Rhijnvis Feith – Brieven

Rhijnvis Feith is bij velen vooral bekend als de schrijver van het tranentrekkende Julia en van het Oudejaarslied dat nog wel wordt gezongen in protestantse kerken (“Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen”). Maar Feith was een veelzijdig man, eigenzinnig patriot, en een voorvechter van het sentimentalisme aan het einde van de 18e eeuw. In de Brieven over verscheiden onderwerpen behandelt Feith diverse literaire en literair-theoretische onderwerpen en verdedigt hij het sentimentalisme.

Lees verder

Het beste van Couperus

Ik krijg wel eens de vraag welke boeken van Couperus nu werkelijk de moeite waard zijn en waarmee je het beste kunt beginnen. Onderstaande lijst is een lijst gebaseerd op persoonlijke voorkeur. Natuurlijk staat het eenieder vrij zijn of haar eigen leespad te bewandelen.

Wat zijn zijn beste romans?

Lees verder

Uitstorting van de ziel

Onbekend maakt onbemind. Dat geldt in het bijzonder voor een groot deel van de Nederlandse literatuur uit de 19e eeuw, die eeuw van ‘braafheid’ en ‘domineespoëzie’. Op dat misverstand is door verschillende kenners is al vaker gewezen. Dat betekent echter niet dat de ‘schade’, door de Tachtigers aangebracht, meteen ongedaan is gemaakt. Ook voor een doorsnee neerlandicus is de  literatuur van de 19e eeuw grotendeels onbekend.

Niet alleen maar domineesdichters
Verrassingen komen niet alleen. Enkele weken geleden verwierf ik, naast een aantal klassiek geworden handboeken literatuurgeschiedenis, ook een groot aantal eigentijdse uitgaves van 19e-eeuwse dichters en schrijvers, waaronder Willem Bilderdijk (zie ook deze aflevering), Nicolaas Beets, J.J.L. ten Kate, H. Tollens, P.A. de Génestet, Jacob van Lennep en Carel van Nievelt. Niet allemaal auteurs waarvoor nu nog warme belangstelling bestaat. Maar binnen die vaak fraai versierde boekbanden blijken soms wel degelijk juweeltjes verborgen. Zo blijkt de veelgesmade Ten Kate nogal wat buitenlandse literatuur vertaald te hebben, waaronder La Gerusalemme liberata van Torquato Tasso.

Lees verder

Kansloze missie ~ Culturele Coryfeeën

Als er een boek op de mat valt, dat over een aantal van je geliefde auteurs gaat, ben je even een moment blij. Totdat je begint te lezen en beseft dat de ronkende titel, Culturele Coryfeeën, beide met hoofdletter, een voorafschaduwing is van de inhoud.

De op zich neutrale aanduiding in de ondertitel “een eerbetoon aan” wordt dan plotseling een extra alarmbel die gaat rinkelen: hier is een auteur aan het woord die in mateloze bewondering neerknielt voor de Groten der Aarde, nou ja: cultuurdragers van Nederlands grondgebied.

Lees verder

“Ik hoop dat je van het boekje geniet”

Een boek kan soms het meest intieme cadeau zijn dat je van iemand krijgt. Een zekere H. (achternaam en woonplaats onbekend) verjaart. Hij (de voornaam duidt onmiskenbaar een man aan) wordt 82. Een bekende van hem, A. wenst hem een fijne verjaardag toe in de meest warme bewoordingen.

De voornaam duidt onmiskenbaar op een vrouw. Zijn echtgenote, of heeft hij die overleefd? Nee, zij kan het niet zijn, want de intieme woorden veronderstellen tegelijkertijd een niet-nabijheid. “Vieren met de familie komt nog.”

Is het een goede vriendin, zijn nieuw gevonden liefde wellicht, of een oude vlam die hij decennia niet gezien of gesproken heeft? Of zou het een zus zijn? Of een dochter die veel van haar vader houdt? Of maakt ze zich er makkelijk vanaf? Zo van: we (de familie) kunnen zelf niet komen, je krijgt nog je feestje en veel plezier met dit boek. Je kunt hier verschillende kanten op bij gebrek aan context.

