Uitstorting van de ziel

Onbekend maakt onbemind. Dat geldt in het bijzonder voor een groot deel van de Nederlandse literatuur uit de 19e eeuw, die eeuw van ‘braafheid’ en ‘domineespoëzie’. Op dat misverstand is door door verschillende kenners is al vaker gewezen. Dat betekent echter niet dat de ‘schade’, door de Tachtigers aangebracht, meteen ongedaan is gemaakt. Ook voor een doorsnee neerlandicus is de  literatuur van de 19e eeuw grotendeels onbekend.

Niet alleen maar domineesdichters
Verrassingen komen niet alleen. Enkele weken geleden verwierf ik, naast een aantal klassiek geworden handboeken literatuurgeschiedenis, ook een groot aantal eigentijdse uitgaves van 19e-eeuwse dichters en schrijvers, waaronder Willem Bilderdijk (zie ook deze aflevering), Nicolaas Beets, J.J.L. ten Kate, H. Tollens, P.A. de Génestet, Jacob van Lennep en Carel van Nievelt. Niet allemaal auteurs waarvoor nu nog warme belangstelling bestaat. Maar binnen die vaak fraai versierde boekbanden blijken soms wel degelijk juweeltjes verborgen. Zo blijkt de veelgesmade Ten Kate nogal wat buitenlandse literatuur vertaald te hebben, waaronder Gerusalemme liberata van Torquato Tasso. Daar kom ik nog een keer apart op terug.

Een deel van de verzameling bevat inderdaad wat veel god, gezin en vaderland, met name de poëzie. Maar er blijken ook heel interessante prozawerken tussen te zitten, zoals Carel van Nievelt (1843-1913), van wie ik 4 verzamelbundels in een uniforme uitgave met verhalen en novellen voor me heb liggen. De auteur publiceerde deze onder eigen naam. Voor andere publicaties hanteerde hij ook wel de pseudoniemen “Gabriël” en “J. van den Oude”.

Lees verder

Bilderdijk weer verenigd

Mijn boekentocht van enkele weken geleden leverde mij een mooie collectie aan 19e-eeuwse literatuur op, met name uit de verzameling van Theo Gerritse. Zoals beschreven in het betreffende blog, mocht ik deze boeken voor een bescheiden bedrag meenemen.

De weer verenigde set uit de collectie Theo Gerritse

In die collectie zaten ook enkele losse delen met eerste drukken uit het werk van Willem Bilderdijk, uit de periode 1804-1808:

Bilderdijk, Willem, De mensch. Popes Essay on Men gevolgd. Johannes Allart, Amsterdam, 1808. 1e druk - gebonden, 224p.
 
Bilderdijk, Willem, Najaarsbladen. Eerste deel. Immerzeel, 's-Gravenhage, 1808. 1e druk - gebonden, 181p.

Bilderdijk, Willem, Mengelingen. Eerste deel. Gezangen van Ossian - Romances - Losse stukken. Johannes Allart, Amsterdam, 1804. 1e druk - gebonden, 158p. 
Lees verder

Fables de Fontaine

AuteurJean de la Fontaine
TitelOeuvres complètes – Fables [2 tômes]. Précédées d’une nouvelle notice sur sa vie.
UitgeverLefèvre
PlaatsParis
Jaar van uitgave1818
In Bibliotheca Habetsiana sinds9 juni 2014
BijzonderhedenDeze uitgave is zeer fraai ingebonden en bevat mooie houtgravures.
Lees verder

Op de valreep van mei

Soms is vrouwe Fortuna ook de bibliofiel goedgezind. Enigszins verveeld struinde ik door een kringloopwinkel die ik wel vaker bezoek. Bij de boeken lag niet echt veel bijzonders op dat moment. De gebruikelijke raven hadden het terrein al afgegraven. Hun sporen waren nog zichtbaar.

Maar zie! Mijn ochtend werd een stuk mooier toen de “vulploeg” met een winkelwagen kwam aanrijden en ik er als eerst een paar heel leuke items uithaalde, nog voordat de andere kapers op de kust een kans kregen – want ze kwamen opeens uit allerlei hoeken opduiken.

Lees verder

Een schatkamer voor je verjaardag

Bij de moderne boeken lag op het moment niks naar mijn smaak, behalve één studie in de etalage, maar die was wat al te stevig geprijsd.

Toen ik achterin de winkel belandde, zag ik in de kast “oude boeken”, liggend op een plank op schouderhoogte, een wit kaftje, met daarop in balpen geschreven: “Schatkamer der Nederlandsche Dichteren || 1770 | Leijden”. Mijn aanvankelijke landerigheid sloeg meteen om in geanimeerde nieuwsgierigheid.

Achter dit kaftje bleek een boeiend pakketje schuil te gaan van gerepareerde, samengenaaide en vastgelijmde afleveringen van een tijdschrift, waarvan ik nog nooit gehoord had, maar waarvan de titel en de ouderdom mijn hartje sneller deden kloppen.

Lees verder

Respect voor de oudjes

Soms ligt of staat er een zielig deel alleen. Je weet van jezelf dat je van losse delen jeuk krijgt op onbereikbare plekken. Die serie gaat nooit compleet bij elkaar komen, zeker niet bij zulke oude boeken. Maar toch… In het wekelijkse rondje langs een van mijn favoriete adressen raak ik weer in verleiding.

Dat zielige deeltje, rechts op bovenstaande foto, is deel 5, “tôme cinquième”, uit de Oeuvres de Sainte Thérèse, uitgegeven in 1818 te Lyon bij uitgeverij Fr. Matheron. Een boek van 200 jaar oud, nog feitelijk in zeer goede conditie, met maar een enkel sleets plekje op de band.

Het boek bevat een Franse vertaling van Castillo interior, o Las moradas (oorspr. 1577) van Thérésa van Avila, getiteld Le chateau de l’ame (inderdaad, zonder accenttekens) en van Conceptos del amor de Dios (oorspr. 1566-1574), hier vertaald als Pensées sur l’amour de Dieu. Het eerstgenoemde werk is verdeeld in 17 zogenoemde “demeures” (woningen), wat een vertaling is van de alternatieve titel “moradas”. Dat doet overigens denken aan Johannes 14:2 – “In het huis mijns vaders zijn vele woningen.” Het kasteel van de ziel weerspiegelt dat beeld.

Het papier is nog van de degelijke kwaliteit uit de vroege 19e eeuw. Het kleine handzame formaat herbergt 443 pagina’s, die nog stevig in de band zitten. Kortom een tekst en een uitgave waar veel aan te ontdekken valt.

Het tweede boek, links op de bovenste foto, is mogelijk nog interessanter. Het is weliswaar wat jonger (1845) dan het eerste boek en al van iets moderner papier, zowel onderwerp als vormgeving trekken meteen mijn aandacht.

