Dubbele boekhouding – deel 1

In de loop van de jaren zijn enkele dubbele exemplaren in mijn kasten terecht gekomen. Meestal weet ik dan verdomd goed dat ik dat boek al  heb, maar ik moest het zo nodig redden van de ondergang, dacht dat ik het als cadeau kon gebruiken of doorverkopen om zo andere boekaankopen te bekostigen. Dat laatste bleek meestal een illusie, soms een voltreffer en slechts zelden echt bevredigend. Het cadeau-argument komt in de praktijk minder vaak voor dan je je voorneemt, en het willen redden van die arme boeken getuigt van een al te sentimenteel verlosserssyndroom. Alleen het vervangen van een min of meer versleten of anderszins slecht exemplaar door een beter exemplaar vormt een geldig excuus (maar dan moet je dat oude exemplaar wel wegdoen, behalve weer als het boek sentimentele waarde heeft).

Ik koop dus niet meer hetzelfde boek! Edities van een werk, die onderling verschillen, al was het maar vanwege het omslag, vallen echter buiten deze strenge regeling. Van de Verzamelde gedichten van J.C. Bloem kreeg ik in 1991 een mooie gebonden uitgave cadeau, de 9e druk uit 1986. Zoals links op de foto is te zien, is het veel gelezen en is het vaak meeverhuisd. Er staan enkele potloodaantekeningen van mijzelf in, allemaal uit begin jaren ’90. Nooit zal ik het over mijn hart verkrijgen om dit weg te doen. Onlangs liep ik tegen het rechter exemplaar aan, een paperback uitgave uit 1998, eveneens fraai vormgegeven, in nagenoeg maagdelijke staat. Een van je favoriete dichters, dus wat doe je dan? Juist. “Dat wordt dan mijn leesexemplaar.” Geloof ik dat echt? Bovendien heb je toch dat eerste exemplaar al duidelijk gelezen? Lees verder

“Beetren zijn heengegaan, en met een minder deel” – J.C. Bloem

Denkend aan gedichten van Bloem, moet ik aan de herfst denken. Neerslachtigheid, verveling en gefrustreerd verlangen voeren de boventoon. De dichter moeten we echter niet op zijn woord geloven, althans niet op de woorden die de boventoon voeren. Laten we Bloem eens tegendraads lezen!

Het regent en het is november [102]*. Ik ken eigenlijk geen dichtregel die het herfstgevoel zo kernachtig uitdrukt. Hier zit alles in. Of denk aan de “blaren” die in de gele grachten vallen, “Weer keert het najaar en het najaarsweer” [87]. Je hoeft de verzamelde gedichten van J.C. Bloem (1887-1966) maar op een willekeurige pagina open te slaan of de herfst komt je in geuren en kleuren tegemoet.

Maar er staat méér dan er staat. De gedichten van Bloem zijn helemaal niet zo eenduidig herfstig als dat je op het eerste gezicht zou denken.

Lees verder