Luik, de overbrenging van de bisschoppelijke zetel van Tongeren naar Luik. En over de beroeringen, de tweedracht onder burgers en de volksstemmingen van de Luikenaren gedurende de 15e, 16e en 17e eeuw). Het boek is uitgegeven bij H. Dessain te Luik. Aardig in dit verband is de vestiging van de uitgever/boekhandel op het (in Luik centraal gelegen) Lambertusplein, genoemd naar de Heilige Lambertus van Maastricht (ook: van Luik).

De foto hierboven toont het oorspronkelijk papieren kaftje, dat is meegebonden in de contemporaine Franse band met ribben. Net als het vorige boek zijn de schutbladen fraai gemarmerd.

Het dikke boek van ruim 600 bladzijden behandelt de geschiedenis van Luik, en met name de kerkelijke en politieke ontwikkelingen in de late middeleeuwen en vroeg-moderne tijd. De auteur is Louis Marie Guillaume Joseph de Crassier (1772-1851), afkomstig uit een adellijk geslacht.

De Crassier was “historien et numismate”, historicus (waarvan dit boek ook getuigt) en muntdeskundige. De familie had er heel wat verzamelaars en bibliofielen tussen zitten. De oorsprong van de familie ligt in de zuidelijke Nederlanden, met name Maastricht. De Belgische tak concentreert zich rondom Luik, waar ook de auteur van het boek is geboren.

Wat nog aardig is te vermelden is dat Jean-Frédéric Guillaume Joseph de Crassier (1759-1841), getrouwd met Marie Kerens (1769-1854) en overleden te Meerssen (nabij Maastricht) de grote gebeurtenissen van de Franse Revolutie, de Napoleontische tijd, het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de opsplitsing daarvan in Nederland en België meemaakte. Bij de afscheiding van België kozen het echtpaar en hun twee dochters voor de Nederlandse nationaliteit, hun twee zoons voor de Belgische nationaliteit. Hoe grenzen door een gezin kunnen lopen! Overigens kozen meer mensen uit de Maastrichtse elite toentertijd bewust voor de Belgische nationaliteit en verhuisden ze naar een van de nabijgelegen Belgische woonplaatsen.

Ook over dit boek en de achtergrond ervan valt nog veel meer te zeggen. Eerst nog maar eens grondig van A tot Z lezen…

Augustinus en Carthago veneris

Boeken uit de eerste helft van de 20e eeuw vallen vaak op door hun fraaie typografie en vooral ook de (stempel)banden. Op het moment dat ze niet heel zeldzaam zijn, zijn deze boeken voor enkele euro’s tot enkele tientjes toe te voegen aan je bibliotheek, zoals onderstaand fraaie boek over de kerkvader Augustinus.

Louis Bertrand, Sint Augustinus. Geautoriseerde vertaling. Vertaald uit het Frans door Frans J. Wahlen, uitgegeven bij W.L. & J. Brusse, Rotterdam, 1930. 2e, verbeterde druk – gebonden, XXII+336p.

Los van wat je standpunt is in religieuze zaken, is dit een boeiende levensbeschrijving (‘géén “heiligenleven” naar ouden trant’, aldus het ‘woord vooraf van den vertaler’), die bovendien heel fraai is uitgegeven. De taal van het boek is literair, smeuïg, sappig.

“Ik kwam te Carthago, en overal omraasde mij het gekook van misdadige minnarijen.” (p. 55)

Boekband inclusief versierde rug

Behalve de fraaie bandtekening bevat het boek ook mooie houtsneden van de hand van J. Franken Pzn., waarvan er hieronder enkele getoond worden (klik op de betreffende afbeelding voor een grotere weergave).

Daarnaast geeft de manier waarop de tweekleurendruk in rood en zwart is uitgewerkt het boek extra karakter, zoals hieronder te zien is aan de titelpagina.

Met veel gevoel voor detail, hoewel zonder expliciete wetenschappelijke verantwoording, roept Bertrand in bonte kleuren Augustinus en zijn wereld op. Je merkt een zeker welbehagen in de uitgebreide beschrijvingen van de Umwelt uit die tijd. Tegenstellingen worden extra dik aangezet:

“Dit boschrijke Numidië, met zijn waterstroomen, zijn prairies, waarin vette koeien grazen, verschilt zooveel ‘t ook maar mogelijk is van dat andere Numidië, van Sétif, een onmetelijke desolate vlakte, met hier en daar slechts een enkel armzalig hutje op een graanveld; waar zandsteppen in eentonige op en neer deiningen uitrollen tot tegen het wazige massief der Atlas-gebergten, dat den horizon afsluit.” (p. 4)

Tussen twee haakjes: dit bloemrijke taalgebruik maakt ook nieuwsgierig naar de oorspronkelijke Franse tekst. Het boek laat zich dan ook meer als een historische avonturenroman lezen, allerlei retorische strategieën worden ingezet om het spannender te maken. Het doet me denken aan de geschiedenisboeken van vroeger voor de jeugd, waarin het verleden als een spannend verhaal werd verteld.