Het gaat om Recherches et dissertations sur l’histoire de la principauté de Liége, la translation du siége épiscopal de Tongres dans la cité de Liège. Et sur les émeutes, les discordes civiles et les élections populaires des Liégois pendant les 15e, 16e, et 17e siècles  (Onderzoekingen en verhandelingen over de geschiedenis van het prinsdom Luik, de overbrenging van de bisschoppelijke zetel van Tongeren naar Luik. En over de beroeringen, de tweedracht onder burgers en de volksstemmingen van de Luikenaren gedurende de 15e, 16e en 17e eeuw). Het boek is uitgegeven bij H. Dessain te Luik. Aardig in dit verband is de vestiging van de uitgever/boekhandel op het (in Luik centraal gelegen) Lambertusplein, genoemd naar de Heilige Lambertus van Maastricht (ook: van Luik).

De foto hierboven toont het oorspronkelijk papieren kaftje, dat is meegebonden in de contemporaine Franse band met ribben. Net als het vorige boek zijn de schutbladen fraai gemarmerd.

Het dikke boek van ruim 600 bladzijden behandelt de geschiedenis van Luik, en met name de kerkelijke en politieke ontwikkelingen in de late middeleeuwen en vroeg-moderne tijd. De auteur is Louis Marie Guillaume Joseph de Crassier (1772-1851), afkomstig uit een adellijk geslacht.

De Crassier was “historien et numismate”, historicus (waarvan dit boek ook getuigt) en muntdeskundige. De familie had er heel wat verzamelaars en bibliofielen tussen zitten. De oorsprong van de familie ligt in de zuidelijke Nederlanden, met name Maastricht. De Belgische tak concentreert zich rondom Luik, waar ook de auteur van het boek is geboren.

Wat nog aardig is te vermelden is dat Jean-Frédéric Guillaume Joseph de Crassier (1759-1841), getrouwd met Marie Kerens (1769-1854) en overleden te Meerssen (nabij Maastricht) de grote gebeurtenissen van de Franse Revolutie, de Napoleontische tijd, het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de opsplitsing daarvan in Nederland en België meemaakte. Bij de afscheiding van België kozen het echtpaar en hun twee dochters voor de Nederlandse nationaliteit, hun twee zoons voor de Belgische nationaliteit. Hoe grenzen door een gezin kunnen lopen! Overigens kozen meer mensen uit de Maastrichtse elite toentertijd bewust voor de Belgische nationaliteit en verhuisden ze naar een van de nabijgelegen Belgische woonplaatsen.

Ook over dit boek en de achtergrond ervan valt nog veel meer te zeggen. Eerst nog maar eens grondig van A tot Z lezen…

Augustinus en Carthago veneris

Boeken uit de eerste helft van de 20e eeuw vallen vaak op door hun fraaie typografie en vooral ook de (stempel)banden. Op het moment dat ze niet heel zeldzaam zijn, zijn deze boeken voor enkele euro’s tot enkele tientjes toe te voegen aan je bibliotheek, zoals onderstaand fraaie boek over de kerkvader Augustinus.

Louis Bertrand, Sint Augustinus. Geautoriseerde vertaling. Vertaald uit het Frans door Frans J. Wahlen, uitgegeven bij W.L. & J. Brusse, Rotterdam, 1930. 2e, verbeterde druk – gebonden, XXII+336p.

Los van wat je standpunt is in religieuze zaken, is dit een boeiende levensbeschrijving (‘géén “heiligenleven” naar ouden trant’, aldus het ‘woord vooraf van den vertaler’), die bovendien heel fraai is uitgegeven. De taal van het boek is literair, smeuïg, sappig.

“Ik kwam te Carthago, en overal omraasde mij het gekook van misdadige minnarijen.” (p. 55)

Boekband inclusief versierde rug

Behalve de fraaie bandtekening bevat het boek ook mooie houtsneden van de hand van J. Franken Pzn., waarvan er hieronder enkele getoond worden (klik op de betreffende afbeelding voor een grotere weergave).

Daarnaast geeft de manier waarop de tweekleurendruk in rood en zwart is uitgewerkt het boek extra karakter, zoals hieronder te zien is aan de titelpagina.

Met veel gevoel voor detail, hoewel zonder expliciete wetenschappelijke verantwoording, roept Bertrand in bonte kleuren Augustinus en zijn wereld op. Je merkt een zeker welbehagen in de uitgebreide beschrijvingen van de Umwelt uit die tijd. Tegenstellingen worden extra dik aangezet:

“Dit boschrijke Numidië, met zijn waterstroomen, zijn prairies, waarin vette koeien grazen, verschilt zooveel ‘t ook maar mogelijk is van dat andere Numidië, van Sétif, een onmetelijke desolate vlakte, met hier en daar slechts een enkel armzalig hutje op een graanveld; waar zandsteppen in eentonige op en neer deiningen uitrollen tot tegen het wazige massief der Atlas-gebergten, dat den horizon afsluit.” (p. 4)

Tussen twee haakjes: dit bloemrijke taalgebruik maakt ook nieuwsgierig naar de oorspronkelijke Franse tekst. Het boek laat zich dan ook meer als een historische avonturenroman lezen, allerlei retorische strategieën worden ingezet om het spannender te maken. Het doet me denken aan de geschiedenisboeken van vroeger voor de jeugd, waarin het verleden als een spannend verhaal werd verteld.

Jan Engelman ~ 2

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, dat bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.

Context

De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redac­teur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijd­schrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, op­richt­te. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bij­voor­beeld van Albert Kuyle en Henk Kuiten­brouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.

Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma

Engelman werkt in deze jaren veelvuldig mee aan andere tijdschriften, zelfs aan het “heiden­se” Forum, waarvoor hij in De Nieuwe Eeuw, waar hij dan al jaren redacteur Kunst en Letteren is, grote sympathie betuigt: “Overigens is Forum op dit oogenblik misschien het meest levende en interessante tijdschrift.” (De Nieuwe Eeuw 7 april 1932, p. 876). In De Nieuwe Eeuw van 12 mei 1932 (p. 1038) krijgt Forum wederom ruim aandacht van Engelman. Dat was tegen het zere been van veel katholieke schrijvers en critici. Zelfs Van Duinkerken stond hem hierin niet bij: “Tusschen De Nieuwe Eeuw en De Gemeen­schap wordt, met toenemende helder­heid, een meeningsver­schil opge­merkt betreffen­de de beteekenis van het maandblad Forum.” Zijn bezwaar tegen Forum is vooral dat het vitalisme van het blad willekeurig is en geen “richting” heeft. Over het levensbeschouwelijke uitgangspunt waartegen hij in verzet komt, laat Van Duinkerken ook hier geen twijfel bestaan: “Er staan in Forum gedurig bijdragen, wier beginse­len over de levens­kunst, wanneer zij juist waren, alle leven voor altijd onmogelijk zouden maken.” (De Gemeenschap oktober 1933, pp. 482-490).