Woont hij in een huis waar voor hem gezorgd wordt? Dat suggereert dit wel: “In het huis zal er ook nog wel aandacht aan besteed worden.” Is het misschien een verzorgster uit “het huis”, waarover ze ogenschijnlijk met grote vertrouwdheid en vanzelfsprekendheid schrijft? Haar taal en spelling zijn overigens onberispelijk, geen enkele van de d-/t-fouten die je steeds vaker ziet.

Ze wenst hem nog veel goede, gezonde jaren erbij. “Ik hoop dat je van het boekje geniet.” Het kaartje hoort dus echt bij het boekje (of bij een ander boek, en dan is het als boekenlegger verdwaald geraakt). Alvorens ze hem tot slot het “allerbeste en lieve groeten” wenst, volgt misschien wel de meest intieme onthulling: “Dat deed ik ook.” (ze doelt op het genieten). Ze heeft dit boek dus zelf ook gelezen, dat beweert ze althans. Het kan een vorm van inlevende beleefdheid zijn, of gewoon waar – uiteindelijk maakt dat niet uit, het cadeau is persoonlijk, de genegenheid heeft de ruimte van taal gekregen, een volgeschreven kaart. Een beetje ouderwets. Ik zie hem zitten, glimlachend om de attentie (of verbitterd: waarom komt ze niet zelf?), met het boekje in handen. Plat du jour, menu van de dag, met anekdotische verhalen over Frankrijk. Ik zie hem zitten en voel me een beetje een voyeur die net niet alles kan horen.

Het boekje is de 7e druk uit 2009. Als hij het ook meteen in dat jaar heeft gekregen, wat zeer aannemelijk is gezien de elkaar snel opvolgende drukken, dan is hij nu… 89 jaar. Of zou hij inmiddels overleden zijn? Heeft men zijn huis of kamer in “het huis” leeggehaald, de boedel verdeeld en de boeken maar aan de kringloopwinkel meegegeven? Ik voel me steeds ongemakkelijker met boek en kaart.

De laatste homo universalis ~ In memoriam Umberto Eco

Toen ik het werk van Umberto Eco voor mijzelf “ontdekte”, aan het eind van mijn schooltijd in Maastricht (1989-1990), was hij inmiddels wereldberoemd vanwege de in vele talen vertaalde, en inmiddels verfilmde, dikke roman Il nome della rosa, “De naam van de roos”.

Natuurlijk had ik ook de film met Sean Connery in de hoofdrol gezien, zelfs de videoband ervan in huis. Het kon ook niet anders dan dat dit de roman van Eco was waarmee ik als eerste kennis maakte en waarvan ik danig onder de indruk was. Iets later, in mijn eerste studiejaar Nederlands in Nijmegen, las ik het boek nogmaals. Onze inspirerende docent Middelnederlandse letterkunde Paul Wackers wees ons op de anachronismen, maar raadde het ons desondanks aan, omdat er ook veel “wereldbeeld” in te vinden was.

Het tweede boek van Eco dat aan mijn lezershorizon verscheen, was De slinger van Foucault. Waarschijnlijk is er nauwelijks een boek denkbaar dat bij zoveel mensen ongelezen in de kast heeft gestaan. Alleen al door het in de kast te hebben, kon men zich een intellectueel imago aanmeten. Op mij heeft het door de combinatie van omvang en geleerdheid altijd een afschrikwekkend effect gehad, waardoor ik het nog steeds niet van kaft tot kaft heb gelezen. Daarmee diskwalificeert het zich overigens niet als boek, maar heeft het dezelfde bijzondere reputatie als bijvoorbeeld Finnegans wake van James Joyce. Eco was hartstochtelijk geleerd en schreef over talloze onderwerpen op heel verschillende terreinen, waaronder ook over James Joyce en de veronderstelde invloed van de middeleeuwen op diens werk. Eigenlijk is mij die essayistische en literatuurwetenschappelijke Eco altijd minstens zo lief geweest, ook al zijn niet al zijn boeken en artikelen even “leesbaar”.