Jan Engelman ~ 2

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, dat bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.

Context

De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redac­teur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijd­schrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, op­richt­te. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bij­voor­beeld van Albert Kuyle en Henk Kuiten­brouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.

Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma

Engelman werkt in deze jaren veelvuldig mee aan andere tijdschriften, zelfs aan het “heiden­se” Forum, waarvoor hij in De Nieuwe Eeuw, waar hij dan al jaren redacteur Kunst en Letteren is, grote sympathie betuigt: “Overigens is Forum op dit oogenblik misschien het meest levende en interessante tijdschrift.” (De Nieuwe Eeuw 7 april 1932, p. 876). In De Nieuwe Eeuw van 12 mei 1932 (p. 1038) krijgt Forum wederom ruim aandacht van Engelman. Dat was tegen het zere been van veel katholieke schrijvers en critici. Zelfs Van Duinkerken stond hem hierin niet bij: “Tusschen De Nieuwe Eeuw en De Gemeen­schap wordt, met toenemende helder­heid, een meeningsver­schil opge­merkt betreffen­de de beteekenis van het maandblad Forum.” Zijn bezwaar tegen Forum is vooral dat het vitalisme van het blad willekeurig is en geen “richting” heeft. Over het levensbeschouwelijke uitgangspunt waartegen hij in verzet komt, laat Van Duinkerken ook hier geen twijfel bestaan: “Er staan in Forum gedurig bijdragen, wier beginse­len over de levens­kunst, wanneer zij juist waren, alle leven voor altijd onmogelijk zouden maken.” (De Gemeenschap oktober 1933, pp. 482-490).

In Forum worden (ondanks eerdere spotverzen van Menno ter Braak over Engelman) ook gedichten van Jan Engelman opgenomen: Ambrosi­a en Verwach­ting van Paschen, en een artikel over de kunstenaar Pyke Koch. Ook De Gids, De Vrije Bladen, Helikon en de letter­kundi­ge almanak Erts nemen bijdragen van Engelman op. Door zijn tussenposi­tie komt Engelman tussen twee vuren te staan. Van de kant van de katholieken krijgt hij kritiek op zijn estheticis­me, waaraan hij de katholieke belangen opoffert, en zijn sympathie voor en banden met de “heidenen”. “Vanuit het paga­nis­tische kamp wordt Engel­man echter verweten dat hij in zijn kritieken oordeelt vanuit een religieuze vooringe­nomen­heid.” (Bijvoet et al., De Gemeenschap, ‘s-Gravenhage, 1986 – Schrijversprentenboek 24). Daarover had Engelman al een pittige debatje gevoerd met Ter Braak aan het eind van de jaren twintig, in De Vrije Bladen.

Drukgeschiedenis en vormgeving

Aan het eind van 1932 brengt Engelman zijn gedichten, die her en der over de tijdschriften verspreid zijn gepubliceerd, bij elkaar in wat zijn meest bekende bundel is geworden, Tuin van Eros.

Tuin van Eros wordt net als Sine Nomine in een beperk­te oplage uitgege­ven, deze keer door “Cen­tum Nec Plura” (lees: Charles Nypels Pers) te Am­sterdam. Het is een zeer mooie uitgave, gebonden in rood en typogra­fisch goed verzorgd in “een letter van Cochin” gedrukt door Charles Nypels in een oplage van honderd exemplaren bestemd voor de handel en nog eens vijfentwintig “gereser­veerd voor den schrijver”.

Links inhoudsopgave (tweede deel), rechts het colofon.

Het colofon vermeldt verder dat deze bunde­ling negen gedich­ten bevat uit Sine Nomine. Welke dit zijn, wordt er niet bij gezegd en ook in de Verza­melde gedichten (1960, 2e druk: 1972) wordt hierover geen uitsluitsel gegeven. Vergelijking van de edities leert dat het gaat om de volgende gedichten: Hero’s Epi­tap­he, Ver­dre­ven Oog­en (= Het Grens­land II in Sine Nomine), Zacht bran­den (= Het Grens­land IV), Hij daal­de slui­me­rend (= Het Grens­land V), Adieu, Over het gras, Door­reis, en twee van de muzikale gedich­ten: En Rade en Vera Janaco­poulos. Typerend is ook dat dat andere ritmische gedicht uit die eerdere bundel, Arne Borg, wordt weggelaten. Wellicht paste dat toch te weinig in de thematiek van de nieuwe bundel.

De bundel, die is opgedragen “Aan Ambrosia”, Engelmans persoonlij­ke muze, is overigens niet in 1932 op de markt verschenen, zoals het titel­blad ver­meldt, maar in 1933. Bij het drukken zat men net op de jaargrens. Dat verklaart de twee verschillen­de jaartal­len in publicaties over Tuin van Eros.