In Forum worden (ondanks eerdere spotverzen van Menno ter Braak over Engelman) ook gedichten van Jan Engelman opgenomen: Ambrosi­a en Verwach­ting van Paschen, en een artikel over de kunstenaar Pyke Koch. Ook De Gids, De Vrije Bladen, Helikon en de letter­kundi­ge almanak Erts nemen bijdragen van Engelman op. Door zijn tussenposi­tie komt Engelman tussen twee vuren te staan. Van de kant van de katholieken krijgt hij kritiek op zijn estheticis­me, waaraan hij de katholieke belangen opoffert, en zijn sympathie voor en banden met de “heidenen”. “Vanuit het paga­nis­tische kamp wordt Engel­man echter verweten dat hij in zijn kritieken oordeelt vanuit een religieuze vooringe­nomen­heid.” (Bijvoet et al., De Gemeenschap, ‘s-Gravenhage, 1986 – Schrijversprentenboek 24). Daarover had Engelman al een pittige debatje gevoerd met Ter Braak aan het eind van de jaren twintig, in De Vrije Bladen.

Drukgeschiedenis en vormgeving

Aan het eind van 1932 brengt Engelman zijn gedichten, die her en der over de tijdschriften verspreid zijn gepubliceerd, bij elkaar in wat zijn meest bekende bundel is geworden, Tuin van Eros.

Tuin van Eros wordt net als Sine Nomine in een beperk­te oplage uitgege­ven, deze keer door “Cen­tum Nec Plura” (lees: Charles Nypels Pers) te Am­sterdam. Het is een zeer mooie uitgave, gebonden in rood en typogra­fisch goed verzorgd in “een letter van Cochin” gedrukt door Charles Nypels in een oplage van honderd exemplaren bestemd voor de handel en nog eens vijfentwintig “gereser­veerd voor den schrijver”.

Links inhoudsopgave (tweede deel), rechts het colofon.

Het colofon vermeldt verder dat deze bunde­ling negen gedich­ten bevat uit Sine Nomine. Welke dit zijn, wordt er niet bij gezegd en ook in de Verza­melde gedichten (1960, 2e druk: 1972) wordt hierover geen uitsluitsel gegeven. Vergelijking van de edities leert dat het gaat om de volgende gedichten: Hero’s Epi­tap­he, Ver­dre­ven Oog­en (= Het Grens­land II in Sine Nomine), Zacht bran­den (= Het Grens­land IV), Hij daal­de slui­me­rend (= Het Grens­land V), Adieu, Over het gras, Door­reis, en twee van de muzikale gedich­ten: En Rade en Vera Janaco­poulos. Typerend is ook dat dat andere ritmische gedicht uit die eerdere bundel, Arne Borg, wordt weggelaten. Wellicht paste dat toch te weinig in de thematiek van de nieuwe bundel.

De bundel, die is opgedragen “Aan Ambrosia”, Engelmans persoonlij­ke muze, is overigens niet in 1932 op de markt verschenen, zoals het titel­blad ver­meldt, maar in 1933. Bij het drukken zat men net op de jaargrens. Dat verklaart de twee verschillen­de jaartal­len in publicaties over Tuin van Eros.

Een van de pentekeningen van Wiegersma, tegenover de titelpagina van Tuin van Eros (1932)

De eroti­sche pentekenin­gen in de bundel zijn van Henk Wie­ger­sma, de beeldende kunste­naar wiens werk door Engelman verschillende keren is bespro­ken, o.a. in De Gemeenschap jrg. 2 (1926) nr. 11 (november), pp. 325-328 en jrg. 4 (1928) nr. 5 (mei), pp. 195-196; en in: Jan Engelman, Torso (1930). Het zijn deze illustraties die voor sommige critici het “vunzige” karakter van de bundel nog eens hebben bena­drukt. De tekeningen zijn niet meer aanwe­zig in latere uitgaven.

Voor Tuin van Eros krijgt Engelman, die inmiddels veelvuldig wordt besproken, zowel binnen als buiten katholieke zuil, in 1934 de Meiprijs voor Poëzie van de Maat­schappij der Nederlandse Letterkunde. (De schrijver A. den Dool­aard, met wie hij de prijs moet delen, weigert zijn deel.) Bij uitgever Querido wordt dan een handels­editie van Engel­mans gedich­ten uitgege­ven, Tuin van Eros en andere gedichten, waarin ook enkele gedich­ten uit Het Roosven­ster en nog een aantal uit Sine Nomine worden opge­nomen, omdat de beide dichtbundels net als de bibliofiele Tuin van Eros zijn uitver­kocht. (Zie hierover o.a. Jan Engelman, Verzamelde gedichten, p. 222; A.L. Sötemann, Querido van 1915 tot 1990: Een uitgeverij, p. 79.; Zie voor een toelichting op de Mei-prijs vooral Jan H. Cartens, Orpheus en het lam, p. 82 noot 6.)

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934. Het “en andere gedichten” staat niet op de band, wel op de titelpagina.

Tuin van Eros en andere gedichten uit 1934 is te beschouwen als een soort voortijdig “verzameld werk”, waarin enkele jeugdzonden zijn weggelaten, maar anderzijds wel nog een aantal van die vroege verzen worden opgehaald, een beetje vergelijkbaar met wat Marsman enkele jaren later deed met zijn Verzamelde Gedichten.

De handelseditie bij Querido is minder exclusief qua vormgeving dan die eerste druk van Nypels, maar typografie en band zijn nog steeds erg fraai. Zie alleen al hierboven de speciale manier waarop bepaalde letters op het voorplat zijn uitgerekt.

Jan Engelman, Tuin van Eros en andere gedichten, Em. Querido, 1934 – titelpagina.

De bundel is opgebouwd uit drie delen. In Vroege verzen staan de expres­sio­nistische gedichten; Aan den Oever bevat vooral de gedichten uit (de tweede afdeling van) Sine Nomine. De laatste afdeling, die de kern uitmaakt van de bundel en dezelfde naam draagt als de gehele bundel, bevat de gehele Tuin van Eros uit 1932/1933, uitge­breid met nieuwe gedichten als Envoy, Wolken, het kluch­ti­ge Diable­rie, het sterk romanti­sche Meimor­gen in Limburg en Panta Rei (inderdaad, “rei” zonder h, althans in deze druk).

Er is ook een gedicht, ten opzichte van 1932, wegge­la­ten: het vier-regeli­ge Conflict, dat vooral binnen de kring van De Nieuwe Gemeen­schap (juli-augustus 1934, p. 424) voor veel ophef heeft gezorgd:

Uit: Jan Engelman, Tuin van Eros, 1932.

Dat erotische beschrijvingen in literatuur en poëzie hachelijk zijn, is met deze regels ook meteen aangetoond, omdat de beeldspraak snel lachwekkend kan worden. Bij “schenkel” denken wij toch vooral aan de slager. Maar het openlijk praten over (in dit geval falende) seksualiteit was anno 1932 nog niet zo en vogue.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 11e druk (1947).

In latere drukken, die weer gewoon Tuin van Eros heten (dus zonder de toevoe­ging “en andere gedich­ten“), zijn de eerste en tweede afdeling uit de verzameleditie van 1934 weer weggela­ten. De aan het einde toegevoegde ge­dich­ten zijn wèl gehandhaafd. De opbouw is nagenoeg gelijk aan die van 1932: de bundel begint wederom met het lange gedicht In den tuin.