Toen hij beroemd werd met zijn romans (vooral De naam van de roos), timmerde Umberto Eco al vele jaren aan de weg als wetenschapper. In 1991 was hij te gast in Nijmegen, uitgenodigd door de vakgroep Algemene Literatuurwetenschap (ALW), waar ik ook vakken volgde. Ik herinner me een uitpuilende collegezaal, alsof er een bekende ster uit de pop- en rockwereld werd binnengehaald. In de nasleep van dat evenement verschenen in Letterlik, het toenmalige Nijmeegse instituutsblad van Nederlands, artikelen over het literatuurtheoretische werk van Eco, die een poging deden de meester qua geheimtaal naar de kroon te steken. Het ging over de “limits of interpretation” versus de in principe eindeloze mogelijkheden tot het genereren van betekenissen (“eindeloze semiosis”).

In de berichten naar aanleiding van Eco’s overlijden wordt gesproken over zijn veelzijdigheid en onmatigheid. Onmatig was hij in zijn schrijven zeker. Hij heeft a.h.w. een omvangrijk pak van Sjaalman achtergelaten. Er leken voor Eco geen grenzen te bestaan. Moeiteloos verbond hij lage en hoge cultuur, schakelde hij tussen stripverhalen en esthetische theorie, tussen middeleeuwen en heden, tussen ingewikkelde taaltheoretische beschouwing en luchtige scherts. Hij schreef over schoonheid en lelijkheid in de kunst, hij had voor studenten en andere schrijvers in de dop een handleiding Hoe schrijf ik een scriptie geschreven, die ondanks alle luchthartige ironie nog nuttig bleek ook. Daarin hij vooral spoort hij ook aan tot meer leren, extra talen te leren, meer kennis te vergaren. Zo schreef hij uiteenlopende boeken als Kunst en schoonheid in de middeleeuwen en Europa en de volmaakte taal.

Een van de geestigste romans (met behulp waarvan ik mijn Italiaans probeerde te upgraden, door het origineel parallel aan de vertaling te lezen) vind ik nog altijd Baudolino, over de belevenissen een leugenachtige schavuit tijdens een van de kruistochten in het gevolg van keizer Frederik I “Barbarossa”.

Kenmerkend voor zijn veelzijdigheid is dat Eco’s boeken door je hele bibliotheek heen verspreid staan, je vindt ze terug tussen: romans, literaire essays, literatuurwetenschap, (taal)filosofie, semiotiek, middeleeuwen, kunstgeschiedenis, etc. Het is bijna onmogelijk alles te kennen van Eco. Zo zou hij ook een autoriteit zijn op het gebied van James Bond en ook kinderboeken geschreven hebben. Een aantal van zijn latere romans heb ik nog niet gelezen, en ga zo maar verder.

Van sommige mensen kun je je niet voorstellen dat ze niet het eeuwige leven hebben, zeker als ze gedurende enkele decennia in zo’n nadrukkelijke mate aanwezig zijn geweest. Met het overlijden van Umberto Eco is weer een persoonlijkheid van ons heengegaan die de wereld verrijkte met zijn vele kleuren. Misschien was hij wel de laaste homo universalis.

De verzuchting van Hadrianus

Dit boek begint meteen met de wat melancholieke verzuchting van Hadrianus (hij is eerder die dag bij de dokter geweest en vertelt over zijn wederwaardigheden):

Het is moeilijk in het bijzijn van een arts keizer te blijven, moeilijk ook je menselijke waardigheid te behouden. Het oog van de medicus zag in mij niets anders dan een hoop lichaamssappen, triest mengsel van lymfe en bloed. Vanmorgen is voor het eerst de gedachte in me opgekomen dat mijn lichaam, die trouwe metgezel, die vriend, zekerder en mij beter bekend dan mijn ziel, veeleer een geniepig monster is dat op een gegeven moment zijn meester zal verslinden.

Je kunt je er alles bij voorstellen. Blijkbaar heeft Hadrianus niet te klagen, want dat hij op oudere leeftijd voor het eerst op die gedachte komt, zegt veel over de voorafgaande gezondheid.

Niet zonder reden noemt hij het lichaam ook zijn vriend, zijn trouwe (!) metgezel. Nu lijdt hij, naar eigen zeggen en volgens de dokter aan “waterzucht door hartzwakte”.