Een van de pentekeningen van Wiegersma, tegenover de titelpagina van Tuin van Eros (1932)

De eroti­sche pentekenin­gen in de bundel zijn van Henk Wie­ger­sma, de beeldende kunste­naar wiens werk door Engelman verschillende keren is bespro­ken, o.a. in De Gemeenschap jrg. 2 (1926) nr. 11 (november), pp. 325-328 en jrg. 4 (1928) nr. 5 (mei), pp. 195-196; en in: Jan Engelman, Torso (1930). Het zijn deze illustraties die voor sommige critici het “vunzige” karakter van de bundel nog eens hebben bena­drukt. De tekeningen zijn niet meer aanwe­zig in latere uitgaven.

Voor Tuin van Eros krijgt Engelman, die inmiddels veelvuldig wordt besproken, zowel binnen als buiten katholieke zuil, in 1934 de Meiprijs voor Poëzie van de Maat­schappij der Nederlandse Letterkunde. (De schrijver A. den Dool­aard, met wie hij de prijs moet delen, weigert zijn deel.) Bij uitgever Querido wordt dan een handels­editie van Engel­mans gedich­ten uitgege­ven, Tuin van Eros en andere gedichten, waarin ook enkele gedich­ten uit Het Roosven­ster en nog een aantal uit Sine Nomine worden opge­nomen, omdat de beide dichtbundels net als de bibliofiele Tuin van Eros zijn uitver­kocht. (Zie hierover o.a. Jan Engelman, Verzamelde gedichten, p. 222; A.L. Sötemann, Querido van 1915 tot 1990: Een uitgeverij, p. 79.; Zie voor een toelichting op de Mei-prijs vooral Jan H. Cartens, Orpheus en het lam, p. 82 noot 6.)

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934. Het “en andere gedichten” staat niet op de band, wel op de titelpagina.

Tuin van Eros en andere gedichten uit 1934 is te beschouwen als een soort voortijdig “verzameld werk”, waarin enkele jeugdzonden zijn weggelaten, maar anderzijds wel nog een aantal van die vroege verzen worden opgehaald, een beetje vergelijkbaar met wat Marsman enkele jaren later deed met zijn Verzamelde Gedichten.

De handelseditie bij Querido is minder exclusief qua vormgeving dan die eerste druk van Nypels, maar typografie en band zijn nog steeds erg fraai. Zie alleen al hierboven de speciale manier waarop bepaalde letters op het voorplat zijn uitgerekt.

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934 – titelpagina.

De bundel is opgebouwd uit drie delen. In Vroege verzen staan de expres­sio­nistische gedichten; Aan den Oever bevat vooral de gedichten uit (de tweede afdeling van) Sine Nomine. De laatste afdeling, die de kern uitmaakt van de bundel en dezelfde naam draagt als de gehele bundel, bevat de gehele Tuin van Eros uit 1932/1933, uitge­breid met nieuwe gedichten als Envoy, Wolken, het kluch­ti­ge Diable­rie, het sterk romanti­sche Meimor­gen in Limburg en Panta Rei (inderdaad, “rei” zonder h, althans in deze druk).

Er is ook een gedicht, ten opzichte van 1932, wegge­la­ten: het vier-regeli­ge Conflict, dat vooral binnen de kring van De Nieuwe Gemeen­schap (juli-augustus 1934, p. 424) voor veel ophef heeft gezorgd:

Uit: Jan Engelman, Tuin van Eros, 1932.

Dat erotische beschrijvingen in literatuur en poëzie hachelijk zijn, is met deze regels ook meteen aangetoond, omdat de beeldspraak snel lachwekkend kan worden. Bij “schenkel” denken wij toch vooral aan de slager. Maar het openlijk praten over (in dit geval falende) seksualiteit was anno 1932 nog niet zo en vogue.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 11e druk (1947).

In latere drukken, die weer gewoon Tuin van Eros heten (dus zonder de toevoe­ging “en andere gedich­ten“), zijn de eerste en tweede afdeling uit de verzameleditie van 1934 weer weggela­ten. De aan het einde toegevoegde ge­dich­ten zijn wèl gehandhaafd. De opbouw is nagenoeg gelijk aan die van 1932: de bundel begint wederom met het lange gedicht In den tuin.

In die opzet verscheen in 1938 een gekarton­neerde goedkope herdruk (= 3e druk) in klein formaat. In 1946 verscheen de tiende, in 1947 de elfde druk en in 1956 de twaalfde druk. Het is dus na de eerste uitgave vrij snel tot een aantal herdruk­ken gekomen. Na de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de Vijftigers, verdwijnt Engelman als dichter al snel naar de achtergrond.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 12e druk (1956).

De eerste druk van Engel­mans Verza­melde gedichten uit 1960 vormt voor Tuin van Eros de dertiende druk. Al deze laatste uitgaven zijn bij Querido te Amsterdam verschenen.

De gedichten uit Tuin van Eros

In Tuin van Eros staan de gedichten die hun sfeer ontlenen aan een synthese tussen Helleense aardse schoonheid en pla­toons-christelijke idealen. Een typerend gedicht is wat dat betreft het openingsgedicht In den tuin, dat een soort van ouvertu­re vormt op de gehele bundel, waarin onder meer de herinnering van de schepping aan de orde komt:

Ver op den heuvel blinkt het licht
van mijn oorspronkelijk gezicht,
dat mij vervoert en mij verwart:
het oerbegin, het wereldhart.