In die opzet verscheen in 1938 een gekarton­neerde goedkope herdruk (= 3e druk) in klein formaat. In 1946 verscheen de tiende, in 1947 de elfde druk en in 1956 de twaalfde druk. Het is dus na de eerste uitgave vrij snel tot een aantal herdruk­ken gekomen. Na de Tweede Wereldoorlog, de opkomst van de Vijftigers, verdwijnt Engelman als dichter al snel naar de achtergrond.

Jan Engelman, Tuin van Eros, 12e druk (1956).

De eerste druk van Engel­mans Verza­melde gedichten uit 1960 vormt voor Tuin van Eros de dertiende druk. Al deze laatste uitgaven zijn bij Querido te Amsterdam verschenen.

De gedichten uit Tuin van Eros

In Tuin van Eros staan de gedichten die hun sfeer ontlenen aan een synthese tussen Helleense aardse schoonheid en pla­toons-christelijke idealen. Een typerend gedicht is wat dat betreft het openingsgedicht In den tuin, dat een soort van ouvertu­re vormt op de gehele bundel, waarin onder meer de herinnering van de schepping aan de orde komt:

Ver op den heuvel blinkt het licht
van mijn oorspronkelijk gezicht,
dat mij vervoert en mij verwart:
het oerbegin, het wereldhart.

Wat dit oerbegin inhoudt, en waar het Engelman uiteindelijk om lijkt te gaan (door alle erotiek heen), laat hij doorschemeren in een andere strofe van dit gedicht:

Wie onuitspreeklijk heeft bemind,
wie zoekt tot hij zijn oerglans vindt,
raakt op den grooten stroom eens vlot
en aan den horizon is God.

De tuin van Eros is ook de tuin van Eden, waar het liefhebben schuldeloos is. Het gedicht roept verder talloze reminiscenties op aan de aanbidding van het Lam Gods uit de Apocalyps. Engelman had eerder al een belang­rijk opstel over De Aanbid­ding van het Lam van de gebroeders Van Eyck gepubliceerd in De Gemeen­schap (in 1930 opgenomen in zijn boek Torso). Dit apoca­lyptisch motief moet grote indruk op Engel­man hebben ge­maakt, aangezien het in dit gedicht, maar ook in andere gedichten van Tuin van Eros een belang­rijke ondertoon van de erotiek vormt.

Begin van het openingsgedicht uit Tuin van Eros, “In den tuin”

Over de intenties van een dichter kan slechts gespecu­leerd worden, en in het geval van Engelman is er wat voor te zeggen dat zijn katholicisme vaak slechts een literaire voedings­bron is, maar dat Engelmans poëzie níet doordrongen zou zijn van chris­telijke motie­ven, is ─ wanneer men zich baseert op de gedichten zelf ─ eenvoudig niet hard te maken. Het is de criticus D.A.M. Binnendijk geweest, die dit als een van de eersten (en een van de weinigen, behalve Vestdijk) gezien heeft: “Een op deze wijze genuan­ceerd geloof leidt de aandacht af van de sociale en moreele conflicten en van de evangeli­sche eisen van menschen­min en naastenliefde naar de apocalyptische zijde van het Christendom, naar de visionnaire, mystische en extatische kansen, welke dit geloof evenzeer biedt” (De groene Amsterdammer 29 mei 1937, p. 8).

Fragment uit het openingsgedicht van Tuin van Eros, “In den tuin”

Dat de erotiek desalniettemin een overheersende rol speelt, hebben de critici goed begrepen. Een gedicht als Nachtwake laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

O bleeke heup op bed gevonden
als horizon en heuvelkam,
o borsten, zachter neergewonden
dan donzen vogels, vleugellam ─

Voor tijdschriften als De Nieuwe Gemeenschap (dat zich in 1934 had afgesplitst van De Gemeenschap) zal dit een steen des aanstoots zijn, evenals de regel “Zachte maîtressen die mijn hart verheugt” uit het gedicht Madri­gaal.

“Madrigaal”, uit: Jan Engelman, Tuin van Eros (1932).

Het is met name de poëzie uit Tuin van Eros waardoor Engelman het etiket “musisch dichter” krijgt opgeplakt. Doordat hij nadrukke­lijk afstand nam van zijn vroege, wijdlopige en barokke poëzie, heeft Engelman dit beeld zelf nog eens versterkt. Zijn voorkeur voor fijnzinnig woordspel en muzikaliteit komt in de meeste ge­dichten uit Tuin van Eros naar voren.

Het psychologische element van zijn poëzie is uiterst roman­tisch te noemen: het verlangen naar veraf gelegen werelden, naar het bovennatuur­lijke en elysische, de gespleten­heid ten gevolge daarvan (omdat het aardse zo verleidelijk is), en het onbekommerd willen uitzingen van het eigen lied, dat in feite het uiterst roman­tische credo behelst dat een dichter zijn gemoed moet uitspreken in zijn gedichten. Een duidelijk voor­beeld daarvan is te vinden in het gedicht Hart en lied:

Uit doem en uit ellende
rijst soms het rankste lied,
waar ik mij keer of wende,
mijn hart zingt als het riet.

Het zijn regels als deze die sommige critici doen denken aan Gezelle of Gorter. Wie in Engelmans bundels bladert, valt op hoeveel gedichten met muziek te maken hebben, wat vaak al in de titel tot uiting komt. Aller­eerst natuurlijk het bekende gedicht geïnspireerd door een Griekse zangeres, Vera Janacopoulos, dat bovendien de onderti­tel “cantilene” heeft, een genre-aanduiding uit de muziek.

Dit gedicht wordt nog wel in schoolboeken gebruikt als sprekend voorbeeld van poésie pure, een klankgedicht (ondanks dat Vestdijk in de jaren ’40 al lang heeft aangetoond dat de betekenis van de gebruikte woorden er wel degelijk toe doet bij het oproepen van de sfeer van het gedicht). Het is Engelmans bekendste gedicht.

En Rade, evenals het vorige gedicht al in Sine Nomine te vinden, heeft als ondertitel: “vocalise voor Cavalcanti”. Ook dit gedicht wordt nog wel eens geciteerd in literatuurgeschiedenissen en (school)bloemlezingen.

Alberto de Cavalcanti was cineast, vooral bekend om zijn avantgardistische films in de jaren twintig. Het gedicht van Engelman is geschreven naar aanleiding van En Rade. In deze film komen ook beelden voor van een haven, die heimwee oproept naar de verte (wat ook in Engelmans gedicht tot uitdrukking komt); op balen staan de namen van plaatsen elders op de wereld (en ook deze namen heeft Engelman overgenomen).

In de verschil­lende edities van Tuin van Eros en in Het bezegeld hart wordt het aantal gedichten dat refereert aan de muziek aanzienlijk uitgebreid: “Wo die schönen Trompeten blasen”, Madrigaal, Hart en lied, Klein Air, Melodie des Herzens, het `ostinato’ Wolken, Tijdzang, Het Andere Lied, en Aandachtig Lied.