De postmoderne Lambik

Op de leeftijd dat je doorgaans de avonturen van Suske & Wiske tot je neemt, heb je meestal nog niet gehoord van metafictie of postmodernisme. Als je op latere leeftijd, gepokt en gemazeld in verschillende opzichten, al dan niet per ongeluk een van de albums doorbladert, dan valt aan de humor van Lambik opeens iets op:

SuskeWiskePostmodern1

Als we “metafictie” (vorm van fictie waarin bewust verwijzingen naar het fictie-medium zijn opgenomen), het spel met en problematiseren van de relatie tussen fictie en werkelijkheid, het commentaar op het medium zelf (“niet datgene wat verteld wordt staat centraal, maar het vertellen zelf”) etc. als de belangrijkste kenmerken van postmoderne literatuur (http://nl.wikipedia.org/wiki/Postmoderne_literatuur…) zien, dan gaan er bij deze pagina uit Suske en Wiske “De tamtamkloppers” wel enkele bellen rinkelen: zo past Lambik al gummend en tekenend zijn eigen wapens aan om binnen de context van het verhaal weerstand aan de tegenstrevende personages te kunnen bieden.

SuskeWiskePostmodern2

Ook het afgeplakte plaatje verderop, dat geweld had moeten tonen, maar dat – o ironie – door de auteur zelf zogenaamd gecensureerd is (maar waardoor er wellicht des te meer focus wordt gelegd op het buitensporige geweld), en tot slot de laatste 2 plaatjes, waar Lambik de apenkoning letterlijk achter het plaatje heeft geslagen, waarbij hij binnen het verhaal er nadrukkelijk buiten treedt door te verwijzen naar het plaatje. Postmodernisme in een notendop dus. Zou Willy Vandersteen (anno 1969!) zich van deze theoretische implicaties bewust zijn geweest?

 

Sartre tegen de muur

Het geheugen is gebrekkig, ook als het om legendarische verhalen of romans gaat. Soms ga je dan herlezen, en soms is dat een meer of minder zware teleurstelling. Soms ook gelukkig niet. Het verleden is een ander land, en zelf was je ook een ander.

Sartre-Muur

Zo kon ik mij eigenlijk helemaal niets meer herinneren van de inhoud van De muur (Le mur) van Sartre – ik bedoel hier specifiek het titelverhaal uit de bundel. Nog geen 25 bladzijden, ook destijds al in het Nederlands gelezen voor het gemak en het goede begrip: en toch was het helemaal weg.

Het verhaal is op zichzelf kort samen te vatten. De ik-verteller, Pablo Ibbieta, zit samen met de uit Ierland afkomstige vrijheidsstrijder Tom Steinbock en de jonge Juan Mirbal, wiens broer anarchist zou zijn, gevangen in de kelder van een ziekenhuis. Zij worden beurtelings kort ondervraagd en de conclusie van het zogenaamde onderzoek is dat zij de volgende ochtend gefusilleerd zullen worden.

De Spaanse Burgeroorlog woedt en de falangisten ruimen hun tegenstanders op. Juan is feitelijk nog een jongen. Hij is bang (en geef hem eens ongelijk), maar zijn angstzweet leidt niet tot medelijden bij zijn twee lotgenoten:

“[…] maar eigenlijk mocht ik de jongen niet. Zijn gezicht was te fijn en de angst en het lijden hadden het helemaal misvormd en vertrokken. Drie dagen tevoren was het nog een innemende jongeman geweest, een beetje te lievig, maar nu zag hij er uit als een oud wijf, en ik dacht bij mezelf, die wordt nooit meer jong, zelfs niet als ze hem vrijlaten.” (p. 11)

Overigens is ook bij de twee anderen de angst van het gezicht te lezen, al weten ze zich uiterlijk beter een houding aan te meten. Ze zijn grauw in hun gezicht, hun lichamen zweten, maar ze lijken het verdere verloop kalm af te wachten. Innerlijk gebeurt er natuurlijk heel veel. Indrukwekkend is de beschrijving van het effect dat de expliciet aangezegde dood op deze mannen heeft. Ibbieta neemt zich voor waardig te sterven, “fatsoenlijk” (p. 25) te blijven: “ik wilde niet sterven als een beest”. Existentialisme in een notendop, leven op het scherpst van de snede, in slechts een etmaal c.q. enkele bladzijden samengebald.