Wat dit oerbegin inhoudt, en waar het Engelman uiteindelijk om lijkt te gaan (door alle erotiek heen), laat hij doorschemeren in een andere strofe van dit gedicht:

Wie onuitspreeklijk heeft bemind,
wie zoekt tot hij zijn oerglans vindt,
raakt op den grooten stroom eens vlot
en aan den horizon is God.

De tuin van Eros is ook de tuin van Eden, waar het liefhebben schuldeloos is. Het gedicht roept verder talloze reminiscenties op aan de aanbidding van het Lam Gods uit de Apocalyps. Engelman had eerder al een belang­rijk opstel over De Aanbid­ding van het Lam van de gebroeders Van Eyck gepubliceerd in De Gemeen­schap (in 1930 opgenomen in zijn boek Torso). Dit apoca­lyptisch motief moet grote indruk op Engel­man hebben ge­maakt, aangezien het in dit gedicht, maar ook in andere gedichten van Tuin van Eros een belang­rijke ondertoon van de erotiek vormt.

Begin van het openingsgedicht uit Tuin van Eros, “In den tuin”

Over de intenties van een dichter kan slechts gespecu­leerd worden, en in het geval van Engelman is er wat voor te zeggen dat zijn katholicisme vaak slechts een literaire voedings­bron is, maar dat Engelmans poëzie níet doordrongen zou zijn van chris­telijke motie­ven, is ─ wanneer men zich baseert op de gedichten zelf ─ eenvoudig niet hard te maken. Het is de criticus D.A.M. Binnendijk geweest, die dit als een van de eersten (en een van de weinigen, behalve Vestdijk) gezien heeft: “Een op deze wijze genuan­ceerd geloof leidt de aandacht af van de sociale en moreele conflicten en van de evangeli­sche eisen van menschen­min en naastenliefde naar de apocalyptische zijde van het Christendom, naar de visionnaire, mystische en extatische kansen, welke dit geloof evenzeer biedt” (De groene Amsterdammer 29 mei 1937, p. 8).

Fragment uit het openingsgedicht van Tuin van Eros, “In den tuin”

Dat de erotiek desalniettemin een overheersende rol speelt, hebben de critici goed begrepen. Een gedicht als Nachtwake laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

O bleeke heup op bed gevonden
als horizon en heuvelkam,
o borsten, zachter neergewonden
dan donzen vogels, vleugellam ─

Voor tijdschriften als De Nieuwe Gemeenschap (dat zich in 1934 had afgesplitst van De Gemeenschap) zal dit een steen des aanstoots zijn, evenals de regel “Zachte maîtressen die mijn hart verheugt” uit het gedicht Madri­gaal.

“Madrigaal”, uit: Jan Engelman, Tuin van Eros (1932).

Het is met name de poëzie uit Tuin van Eros waardoor Engelman het etiket “musisch dichter” krijgt opgeplakt. Doordat hij nadrukke­lijk afstand nam van zijn vroege, wijdlopige en barokke poëzie, heeft Engelman dit beeld zelf nog eens versterkt. Zijn voorkeur voor fijnzinnig woordspel en muzikaliteit komt in de meeste ge­dichten uit Tuin van Eros naar voren.

Het psychologische element van zijn poëzie is uiterst roman­tisch te noemen: het verlangen naar veraf gelegen werelden, naar het bovennatuur­lijke en elysische, de gespleten­heid ten gevolge daarvan (omdat het aardse zo verleidelijk is), en het onbekommerd willen uitzingen van het eigen lied, dat in feite het uiterst roman­tische credo behelst dat een dichter zijn gemoed moet uitspreken in zijn gedichten. Een duidelijk voor­beeld daarvan is te vinden in het gedicht Hart en lied:

Uit doem en uit ellende
rijst soms het rankste lied,
waar ik mij keer of wende,
mijn hart zingt als het riet.

Het zijn regels als deze die sommige critici doen denken aan Gezelle of Gorter. Wie in Engelmans bundels bladert, valt op hoeveel gedichten met muziek te maken hebben, wat vaak al in de titel tot uiting komt. Aller­eerst natuurlijk het bekende gedicht geïnspireerd door een Griekse zangeres, Vera Janacopoulos, dat bovendien de onderti­tel “cantilene” heeft, een genre-aanduiding uit de muziek.

Dit gedicht wordt nog wel in schoolboeken gebruikt als sprekend voorbeeld van poésie pure, een klankgedicht (ondanks dat Vestdijk in de jaren ’40 al lang heeft aangetoond dat de betekenis van de gebruikte woorden er wel degelijk toe doet bij het oproepen van de sfeer van het gedicht). Het is Engelmans bekendste gedicht.

En Rade, evenals het vorige gedicht al in Sine Nomine te vinden, heeft als ondertitel: “vocalise voor Cavalcanti”. Ook dit gedicht wordt nog wel eens geciteerd in literatuurgeschiedenissen en (school)bloemlezingen.