Een van de mooiste gedichten uit Tuin van Eros, we kwamen het al tegen bij de behandeling van Sine Nomine (1930) vind ik persoonlijk nog altijd “Zacht branden”.

Als ergens mystiek en erotiek op een elegante, beknopte en niet-leerstellige manier in schoonheid samengaan, dan hier, weerspiegeld in de vele (maar naar mijn smaak niet hinderlijk op de voorgrond tredende) assonanties, alliteraties en metrische bijzonderheden. Wie ben jij, met wie ik zo verkeer? De prille keel is nog op het randje (gezien Engelmans soms uit de bocht schietende lichamelijke beeldspraak – denk aan de eerder geciteerde schenkel), maar verbindt dit gedicht ook met de cantilenes en vocalises uit de bundel.

Tot de mooie gedichten die vanaf de editie van 1934 zijn toegevoegd behoren “Meimorgen in Limburg”, “Klein Air” en vooral “Annabel”, waaruit blijkt wat Engelmans grootste (en tegelijk beperkte) dichterlijke talent was: het lyrische, het zangerige, het muzisch geïnspireerde korte gedicht.

Tuin van Eros is wel het hoogtepunt in het dichterschap van Jan Engelman. In een volgende aflevering laten we nog enkele bijzonderheden zien uit de periode 1936-1941, zoals het fascinerende gelegenheidsgedicht “De dijk”, dat Engelman schreef n.a.v. een AVRO-prijsvraag.


Jan Engelman ~ 1

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). Eén ding kreeg ik al gauw in de gaten: het verzamelen van Engelman was niet alleen leuk om je studie-object zo compleet mogelijk in huis te hebben, maar ook op het gebied van drukgeschiedenis, typografie en boekverzorging valt er aan Engelmans werk veel te beleven. In een aantal afleveringen laat ik de dichtbundels van 1927-1940 de revue passeren. Hieronder de eerste aflevering: over het debuut uit 1927 en de wonderlijk mooie bundel Sine Nomine (1930).

1927: het debuut

Jan Engelman kwam voort uit de groep die men wel is gaan aanduiden als de jong-katholieken, die aanvankelijk deels rondom het tijdschrift Roeping waren georganiseerd (zoals iedereen zich organiseerde naar gezindte in het verzuilde Nederland). Ontevreden jonge katholieke schrijvers keerden zich tegen de tendens in Roeping om kunst en literatuur eenzijdig ethisch-religieus te benaderen: schoonheid is dat wat tot God leidt en de kunstenaar moet in zijn kunst vooral zijn geloof belijden.

Engelman heeft in Roeping ook enkele gedichten gepubliceerd, maar al spoedig, in 1925, richtte hij samen met enkele andere ‘jongeren’ een nieuw tijdschrift op, De Gemeenschap. In het tijdschrift publiceerde Engelman weer gedichten, maar ook beschouwingen over literatuur en kunst.

In 1927 bundelde Engelman een aantal van zijn eerste gedichten in Het Roosvenster.

Jan Engelman, Het roosvenster. Stenfert Kroese & Van Der Zande, Arnhem, 1927. 1e druk – paperback, 15p. – gedrukt bij drukkerij Boosten & Stols, crème papieren omslag, rood uitgeversembleem.

Het is een dun bundeltje en geeft een heel ander beeld dan we bij Engelman hebben: de gedichten zijn langer dan zijn latere, meer lyrische poëzie en vertonen behoorlijk lange regels, zoals in het gedicht “De geboorte”.

Toen de verschroeide samoen over de aarde was gegaan ─
heuvelen lagen zwart gebrand en de steden verdord als gemartelde monden,
de syrinx der vertwijfeling gilde van horizont tot horizont
en de laatste chimaera grijnsde krankzinnig op het trillende zand,
een mensch sloeg zijn nagels aan de aarde
die stom bleef ─
toen de visschen scholen in de diep-zee,
de wilde dieren met bevende neusgaten in de ravijnen,
toen de groote stilte nabij was

De toon is verheven, breedsprakig en vol van wat men wel het humanistisch expressionisme is gaan noemen, met een terugblik naar de voorbije, verschrikkelijke Grote Oorlog, die aan veel illusies een einde maakte. Op sommige plaatsen doet het gedicht echt verouderd aan of wordt de beeldspraak overdreven ─ iets wat critici Engelman wel vaker verweten hebben:

Al moesten wij de poorten breken van duizend forteressen,
al moesten wij kruipen onder huilende granaten der slagvelden,
al moesten wij dalen in grafkelders
en wroeten in de zwijgende kluizen der banken, waar het valsche goud blinkt,
met doorschoten vlaggen staan op barricaden
en proeven het zure brood der gevangenen

In dit fragment klinkt zelfs een revolutionaire toon door, maar toch moet dit eerder gezien worden als een uiting van jeugdig enthousiasme (zoals dat later ook in het gedicht The Flying Fool naar voren komt), gecombi­neerd met de barokke beeld­spraak die is ontleend aan het humanitaire ex­pressionis­me.

Critici waren over het algemeen niet erg positief over deze bundel. Opvallend is wel dat er al heel wat besprekingen aan gewijd zijn.

Qua boekverzorging en typografie viel er nog niet zoveel te beleven aan dit debuut, maar dat veranderde snel met de volgende bundel.

1930: Sine Nomine

In de jaargangen 1928 en 1929 publiceert Engelman in De Ge­meenschap, maar ook elders, de gedichten die in zijn tweede bundel Sine Nomine (1930) terecht zullen komen. In De Gemeenschap zijn dit vooral de bekend geworden klankgedichten Vera Janaco­poulos en Arne Borg, en de gedichten Over het gras en Met Jeanne d’Arc op Kerstmis. Het aantal bijdragen van Engelman aan De Gemeen­schap neemt in deze jaren af. Engelman blijkt ook met andere, veelal niet-katholieke tijd­schrif­ten vriendschap­pelijke banden te onderhouden. Zo wordt in het meer algeme­ne podium De Vrije Bladen in 1927 zijn gedicht October opgeno­men. Een ander gedicht, Amenop­his IV, verschijnt in 1928 in het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande en Belfort en Maria te Canne in De Gids van 1929. Engelman is een van de weinigen binnen het verzuilde literaire leven die zich zó vrij beweegt buiten de eigen groep.

Toon en ritme – er zit iets strakgecomponeerds in de ogenschijnlijk wat grillige vorm – geven dit gedicht zijn dwingend poëtisch karakter, al doet het in de verte inhoudelijk een beetje aan “Cheops” denken van J.H. Leopold.

In 1929 wordt ook Anton van Duinkerken in de redactie van De Gemeen­schap opgeno­men; hij raakt goed bevriend met Engelman. Ondanks het stempel dat Van Duinkerken vanaf het begin op het blad drukt, is het tij echter niet meer te keren: Engel­man en De Gemeen­schap raken geleide­lijk steeds verder van elkaar verwij­derd. In 1928 en 1929 zijn nog enkele belangrijke opstellen van zijn hand te vinden: over de beeldende kunste­naars Henk Wiegersma en Henri Jonas, over de dichters Karel van de Woes­tijne, Erich Wichman en over de criticus Gerard Bruning. In 1930 is vooral het opstel over het tijdschrift Leiding van P.N. van Eyck van belang, die op zijn beurt een bespreking wijdt aan De Gemeenschap en een aan Sine Nomine van Engelman.