Wat moet je houding zijn in een zo urgente situatie? Ga je door de knieën en verraad je je medestrijders, in ruil voor je eigen leven? De schokkende ontdekking van de ik-figuur is dat hij niet zozeer uit heldhaftigheid of uit edele motieven niet de verblijfplaats van Ramon Gris verraadt. Die hele persoon – hoewel belangrijker voor de vrijheidsstrijd in Spanje dan hij zelf – interesseert hem, met de dood in de ogen, helemaal niets meer. Nee, het is pure koppigheid, waardoor hij niet doorslaat. De afloop, die ik hier overigens niet zal verraden, is des te schokkender en van een uiterst zwarte humor.

Fascinerend is hoe de ogenschijnlijk heldhaftige Tom, die met zijn sappige details over andere executies de anderen nog wat de stuipen op het lijf jaagt, wreed bijna, na verloop van uren in zijn broek plast van angst en dit beschaamd ontkent. Of hoe de ik-figuur zich langzaam voelt ontmenselijken: hij probeert zich de pijn van de zijn lichaam doorborende kogels voor te stellen, maar wordt juist onverschillig; zijn geliefde zakt weg in de buitenwereld, doet er in deze situatie niet meer toe, hij walgt van zijn lichaam en zou waarschijnlijk ook van haar walgen. Conclusie: “Ik was alleen.” Alleen en op zichzelf aangewezen, “lichamen die hier geheel bij kennis aan het sterven waren” (p. 17).

Die ontmenselijking leidt er ook toe dat individuen op elkaar gaan lijken:

“Natuurlijk was ik het met hem eens, alles wat hij zei, had ik zelf gezegd kunnen hebben: het is niet natuurlijk om te sterven. En omdat ik nu sterven ging scheen niets mij meer natuurlijk toe, […]. Alleen, ik vond het niet prettig dezelfde dingen te denken als Tom. En ik wist heel goed, dat wij de godganse nacht, tot op de minuut af, voortdurend gelijktijdig hetzelfde zouden denken en gelijktijdig zouden zweten en klappertanden.” (p. 18)

Als mens overgeleverd aan externe (en in dit geval extreme) omstandigheden, waar je, om het in modern Nederlands uit te drukken, maar mee te dealen hebt en tegelijkertijd dát dreigen te verliezen wat je tot mens maakt: je individualiteit, je (eigen) keuzes, je houding tot wat er gebeurt. Tom en hij worden bijna tot “tweelingbroers” alleen omdat “wij samen zouden kreperen” (p. 18). Hoe wreed is dat? En hoe wreed is de opgetrommelde Belgische dokter die er niet zozeer voor hen lijkt te zijn maar die uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid de fysieke reacties van deze mensen in doodsangst observeert – of is dat de tunnelvisie waar de verteller in vast is geraakt? De Belg is de nog levende, zij zijn al dood, ook al moet de fysieke beëindiging nog plaatsvinden, over enkele uren, gepland op een specifiek tijdstip.

Hoewel Pablo al enkele dagen niet geslapen heeft, wil hij tot het einde bij bewustzijn blijven. Geen alcohol, geen sigaretten, niet slapen (ook uit angst voor nachtmerries). Ook zijn herinneringen helpen hem niet meer, terugkijken op zijn leven (“een vervloekte leugen”) biedt geen troost:

“Mijn leven lag voor mij, gesloten en dichtgebonden als een zak, en toch was alles wat er in zat, nog onafgemaakt. Ik probeerde even er een oordeel over te vellen. Ik zou graag tegen mezelf gezegd hebben: het was een mooi leven. Maar het was niet te beoordelen, het was slechts een eerste aanzet; ik had mijn tijd doorgebracht met wissels op de eeuwigheid te trekken, ik had er niets van begrepen. Ik betreurde ook niets, er waren anders ontelbare dingen die ik had kunnen betreuren, de smaak van manzanilla, of de baden die ik ’s zomers nam in een beekje vlak bij Cadiz, maar de dood had alles kleurloos gemaakt.” (p. 21)