Alberto de Cavalcanti was cineast, vooral bekend om zijn avantgardistische films in de jaren twintig. Het gedicht van Engelman is geschreven naar aanleiding van En Rade. In deze film komen ook beelden voor van een haven, die heimwee oproept naar de verte (wat ook in Engelmans gedicht tot uitdrukking komt); op balen staan de namen van plaatsen elders op de wereld (en ook deze namen heeft Engelman overgenomen).

In de verschil­lende edities van Tuin van Eros en in Het bezegeld hart wordt het aantal gedichten dat refereert aan de muziek aanzienlijk uitgebreid: “Wo die schönen Trompeten blasen”, Madrigaal, Hart en lied, Klein Air, Melodie des Herzens, het `ostinato’ Wolken, Tijdzang, Het Andere Lied, en Aandachtig Lied.

Een van de mooiste gedichten uit Tuin van Eros, we kwamen het al tegen bij de behandeling van Sine Nomine (1930) vind ik persoonlijk nog altijd “Zacht branden”.

Als ergens mystiek en erotiek op een elegante, beknopte en niet-leerstellige manier in schoonheid samengaan, dan hier, weerspiegeld in de vele (maar naar mijn smaak niet hinderlijk op de voorgrond tredende) assonanties, alliteraties en metrische bijzonderheden. Wie ben jij, met wie ik zo verkeer? De prille keel is nog op het randje (gezien Engelmans soms uit de bocht schietende lichamelijke beeldspraak – denk aan de eerder geciteerde schenkel), maar verbindt dit gedicht ook met de cantilenes en vocalises uit de bundel.

Tot de mooie gedichten die vanaf de editie van 1934 zijn toegevoegd behoren “Meimorgen in Limburg”, “Klein Air” en vooral “Annabel”, waaruit blijkt wat Engelmans grootste (en tegelijk beperkte) dichterlijke talent was: het lyrische, het zangerige, het muzisch geïnspireerde korte gedicht.

Tuin van Eros is wel het hoogtepunt in het dichterschap van Jan Engelman. In een volgende aflevering laten we nog enkele bijzonderheden zien uit de periode 1936-1941, zoals het fascinerende gelegenheidsgedicht “De dijk”, dat Engelman schreef n.a.v. een AVRO-prijsvraag.


Jan Engelman ~ 1

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). Eén ding kreeg ik al gauw in de gaten: het verzamelen van Engelman was niet alleen leuk om je studie-object zo compleet mogelijk in huis te hebben, maar ook op het gebied van drukgeschiedenis, typografie en boekverzorging valt er aan Engelmans werk veel te beleven. In een aantal afleveringen laat ik de dichtbundels van 1927-1940 de revue passeren. Hieronder de eerste aflevering: over het debuut uit 1927 en de wonderlijk mooie bundel Sine Nomine (1930).

1927: het debuut

Jan Engelman kwam voort uit de groep die men wel is gaan aanduiden als de jong-katholieken, die aanvankelijk deels rondom het tijdschrift Roeping waren georganiseerd (zoals iedereen zich organiseerde naar gezindte in het verzuilde Nederland). Ontevreden jonge katholieke schrijvers keerden zich tegen de tendens in Roeping om kunst en literatuur eenzijdig ethisch-religieus te benaderen: schoonheid is dat wat tot God leidt en de kunstenaar moet in zijn kunst vooral zijn geloof belijden.

Engelman heeft in Roeping ook enkele gedichten gepubliceerd, maar al spoedig, in 1925, richtte hij samen met enkele andere ‘jongeren’ een nieuw tijdschrift op, De Gemeenschap. In het tijdschrift publiceerde Engelman weer gedichten, maar ook beschouwingen over literatuur en kunst.

In 1927 bundelde Engelman een aantal van zijn eerste gedichten in Het Roosvenster.

Jan Engelman, Het roosvenster. Stenfert Kroese & Van Der Zande, Arnhem, 1927. 1e druk – paperback, 15p. – gedrukt bij drukkerij Boosten & Stols, crème papieren omslag, rood uitgeversembleem.

Het is een dun bundeltje en geeft een heel ander beeld dan we bij Engelman hebben: de gedichten zijn langer dan zijn latere, meer lyrische poëzie en vertonen behoorlijk lange regels, zoals in het gedicht “De geboorte”.

Toen de verschroeide samoen over de aarde was gegaan ─
heuvelen lagen zwart gebrand en de steden verdord als gemartelde monden,
de syrinx der vertwijfeling gilde van horizont tot horizont
en de laatste chimaera grijnsde krankzinnig op het trillende zand,
een mensch sloeg zijn nagels aan de aarde
die stom bleef ─
toen de visschen scholen in de diep-zee,
de wilde dieren met bevende neusgaten in de ravijnen,
toen de groote stilte nabij was

De toon is verheven, breedsprakig en vol van wat men wel het humanistisch expressionisme is gaan noemen, met een terugblik naar de voorbije, verschrikkelijke Grote Oorlog, die aan veel illusies een einde maakte. Op sommige plaatsen doet het gedicht echt verouderd aan of wordt de beeldspraak overdreven ─ iets wat critici Engelman wel vaker verweten hebben:

Al moesten wij de poorten breken van duizend forteressen,
al moesten wij kruipen onder huilende granaten der slagvelden,
al moesten wij dalen in grafkelders
en wroeten in de zwijgende kluizen der banken, waar het valsche goud blinkt,
met doorschoten vlaggen staan op barricaden
en proeven het zure brood der gevangenen

In dit fragment klinkt zelfs een revolutionaire toon door, maar toch moet dit eerder gezien worden als een uiting van jeugdig enthousiasme (zoals dat later ook in het gedicht The Flying Fool naar voren komt), gecombi­neerd met de barokke beeld­spraak die is ontleend aan het humanitaire ex­pressionis­me.