In 1930 lopen de conflicten over de koers van het blad tussen de redacteuren hoog op, tussen Engelman en Van Duinkerken enerzijds en Henk Kuitenbrou­wer en Albert Kuyle (= Louis Kuitenbrou­wer) anderzijds. Met name Kuyle heeft steeds meer kritiek op Engelman, ook als persoon, en op diens leefwijze, die in de ogen van Kuyle losban­dig is. Eind 1930 verlaat Engelman de redactie van De Gemeenschap. Albert Kuyle, die tot dan toe slechts mede­wer­ker en redactie­secretaris is geweest, neemt dan zitting in de redactie.

Ondertussen is Engelmans ster rijzende aan het firmament van de Nederlandse literatuur. Zijn klankge­dichten, waaronder Vera Janacopoulos wel het meest, worden natio­naal bekend en roepen zowel positieve als nega­tieve reacties op. In 1930 ver­schijnt ─ nog bij uitgeverij De Ge­meen­schap (gelieerd aan het tijdschrift) ─ Engel­mans tweede bundel, Sine Nomine. Het is een luxe uitgave, in een kleine oplage gedrukt door de bekende Maastrichtse typograaf Charles Nypels.

Jan Engelman, Sine Nomine. De Gemeenschap, Utrecht, 1930. 1e druk – gebonden, 49p.

In deze bundel vinden we nog wel enkele langere, aan het expressionisme en vitalisme herinnerende gedichten zoals “The Flying Fool”, waarin wat modieus de vliegende avonturier Charles Lindbergh wordt verafgood: “Een nieuwe jeugd ging opwaarts in zijn Ster.” Engelman noemt hem o.a. de “ijlbode onzer nostalgie”. Het is duidelijk dat hij experimenteerde met vorm en inhoud en nog zijn weg moest vinden.

The Flying Fool (fragment)

Lindbergh is de drager van het olympische vuur, hij heeft een grootse prestatie geleverd, die model staat voor en symbool is van het nieuwe elan van na de Eerste Wereldoorlog. Tegelijkertijd is het een aansporing voor de jong-katholieken. Met recht kan gezegd worden dat dit gedicht, zoals meer gedichten in de eerste afdeling van Sine Nomine, aansluit bij de vitalisti­sche gedichten uit Het Roosvenster. Gedurende de bundel is een geleide­lijke overgang waar te nemen naar een meer individualisti­sche en hellenis­tische sfeer, wat blijkt uit de aanwezigheid van een aantal typeren­de kenmerken: classicisme, estheticisme, (neo-)platonisme en (algemeen-) christelijke religiositeit.

In de bundel zijn ook al enkele gedichten te vinden die typerend zijn voor de latere, “musische” Engelman, zoals het bekendste gedicht van hem, het klankdicht “Vera Janacopoulos”, en andere experimenten op dit terrein, “Arne Borg” (een beetje in de stijl van Paul van Ostaijen) en “En Rade”.

Arne Borg (fragment)

Het is ook typerend dat de meeste van deze klankdichten, samen met strakker gecomponeerde gedichten als “Verdreven Oogen”, “Zacht branden” en “Hij daalde sluimerend” ook in de volgende bundels worden opgenomen.

Twee gedichten uit de cyclus ‘Het grensland’. De gedichten II, IV en V zullen in Tuin van Eros als zelfstandige gedichten, los van elkaar met een eigen titel, worden opgenomen.

“Zacht branden” laat al een glimp zien van de mystiek aandoende erotiek waarvan Engelmans volgende bundel geheel doordrongen is. Het is een klankrijk gedicht, waarin enjambement, rijm en metriek nagenoeg perfect samengaan met de inhoud.

De bundel Sine Nomine wordt in de kritiek niet onverdeeld gunstig beoor­deeld, maar men onderkent wel de waarde van sommige afzonder­lijke gedichten. Waar­schijnlijk heeft dit Engelman ertoe gebracht van Sine Nomine geen herdruk uit te brengen, maar enkele, in van de meest spraakmakende ge­dich­ten in een nieuwe bundel weer op te nemen. In Tuin van Eros (1932) zijn inder­daad negen gedichten uit Sine Nomine opgeno­men.

Tot slot: deze keer valt er ook qua boekverzorging wat te beleven. Alleen al de fraaie schreefloze hoofdletters van de titelpagina en de boekband doen heel modern aan, en zowel het blauw op de grijze band als het rood als tweede kleur op de titelpagina vind ik erg mooi.

De bundel werd ook in maar een kleine oplage uitgegeven, gedrukt in Maastricht door de beroemde typograaf Charles Nypels. Het “colophon” is wat dubbelzinnig over de oplage en het papier: zijn er maar 50 in totaal uitgegeven en dus allemaal op het papier van Van Gelder Zonen, of zijn er meer gedrukt en zijn daarvan er 50 aldus gedrukt? In het eerste geval had ik een komma verwacht, maar het laatste is waarschijnlijker. Dit vraagt om nader uitzoeken (cliffhanger)!

Volgende keer: de verschillende drukken van Tuin van Eros (en al dan niet “andere gedichten” en de gewaagde tekeningen van Henk Wiegersma!

Joseph Roth’s 1002e Nacht

In dit boek komen verschillende liefdes samen, ten eerste de schrijver Joseph Roth en zijn werk. Ik hoorde en las voor het eerst van hem toen ik 17 of 18 jaar was.


Roth, Joseph, Die Geschichte von der 1002. Nacht. Roman. De Gemeenschap, Bilthoven, 1939. 1e druk – gebonden, 240p. 

De romans van Roth zijn doordesemd door een diepe melancholie, en een nostalgische terugblik op la belle époque in de Donaumonarchie, die met de Eerste Wereldoorlog, de Great War, dramatisch eindigde. Roth maakt dit goed invoelbaar, de lezer kan het zich levend voorstellen. Zijn bekendste roman is wellicht toch Radetzkymarsch (1932).

Hotel Savoy (1924) was de eerste roman die ik van Joseph Roth las, en het was een overdonderende ervaring. In de jaren ’30, met de machtsovername door de nazi’s, zocht Roth zijn toevlucht in Frankrijk. Als emigrantenschrijver deed hij ook Nederland aan, en raakte hij bevriend met onder andere Menno ter Braak. De literatuur van het interbellum en met name schrijvers als Ter Braak vormen een tweede persoonlijke liefde.

Daar is nog de kring van “jong-katholieken” uit die tijd aan toe te voegen: Jan Engelman, Anton van Duinkerken en tijdschrift De Gemeenschap, waaraan ook een gelijknamige uitgeverij verbonden was, die ook emigrantenliteratuur heeft uitgegeven. Bij deze uitgeverij verscheen ook het hierboven getoonde boek van Roth.