De uitzichtloosheid van de dood op zo’n korte en zichtbare afstand heeft ook zijn komische effecten. Zo wordt Ibbieta, nadat de twee anderen al ter dood zijn gebracht, nogmaals ondervraagd over de verblijfplaats van Ramon Gris, met het voorstel: “Jouw leven tegen het zijne.” Ibbieta kan zijn lachen ternauwernood bedwingen, zo immuun is hij geworden voor de intimidatie van de ondervragers. Hij neemt in zijn luciditeit dan ook bijzondere details waar, de belachelijke uniformen en snorren van de fascistische falangisten en hun attributen:

“Deze twee knapen, opgetuigd met rijzwepen en laarzen, waren toch ook twee mensen die sterven moesten. Misschien iets later dan ik, maar niet eens zo heel veel. En zij maakten zich druk met het opzoeken van namen […] en zij hielden er meningen op na over de toekomst van Spanje en over andere dingen! Het was voor mij een zielig en potsierlijk gedoe: ik kon mij niet meer in hun plaats denken. Het waren in mijn ogen krankzinnigen.” (p. 26)

Natuurlijk, de mens is zum Tode geboren (hierin klinkt ook Heidegger door), dus wat maakt het dan ook verder uit? Vanuit dat oogpunt worden de meeste bezigheden van mensen ook volslagen krankzinnig: “een paar uur te wachten of een paar jaar maakt geen verschil meer, als je de illusie verloren hebt dat je eeuwig zult bestaan” (p. 23).

Ik ben niet per se een fan van Sartre; zijn flirt met totalitaire regimes ter linkerzijde vind ik nog steeds ongemakkelijk (ook al is dat achteraf makkelijk praten), en de theoretische uitwerkingen van het existentialisme vind ik niet altijd even boeiend. Dat neemt echter niet weg dat Sartre een interessant denker en bij vlagen een geniaal schrijver was. Dit verhaal, dat je als lezer als het ware tegen de muur zet, laat dat zien. Zelfs in vertaling.

Besproken boeken

Jean-Paul Sartre, De muur. Verhalen. – vert. uit het Frans door C.N. Lijsen. – Amsterdam: De Bezige Bij/Meulenhoff, 1967 (6e druk). – Literair Paspoort. Omslag door Karel Beunis.

De eigenzinnigheid van Kees Fens

Zoals het leven van een kleurrijke en fascinerende persoonlijkheid als Kees Fens niet in enkele bladzijden is te vatten, zo is een omvangrijke levensbeschrijving als die door Wiel Kusters niet af te doen in enkele woorden. Daarnaast is schrijver dezes belast met een mogelijke positieve vooringenomenheid, voortkomend uit een niet te onderschatten bewondering voor de leermeester die Kees Fens ook voor hem was, in de meest letterlijke maar ook in de meest uitgebreide zin. Desalniettemin een poging.

FensDe door Kusters geschreven biografie bevat veel herkenbaars, uiteraard voor wie Fens’ publicaties in zekere mate gevolgd heeft en nog meer voor wie ook persoonlijk “les” van hem heeft gehad. Dat zou Fens overigens allerminst verbazen, want hij heeft zich wel eens laten ontvallen hoe verbazingwekkend een mens uiteindelijk toch constant was, zichzelf bleef, dezelfde streepjes in boeken zette. Lees verder

Louis Couperus – Correspondentie

Het kan niet anders of het moet een grote liefde zijn voor het leven en werk van Louis Couperus die H.T.M. van Vliet er jaar in jaar uit toe drijft bezig te zijn met het werk van een van Nederlands grootste auteurs. Tot de grootste verdiensten van Van Vliet aan het levend houden van Couperus’ werk behoren de 50-delige Volledige Werken (1987-1996), zijn boeken Eenheid in verscheidenheid: over de werkwijze van Louis Couperus uit 1996 en Versierde verhalen: de oorspronkelijke boekbanden van Couperus’ werk uit 2000 en de recentelijk verschenen uitgave van Couperus’ correspondentie.

Lees verder

Kundera – een leesherinnering

Komend voorjaar is het 25 jaar geleden dat ik De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van de Tsjechische schrijver Milan Kundera las. Ik weet dat nog zo goed omdat het voor mij als 17-/18-jarige een van de bepalende leeservaringen is geweest: zo kun je dus ook een boek schrijven, niet gewoon een rechtlijnig verteld verhaal, maar ook een verhaal over verhalen vertellen.