Critici waren over het algemeen niet erg positief over deze bundel. Opvallend is wel dat er al heel wat besprekingen aan gewijd zijn.

Qua boekverzorging en typografie viel er nog niet zoveel te beleven aan dit debuut, maar dat veranderde snel met de volgende bundel.

1930: Sine Nomine

In de jaargangen 1928 en 1929 publiceert Engelman in De Ge­meenschap, maar ook elders, de gedichten die in zijn tweede bundel Sine Nomine (1930) terecht zullen komen. In De Gemeenschap zijn dit vooral de bekend geworden klankgedichten Vera Janaco­poulos en Arne Borg, en de gedichten Over het gras en Met Jeanne d’Arc op Kerstmis. Het aantal bijdragen van Engelman aan De Gemeen­schap neemt in deze jaren af. Engelman blijkt ook met andere, veelal niet-katholieke tijd­schrif­ten vriendschap­pelijke banden te onderhouden. Zo wordt in het meer algeme­ne podium De Vrije Bladen in 1927 zijn gedicht October opgeno­men. Een ander gedicht, Amenop­his IV, verschijnt in 1928 in het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en Maria te Canne in De Gids van 1929. Engelman is een van de weinigen binnen het verzuilde literaire leven die zich zó vrij beweegt buiten de eigen groep.

Toon en ritme – er zit iets strakgecomponeerds in de ogenschijnlijk wat grillige vorm – geven dit gedicht zijn dwingend poëtisch karakter, al doet het in de verte inhoudelijk een beetje aan “Cheops” denken van J.H. Leopold.

In 1929 wordt ook Anton van Duinkerken in de redactie van De Gemeen­schap opgeno­men; hij raakt goed bevriend met Engelman. Ondanks het stempel dat Van Duinkerken vanaf het begin op het blad drukt, is het tij echter niet meer te keren: Engel­man en De Gemeen­schap raken geleide­lijk steeds verder van elkaar verwij­derd. In 1928 en 1929 zijn nog enkele belangrijke opstellen van zijn hand te vinden: over de beeldende kunste­naars Henk Wiegersma en Henri Jonas, over de dichters Karel van de Woes­tijne, Erich Wichman en over de criticus Gerard Bruning. In 1930 is vooral het opstel over het tijdschrift Leiding van P.N. van Eyck van belang, die op zijn beurt een bespreking wijdt aan De Gemeenschap en een aan Sine Nomine van Engelman.

In 1930 lopen de conflicten over de koers van het blad tussen de redacteuren hoog op, tussen Engelman en Van Duinkerken enerzijds en Henk Kuitenbrou­wer en Albert Kuyle (= Louis Kuitenbrou­wer) anderzijds. Met name Kuyle heeft steeds meer kritiek op Engelman, ook als persoon, en op diens leefwijze, die in de ogen van Kuyle losban­dig is. Eind 1930 verlaat Engelman de redactie van De Gemeenschap. Albert Kuyle, die tot dan toe slechts mede­wer­ker en redactie­secretaris is geweest, neemt dan zitting in de redactie.

Ondertussen is Engelmans ster rijzende aan het firmament van de Nederlandse literatuur. Zijn klankge­dichten, waaronder Vera Janacopoulos wel het meest, worden natio­naal bekend en roepen zowel positieve als nega­tieve reacties op. In 1930 ver­schijnt ─ nog bij uitgeverij De Ge­meen­schap (gelieerd aan het tijdschrift) ─ Engel­mans tweede bundel, Sine Nomine. Het is een luxe uitgave, in een kleine oplage gedrukt door de bekende Maastrichtse typograaf Charles Nypels.

Jan Engelman, Sine Nomine. De Gemeenschap, Utrecht, 1930. 1e druk – gebonden, 49p.

In deze bundel vinden we nog wel enkele langere, aan het expressionisme en vitalisme herinnerende gedichten zoals “The Flying Fool”, waarin wat modieus de vliegende avonturier Charles Lindbergh wordt verafgood: “Een nieuwe jeugd ging opwaarts in zijn Ster.” Engelman noemt hem o.a. de “ijlbode onzer nostalgie”. Het is duidelijk dat hij experimenteerde met vorm en inhoud en nog zijn weg moest vinden.