Die Geschichte von der 1002. Nacht verscheen in 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De roman vertelt het verhaal van de sjah van Perzië en speelt zich grotendeels af in Wenen rond 1880, waar de sjah – verveeld door zijn eigen harem – naar exotische verten smacht en dan Wenen opzoekt. Het mooie is hier de omkering van het westerse kolonialisme en de bijbehorende decadente motieven.

Externe links


Franse & Engelse banden (2)

Van links naar rechts:

Styl, S. [alias: Simon Stijl], Opkomst en bloei der Vereenigde Nederlanden. Brest van Kempen / J. de Vos en Comp., Brussel / Dordrecht, 1824. 3e druk – gebonden, LXXXIV+418p.

Nicoullaud, Charles, Récits d’une tante: Mémoires de la comtesse de Boigne née d’Osmond, I: 1781-1814. Plon-Nourrit et cie., Paris, 1909. 19e druk – gebonden, 505p.

Teirlinck, Herman, De wonderbare wereld. C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1907. 3e druk – gebonden, 296p.

Baker, Samuel W., The Nile Tributaries of Abyssinia. And the sword hunters of the Hamran Arabs. MacMillan and Co., London / New York, 1886. 1e druk – gebonden, XIX+413+47p.

Livingstone, David; Livingstone, Charles, Explorations dans l’Afrique australe. Et dans le bassin zu Zambèse depuis 1840 jusqu’a 1864. Vertaald uit het Engels door Loreau, Henriette, Librairie de L. Hachette, Paris, 1869. 1e druk – gebonden, XX+339p. – [Bibliothèque Rose Illustrée].

Corneille, Pierre; Corneille, Thomas, Théatre [2 tômes]. Avec notes et commentaire. Librairie de Firmin-Didot, Paris, 1875. 1e druk – gebonden, 558+549p.

Corneille, Pierre, Oeuvres de P. Corneille, Théâtre complet [3 tômes]. Nouvelle édition, imprimé d’après celle de 1682, ornée de portraits en pied coloriés, dessins de M. Geffroy. La Place, Sanchez et Cie., Paris, 1884. 1e druk – gebonden, VIII+592+616+697p.

Molière, Oeuvres complètes de Molière [2 tômes]. Nouvelle édition, la seule complète en 2 volumes in-12, ornée de 10 portraits en pied coloriés, dessinés de MM. Geffroy & H. Allouard. La Place, Sanchez et Cie., Paris, 1882. 1e druk – gebonden, VIII+803+823p.

Franse & Engelse banden

Enkele Franse en Engelse oude bandjes in de kast, waaronder een handgeschreven dictaat over commercieel recht, uit ca. 1870.

Van links naar rechts:

Caumont, M.A. de, Abécédaire ou Rudiment d’Archéologie: Architecture Religieuse. Ouvrage approuvé par l’Institut des provinces de France pour l’enseignement de cette science dans les Séminaires & les Maisons d’éducation des deux sexes. F. Le Blanc-Hardel, Caen, 1870. 5e druk – gebonden, 800p.

Pélerin, Adriaan L., Essais historiques et critiques sur le département de la Meuse-Inferieure, en general, et la ville de Maestricht, chef-lieu, en particulier. Francois Cavelier, Maastricht, 1803. 1e druk – gebonden, XI+377p.

Gautier, Théophile, Fortunio. Édition illustrée de dix-huit compositions de Paul-Émile Bécat. George Briffaut, Paris, 1934. gebonden, 212p.

Greville, Charles C.F., The Greville Memoirs. A journal of the reigns of king George IV and king William IV, edited by Henry Reeve [3 volumes]. Longmans, Green and Co., London, 1874. 2e druk – gebonden, 424+384+432p.

Fontaine, Jean de la, Oeuvres complètes – Fables [2 tômes]. Précédées d’une nouvelle notice sur sa vie. Chez Lefèvre, Paris, 1818. gebonden, XCI+242+320p.

Taine, H., Philosophie de l’art [2 tômes]. Hachette, Paris, 1901. 9e druk – gebonden, 292+360p.

Daudet, Alphonse, Tartarin sur les Alpes. Nouveaux exploits du heros Tarasconnais. Illustré par Rossi, Aranda, Myrbach, De Beaumont. C. Marpon & E. Flammarion, Paris, 1886. 1e druk – gebonden, 365p. – [Collection Artistique Guillaume Frères].

Vondel voor de neerlandicus als jongeman

Achteraf besef ik dat ik met het onderwijs dat ik kreeg (aan het Maastrichtse Henric van Veldekecollege) erg bevoorrecht was, specifiek waar het gaat om letterkunde en nog specifieker waar het gaat om Nederlandse letterkunde (al was de beroemde Fernand Lodewick al met pensioen). In de laatste drie jaren van het vwo had ik voor Nederlands achtereenvolgens de docenten C., D. en F. Zij loodsten ons uitgebreid door de literatuurgeschiedenis der Nederlanden en deden dat vrij grondig met ondersteuning van veel tekstvoorbeelden.

C. behandelde in het 4e leerjaar de middeleeuwen, D. in het 5e leerjaar de nieuwere letterkunde tot aan de Romantiek, en E. in het 6e leerjaar de literatuur vanaf de Romantiek (met veel nadruk op de Tachtigers). Ik kan me nog herinneren, dat D. op een maandagochtend zei: “Als ik één of twee van jullie duurzaam kan interesseren voor literatuur, dan is mijn missie geslaagd.” Als 16-jarige wist ik op dat moment al: daar ben ik er één van. Tijdens datzelfde jaar behandelden we met name “de Renaissance”, van Jan van der Noot en met Jan Luyken, van de familie Roemer Visscher tot en met Jacob Cats. Wij wisten, of konden weten, naar welke schrijver het Barlaeusgymnasium vernoemd was, wie La Défense et illustration de la langue française had geschreven, wat het belang was van de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, wat petrarkisme was en hoe de Franse Pléiade-groep invloed had op onze letterkunde.

Lees verder

Shakespeare’s plots

Een van de leukere boekjes waar ik onlangs op stuitte is een wel heel vrij bewerking van de bekende toneelstukken van William Shakespeare. De flaptekst vermeldt, niet zonder ironie:

“A new dimension, that of density, is added to Shakespearian scholarship by Nicolas Bentley’s analysis of Shakespeare’s plots. […] In fact, it is surprising that he has been able to follow the plays at all”

Het is dan ook een humoristisch bedoeld boekje met een zeer beknopte en eigenzinnige weergave van de inhoud van die toneelstukken.

Een van de aardigheden aan het boekje zijn ook de illustraties, waarvan een aantal in zeer frisse kleuren, die door het cartooneske karakter het grappige element onderstrepen.

Hieronder een aantal van deze illustraties. Het boek is uit 1972 en houdt zich nog niet aan de politiek correcte weergave van mensen: Othello is zo stereotiep weergegeven, dat menige zwarte piet erbij verbleekt. (Othello werd overigens meestal door een blanke man gespeeld, wat gezien de huidige discussie over “black face” de betreffende afbeelding nog pikanter maakt.)