Ik wist nog niet wat postmodernisme was en ik was nog nauwelijks met filosofie in aanraking gekomen, maar ik was direct gecharmeerd van het “reflectieve schrijven” van Kundera. Het citaat van Nietzsche voorin het boek, over de eeuwige wederkeer en de herhaling in de geschiedenis, heb ik vaak herkauwd.

Lees verder

Elias Canetti & het oude Europa

De behouden tong (Die gerettete Zunge) is het eerste deel van de jeugdherinneringen van Elias Canetti (1905-1994), beslaat de periode tot 1921 en leest als een roman. De spanning wordt opgebouwd door de innige maar problematische verhouding van de ik-verteller en zijn moeder, die leidt tot een dramatisch hoogtepunt. Ook secundaire personages worden in schetsvorm heel aardig uitgewerkt. Er wordt veel couleur locale geleverd door de verschillende geografische en culturele gebieden waarin de personages zich bewegen. Er wordt nogal wat gereisd en verhuisd, en dat door heel Europa heen. Wie Canetti leest, proeft (het oude) Europa.

Elias Canetti - De behouden tong

De ik-verteller wordt geboren in Roestsjoek, in het noorden van Bulgarije, dichtbij de Roemeense grens, waar vele nationaliteiten naast elkaar wonen. Zijn familie is van “Spanjools”-joodse afkomst (een paar honderd jaar eerder), men spreekt binnen de familie en soortgenoten nog steeds een archaïsche vorm van het Spaans. Met de locals (zoals de jonge dienstertjes) spreekt de jonge Canetti Bulgaars, een taal die hij later geheel kwijtraakt.

Als het gezin naar Manchester verhuisd is, spreken de gezinsleden Engels onderling, behalve wanneer de ouders iets te bespreken hebben dat niet voor kinderoren bestemd is; dan schakelen zij over in de taal van hun liefde, het Duits (vanwege hun gezamenlijke Weense schooltijd). De vader overlijdt jong. Het gezin woont dan achtereenvolgens in Wenen en Zürich en bezoekt tussendoor de oude familiewoonplaats in Bulgarije. De verteller wordt op een ruwe, bijna nietsontziende, maar zeer effectieve manier door de dominante moeder het Duits bijgebracht. Het is dit pan-Europese element, verteld op een schitterende wijze, waaraan deze memoires inhoudelijk hun aantrekkelijkheid ontlenen.

Lees verder

Patserig maar charmant: Bonita Avenue

Met Bonita Avenue heeft Peter Buwalda een boek geschreven dat meeslepend is en veel vaart heeft. Dat is de kracht maar tegelijk ook de zwakte van het boek. Met behulp van per hoofdstuk wisselende vertellers en bijbehorend perspectief, voortdurende verspringingen in de tijd (waardoor de spanning wordt opgevoerd), variatie in manier van vertellen (hij-vorm versus ik-vorm) en spectaculaire gebeurtenissen (politiek, porno en psychose) krijgen we als lezer een kaleidoscoop voor ogen, waaraan voortdurend wordt gedraaid. Dat maakt het verhaal veelkleurig en levendig.

Het vlotte taalgebruik helpt daarbij zeker. Maar daar wringt tegelijk ook de schoen. Buwalda houdt van taal, zoveel is duidelijk, en weet deze ook vaardig te hanteren. Dat ontaardt helaas regelmatig in een opeenstapeling van “leuk gevonden” formuleringen, vergezochte taalgrappen, spectaculaire situaties en het overmatig gebruik van hyperbolen in de uitingen van zijn personages. Het is spierballenproza van het type waar ook Zwagerman zich graag aan overgeeft (vandaar dat deze ook tijdens Manuscripta laaiend enthousiast dit boek aanwees als favoriet voor de NS Publieksprijs). Lees verder

“Beter kan ik even niet” – over Kees Fens

Sommige mensen kun je echt missen omdat ze er niet meer zijn. Kees Fens hoort daar bij. Ook als je hem voor zijn overlijden in 2008 al ruim tien jaar niet meer persoonlijk had ontmoet. Gelukkig kwam hij nog vaak genoeg op televisie. Zijn enthousiasme en vermogen tot bewonderen heeft hij overgedragen op een hele generaties studenten en lezers (die in bredere zin als zijn studenten kunnen worden gezien).