The Flying Fool (fragment)

Lindbergh is de drager van het olympische vuur, hij heeft een grootse prestatie geleverd, die model staat voor en symbool is van het nieuwe elan van na de Eerste Wereldoorlog. Tegelijkertijd is het een aansporing voor de jong-katholieken. Met recht kan gezegd worden dat dit gedicht, zoals meer gedichten in de eerste afdeling van Sine Nomine, aansluit bij de vitalisti­sche gedichten uit Het Roosvenster. Gedurende de bundel is een geleide­lijke overgang waar te nemen naar een meer individualisti­sche en hellenis­tische sfeer, wat blijkt uit de aanwezigheid van een aantal typeren­de kenmerken: classicisme, estheticisme, (neo-)platonisme en (algemeen-) christelijke religiositeit.

In de bundel zijn ook al enkele gedichten te vinden die typerend zijn voor de latere, “musische” Engelman, zoals het bekendste gedicht van hem, het klankdicht “Vera Janacopoulos”, en andere experimenten op dit terrein, “Arne Borg” (een beetje in de stijl van Paul van Ostaijen) en “En Rade”.

Arne Borg (fragment)

Het is ook typerend dat de meeste van deze klankdichten, samen met strakker gecomponeerde gedichten als “Verdreven Oogen”, “Zacht branden” en “Hij daalde sluimerend” ook in de volgende bundels worden opgenomen.

Twee gedichten uit de cyclus ‘Het grensland’. De gedichten II, IV en V zullen in Tuin van Eros als zelfstandige gedichten, los van elkaar met een eigen titel, worden opgenomen.

“Zacht branden” laat al een glimp zien van de mystiek aandoende erotiek waarvan Engelmans volgende bundel geheel doordrongen is. Het is een klankrijk gedicht, waarin enjambement, rijm en metriek nagenoeg perfect samengaan met de inhoud.

De bundel Sine Nomine wordt in de kritiek niet onverdeeld gunstig beoor­deeld, maar men onderkent wel de waarde van sommige afzonder­lijke gedichten. Waar­schijnlijk heeft dit Engelman ertoe gebracht van Sine Nomine geen herdruk uit te brengen, maar enkele, in van de meest spraakmakende ge­dich­ten in een nieuwe bundel weer op te nemen. In Tuin van Eros (1932) zijn inder­daad negen gedichten uit Sine Nomine opgeno­men.

Tot slot: deze keer valt er ook qua boekverzorging wat te beleven. Alleen al de fraaie schreefloze hoofdletters van de titelpagina en de boekband doen heel modern aan, en zowel het blauw op de grijze band als het rood als tweede kleur op de titelpagina vind ik erg mooi.

De bundel werd ook in maar een kleine oplage uitgegeven, gedrukt in Maastricht door de beroemde typograaf Charles Nypels. Het “colophon” is wat dubbelzinnig over de oplage en het papier: zijn er maar 50 in totaal uitgegeven en dus allemaal op het papier van Van Gelder Zonen, of zijn er meer gedrukt en zijn daarvan er 50 aldus gedrukt? In het eerste geval had ik een komma verwacht, maar het laatste is waarschijnlijker. Dit vraagt om nader uitzoeken (cliffhanger)!

Volgende keer: de verschillende drukken van Tuin van Eros (en al dan niet “andere gedichten” en de gewaagde tekeningen van Henk Wiegersma!

De spuigaten uit

Februari is nog maar een dag begonnen of het loopt alweer de spuigaten uit. Gelegenheid zoekt de dief, ik bedoel de bibliofiel.

Ik ben met name in mijn nopjes met de tweedelige uitgave van P.C. Hoofts Gedichten: “Volledige uitgave door F.A. Stoett, tweede geheel herziene, vermeerderde druk van de uitgave van P. Leendertz Wz.”, uitgegeven bij uitgeverij P.N. van Kampen in 1899 (deel 1) en 1900 (deel 2). De uitgave is er in verschillende uitvoeringen / banden. Ik heb hier een versie met halflinnen / half rood (kunst?)leder, ingebonden bij boekbinderij J.J. Küppers te Roermond. De twee delen zijn overigens onderdeel geweest van de bibliotheek van het R.K. Lyceum voor meisjes te Amsterdam. Hoe ze dan weer terug in Limburg zijn gekomen, is mij een raadsel.

Onder gedichten is in dit geval ook verstaan: het in dichtregels gestelde toneelwerk, zoals Geeraerdt van Velsen , Baeto en zelfs Ware-nar. Die ruime opvatting van “gedichten” is in afwijking van de moderne uitgave van P. Tuynman, die zich nadrukkelijk, blijkens de titel al, beperkt tot de Lyrische poëzie (zangen, sonnetten, gelegenheidsdichten, etc.).

Bij P.C. Hooft (en andere tijdgenoten) ervaar je nog dat “lyriek” afstamt van / samenhangt met zingen. Het woord is (zie ook Wikipedia) afgeleid van het Griekse λύρα (lura), dat “lier” betekent. In de oorspronkelijke betekenis zijn het gedichten of liedteksten die met de lier begeleid kunnen worden. Veel van Hoofts gedichten zijn voorzien met een wijsaanduiding (“op de wijze van…”) maar klinken ook als een klok en zijn sterk metrisch van karakter.