Het dierlijke in de mens


Emile Zola, Het dierlijke in de mens. Vertaald uit het Frans door Fr. Schregel-Onstein, Kruseman, Den Haag, 1973. gebonden, 279p.

Dit is een wat oudere vertaling van La bête humaine, uit de Rougon-Macquart serie van Emile Zola. Bijzonder mooi is het stofomslag, dat doet denken aan populaire lectuur (jeugdboek of wat men tegenwoordig het 'spannende' boek noemt).

Arthur van Schendel

Een aantal van de boeken en drukken die in de jaren twintig en dertig verschenen van Arthur van Schendel zitten enkele exemplaren die fraai zijn uitgegeven, niet in de laatste plaats vanwege de bijzondere boekbanden, soms ook de frontispice of andere prenten en een enkele keer ook de typografie zelf. Hieronder enkele voorbeelden uit mijn eigen bibliotheek.

Arthur van Schendel, Blanke gestalten. - Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1923, 1e druk, 210p.

De rode linnen band is voorzien van opdruk in goud en zwart. Op het voorplat een afbeelding van een vrouwenfiguur (non) tegen de achtergrond van een kasteel- of burchtachtig gebouw. Op de rug is een bloemmotief te zien, dat waarschijnlijk een iris is, gezien ook het versierde schutblad, dat “Iris boeken” vermeldt.

Arthur van Schendel, Verlaine: het leven van een dichter. - Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1927, 1e druk, 184p.

Het bandontwerp doet erg aan Jugendstil denken, met een beetje een element van de zogenoemde “slaolie stijl”. Dit boek is een impressionistische beschouwing over persoon en werk van Verlaine, geen wetenschappelijke studie. Daarmee geeft het meer informatie over de auteur dan de beschrevene.

Fraaie roodlinnen band met zilveren opdruk, zilveren schutbladen. In eerste instantie dacht ik genept te zijn, omdat die zilveren schutbladen er later op geplakt leken, bij wijze van boekherstel, zo nieuw en modern leek dit materiaal, maar nader onderzoek leert dat dit oorspronkelijk zo bij het boek hoort. Ook mooi is de typografie in dit boek, met name door de kunstige verwerking van de uitgeversinitialen.

Arthur van Schendel, De waterman. - Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1933, 1e druk, 239p.

Kleine baat ~ een fraaie Beatrijs

Dichten, dat levert geen reet op. Pardon, ik bedoel: ‘Van dichten comt mi cleine bate. / Die liede raden mi dat ict late / Ende minen sin niet en vertare.’ Ook in de middeleeuwen hadden mensen al door dat je aan het schrijven van gedichten niet zoveel hebt. Een beetje normaal mens raadt het je af je tijd eraan te verdoen en je geest ermee te pijnigen.

Het grappige is hier, dat met deze regels een lang gedicht begint, en wel een van de bekendste oude gedichten uit de Nederlandse literatuur, de Beatrijs. Zolang we niet struikelen over wonderen en happy ending, kunnen we nog steeds genieten van dit verhalend gedicht. Het gaat immers om een Marialegende  uit de 14e eeuw, en die lopen, meestal dankzij bemiddeling van hogerhand, goed af. Lees verder

Vergeef mij dus deze aesthetische afdwaling

We bevinden ons in 1914. Het tegendraadse literaire tijdschrift van Forum (1932-1935) laat nog bijna 2 decennia op zich wachten. De voornaamste roergangers ervan, Menno ter Braak en Eddy du Perron, zijn nog opgroeiende pubers. Alvorens zij met veel verve ten strijde zullen trekken tegen de epigonen, de uitwassen en de eenzijdigheid van het Tachtiger estheticisme moet er eerst nog een Eerste Wereldoorlog worden uitgevochten, baant het wilde, emotionele expressionisme zich een weg door literatuur en kunsten, moet de beurskrach van 1929 nog plaatsvinden, gevolgd door de Grote Depressie en bijbehorende ontnuchtering van de jaren ’30, wat in de kunst en literatuur samengaat met de Nieuwe Zakelijkheid, die weer van grote invloed is op de ‘nuchtere’ poëtica van onder andere Ter Braak en Du Perron. Dat alles is in 1914 nog redelijk ver weg.

Des te treffender vind ik dit zinnetje uit 1914, van een schrijver die inmiddels in het vergeetboek lijkt geraakt, Jan Greshoff (1888-1971): ‘Vergeef mij dus deze aesthetische afdwaling.’ Greshoff behoort tot de generatie auteurs, een dikke tien jaar ouder dan de voormannen van Forum, wiens ontwikkeling (om met Gerard Knuvelder te spreken)  ‘vooruitliep op die van de auteurs van Forum’. Lees verder

De Vliegende Hollander

Het verhaal van de Vliegende Hollander, over een spookschip dat voor eeuwig rond Kaap de Goede Hoop zou varen, is vermaard en vele malen bewerkt (zie o.a. Wagner). Waar komt dat verhaal vandaan? Is het wel een authentiek Nederlands verhaal? Op dit soort vragen probeerde Gerrit Kalff jr. een antwoord te vinden.

Het resultaat van zijn zoektocht bracht hij uit in een gepassioneerd en bloemrijk, zij het soms wat gedateerd proza, onder de titel: De sage van den Vliegenden Hollander, met de in onze oren wat ouderwets deftig klinkende ondertitel “Naar behandeling, oorsprong en zin onderzocht”. Het boek verscheen in 1923 bij uitgeverij W.J. Thieme. Lees verder

Les Contes Remois ~ Over deugnieten

Dat het geluk (welbevinden) van een bibliofiel soms ook echt een kwestie van geluk (toeval) is, heb ik onlangs weer eens mogen ervaren. Een plek waar ik zelden kom, niet eens ver van huis. Men verkoopt er allerhande tweedehands goed. Het is er een grote rommel. Daarbij hanteert men gemiddeld vrij hoge prijzen, behalve voor de boeken. Nu was er bovendien 30% korting, wat bij de boeken praktisch gezien neerkwam op een ruime afronding van de prijs naar beneden. Dat laatste besefte ik pas toen ik met een nog bijna hagelnieuwe gebonden Siebelink aan de kassa kwam. Ik rekende af, maar ik ging ook weer terug naar binnen, want ik had een “wel aardig” kunstboekje gezien, dat dan ook nog mee kon. Omdat ook de boeken vrij onoverzichtelijk bij elkaar staan en ook op stapels in dozen en kratten liggen, speurde ik nog een beetje door de kasten en bakken, totdat mijn hart een klein sprongetje maakte (typerende bibliofielen- / verzamelaarsafwijking, doorgaans onschuldig).

 

Tot mijn grote verbazing stuitte ik op een Franstalig werkje, met gedichten en prentjes uit het jaar MDCCCLXIV (1864), getiteld Les Contes Remois. Oftwel: verhalen van Reims, de Noord-Franse plaats waar de auteur leefde en overleed. Deze “Comte de Chevigné”, blijkt Louis de Chevigné (1793-1876) te zijn. De uitgevers van dit boekje waren de gebroeders Michel Levy te Parijs.

Lees verder