Zelf koesterde hij als lezer zijn eigen leermeesters, die hij als autodidact vooral in boeken terugvond. Kees Fens heeft geen “school gemaakt” in de klassieke zin van het woord. Daarvoor was hij te weinig theoreticus en te zeer een liefhebber van de praktijk. Te breed georiënteerd ook. Wel heeft hij een aantal mensen ongeneeslijk besmet met liefde voor poëzie in het algemeen en voor het werk van dichters als Leopold, Nijhoff, Achterberg, Kouwenaar en Faverey in het bijzonder.

Lees verder

Je moet vooral niet lezen ~ Pierre Bayard

Wie herkent het niet, de schaamte bepaalde klassiekers uit de (westerse) literatuur (nog) niet gelezen te hebben? Hoeveel mensen hebben nu daadwerkelijk de Ilias & Odysseia van Homeros van kaft tot kaft gelezen, of Ulysses van James Joyce, Der Zauberberg van Thomas Mann, Oorlog en vrede van Tolstoj of zelfs maar De boeken der kleine zielen van Couperus?

Toch beweren mensen vaak dat ze de betreffende klassieker aan het herlezen zijn, waarmee ze de suggestie (proberen te) wekken dat ze het betreffende boek vanzelfsprekend al een keer gelezen hebben.

Lees verder

Machismo met een knipoog ~ João Ubaldo Ribeiro

Waarom je bepaalde boeken wel en andere niet koopt, is mij nog steeds een raadsel, ondanks dat ik met boeken kopen toch heel wat ervaring heb. Zelden koop je een boek dat je al van haver tot gort gelezen hebt, de meeste aankopen zijn toch een vorm van blindvaren. Het is des te spannender als je een auteur in handen hebt van wie je – ondanks zijn beroemdheid in het land der letteren – nog niets gelezen hebt, of van deze schrijver zelfs nooit eerder gehoord hebt. Op die manier heb ik de Albanese schrijver Ismail Kadare ontdekt, de Franse schrijver Raymond Queneau, de Turkse schrijver Yasar Kemal en nu ook João Ubaldo Ribeiro.

Wat zijn dan precies je selectiecriteria? Natuurlijk: je bent gevoelig voor allerlei marketing-achtige trucs die min of meer appelleren aan een zeker snobisme: het uiterlijk van een boek, de uitgeverij, de blurb of flaptekst (zelfs als die wat ronkend is en de clou lijkt te verraden), of simpelweg de eerste zin in het boek. Lees verder

Seks & geweld in het oude Byzantium ~ Procopius

Voor wie ooit de prachtige mozaïekwerken in Ravenna heeft mogen aanschouwen, met name van de basiliek van San Vitale, zullen de namen van keizer Justinianus en keizerin Theodora altijd een wat mysterieuze klank hebben. Justinianus, bekend vanwege de codificatie van het Romeinse recht in het Corpus Juris Civilis, was keizer van het Oost-Romeinse rijk, ook wel aangeduid onder de naam van zijn hoofdstad Byzantium. De verheven daden van dit keizerlijke echtpaar kennen we voornamelijk uit de werken van Procopius (ca. 500 – ca. 555 na Chr.), maar deze tijdgenoot van het keizerlijk echtpaar heeft ook een boekje opengedaan over de duistere kanten van het keizerlijke hof en van generaal Belisarius en diens echtgenote.

Procopius
Anekdota, in het Nederlands vertaald door Hein L. Dolen onder de titel Verzwegen verhalen: een schandaalkroniek uit Byzantium, is te lezen als een chronique scandaleuse van de top van dit destijds machtige rijk: intriges, jaloezie, moord, mishandeling, overspel, incest – het komt allemaal voor in dit werkje van relatief geringe omvang: het eigenlijke verhaal telt 116 bladzijden, de rest wordt gevormd door een goede, heldere introductie, verklarende noten, bibliografie en een handig verklarend register. Lees verder