De postmoderne Lambik

Op de leeftijd dat je doorgaans de avonturen van Suske & Wiske tot je neemt, heb je meestal nog niet gehoord van metafictie of postmodernisme. Als je op latere leeftijd, gepokt en gemazeld in verschillende opzichten, al dan niet per ongeluk een van de albums doorbladert, dan valt aan de humor van Lambik opeens iets op:

SuskeWiskePostmodern1

Als we “metafictie” (vorm van fictie waarin bewust verwijzingen naar het fictie-medium zijn opgenomen), het spel met en problematiseren van de relatie tussen fictie en werkelijkheid, het commentaar op het medium zelf (“niet datgene wat verteld wordt staat centraal, maar het vertellen zelf”) etc. als de belangrijkste kenmerken van postmoderne literatuur (http://nl.wikipedia.org/wiki/Postmoderne_literatuur…) zien, dan gaan er bij deze pagina uit Suske en Wiske “De tamtamkloppers” wel enkele bellen rinkelen: zo past Lambik al gummend en tekenend zijn eigen wapens aan om binnen de context van het verhaal weerstand aan de tegenstrevende personages te kunnen bieden.

SuskeWiskePostmodern2

Ook het afgeplakte plaatje verderop, dat geweld had moeten tonen, maar dat – o ironie – door de auteur zelf zogenaamd gecensureerd is (maar waardoor er wellicht des te meer focus wordt gelegd op het buitensporige geweld), en tot slot de laatste 2 plaatjes, waar Lambik de apenkoning letterlijk achter het plaatje heeft geslagen, waarbij hij binnen het verhaal er nadrukkelijk buiten treedt door te verwijzen naar het plaatje. Postmodernisme in een notendop dus. Zou Willy Vandersteen (anno 1969!) zich van deze theoretische implicaties bewust zijn geweest?

 

De uiensoep die koestert & vertroost (Queneau)

Een jong meisje, Zazie, wordt door haar moeder gedropt in Parijs bij oom Gabriël, die als “veilig” te boek staat, aangezien hij zijn geld verdient door als vrouw verkleed op te treden voor publiek (voortdurend wordt in het boek gezinspeeld op zijn homoseksualiteit, maar Gabriël ontkent consequent). Het metropersoneel blijkt echter te staken, dus er rijden geen metro’s, het hele boek door niet.

Pas op de allerlaatste bladzijden rijdt er eindelijk weer een metro en dan wordt in één zinnetje afgeraffeld hoe de op de vlucht zijnde hoofdpersonen elk een andere lijn zullen nemen, inclusief Zazie, maar die is nog verdoofd en half buiten bewustzijn, dus of ze er iets van meekrijgt? Daarmee heeft de titel de lezer al vanaf het begin op het verkeerde been gezet. Deze ironische manoeuvre van de schrijver, Raymond Queneau, zet ons op het spoor dat we dit verhaal wellicht niet moeten lezen als een realistisch verhaal. Een bont scala van personages (ik spreek met opzet niet van personen) trekt aan de lezer voorbij. Sommigen blijken bij nader inzien niet te zijn wie ze zijn, en belanden van de ene in de andere absurde situatie.

Lees verder