Ter afsluiting een van de bekendste lyrische gedichten van P.C. Hooft, een sonnet dat mooi mag “suonare” (weerklinken):

Een monument bij elkaar

Zaterdag 26 januari was het eindelijk zo ver: een date met een aantal van een gelijke soort “gekken” als ik zelf, afkomstig uit verschillende delen van het land: Perkamentus en Fasol (wier pseudoniemen ik hier zal respecteren), R. Kemper Alferink, en natuurlijk Paul Abels, die samen met zijn vrouw ons gastvrij door Gouda loodste, van kerkhistorie en glas tot drukkerij en antiquariaat.

Gouda – Markt en het oude Stadhuis

Het allermooiste werd tot het laatst bewaard: het van binnen bezichtigen van Pauls eigen Goudse librije, een heel sfeervol boekenkabinet waar mening bibliofielenhart sneller van gaat kloppen. Ondanks onze verschillende aandachtsgebieden qua boeken, werden de overeenkomsten in, wat ik maar noem, bibliofiele “maniertjes” duidelijk en een antropoloog had het bestaan van een specifieke menssoort kunnen bevestigen.

Omdat Maastricht en Gouda toch een beetje uit elkaar liggen en ik de laatste jaren te weinig in het “Hollandse” deel der natie kom, had ik het nuttige met het aangename verenigd, een NS-dagkaart gekocht, en ‘s ochtends vooraf in Den Haag een “paar boekies” opgehaald die ik op Markplaats besproken had. Dat heb ik geweten! Voor een vriendelijk prijsje kocht ik, zo goed als nieuw, vier kloeke delen uit Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, een vrij nieuw monument van de neerlandistiek, verschenen bij uitgeverij Bert Bakker tussen 2006 en 2017.

Voorpret tijdens de lange treinreis van Gouda naar Maastricht, met de nieuw verworven delen.

Behalve dat ik die dag vele voetstappen heb gezet, heb ik ook menige extra kilo meegetorst, van Den Haag naar Gouda, door Gouda heen en ‘s avonds mee terug naar Maastricht. Maar geduld en inspanning (de twee vrienden van een bibliofiel en zijn portemonnee) zijn beloond.

De vier nieuwe delen verenigd met hun lotgenoten aan het thuisfront.

Nog één “echt” deel ontbreekt (naast het dunne deeltje met nabeschouwingen), maar geduld loont, zo is gebleken. Duizenden pagina’s aan letterkundige geleerdheid in een veelkleurig uniforme uitgave. De kleurenoverloop tussen de delen vind ik trouwens erg mooi.
Het is eenheid in verscheidenheid, of eigenlijk andersom. Die geleidelijke “verkleuring” weerspiegelt ook de lange ontwikkeling van de Nederlandse literatuur door de geschiedenis heen. Zo wordt het verleden langzaam herkenbaar in het heden.

Met dat laatste kom ik weer terug op wat die 5 “gekken” in dat Goudse boekenkabinet (dat van buitenaf bij mensen de indruk van een exclusief antiquariaat wekt) bindt gedurende de middag en de vooravond. In cultuurhistorisch en bibliofiel opzicht kan ik me eigenlijk geen betere dag wensen.

De complete reeks:

Oostrom, F.P. (Frits) van, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Bert Bakker, Amsterdam, 2006. 1e druk – gebonden, 640p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 1].

Oostrom, F.P. (Frits) van, Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400. Bert Bakker, Amsterdam, 2013. 1e druk – gebonden, 650p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 2].

Pleij, Herman, Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1440-1560. Bert Bakker, Amsterdam, 2007. 1e druk – gebonden, 863p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 3].

Porteman, Karel; Smits-Veldt, Mieke B., Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700. Bert Bakker, Amsterdam, 2008. 1e druk – gebonden, 1053p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 4].

Leemans, Inger; Johannes, Gert-Jan, Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: De Republiek. Bert Bakker, Amsterdam, 2013. 1e druk – gebonden, 815p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 5].

Verschaffel, Tom, De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden. Bert Bakker, Amsterdam, 2017. 1e druk – gebonden, 331p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 6].

Berg, Wim van den; Couttenier, Piet, Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1800-1900. Bert Bakker, Amsterdam, 2009. 1e druk – paperback, 833p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 7]. – Dit is het nog ontbrekende deel.

Bel, Jacqueline, Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945. Bert Bakker, Amsterdam, 2015. 1e druk – gebonden, 1140p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 8].

Brems, Hugo, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1945-2005. Bert Bakker, Amsterdam, 2006. 1e druk – gebonden, 792p. – [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 9].

Gelderblom, Arie Jan; Musschoot, Anne Marie, Ongeziene blikken. Nabeschouwingen. Bert Bakker, Amsterdam, 2017. 1e druk – gebonden, 96p.
– [Geschiedenis van de Nederlandse literatuur; 10]. – Ja, ook dit deeltje zal ooit in mijn bibliotheek belanden, maar dat heeft geen prioriteit.