Nu stelt het puick van zoete kelen

Het jaar 1937 was het 350-ste geboortejaar van Joost van den Vondel. Bovendien was Gysbrecht van Aemstel, een van zijn bekendste werken, precies 300 jaar oud. De grote Vondel-herdenking werd dat jaar gevierd met tal van uitgaven van zijn werken, waaronder de 10 kloeke delen van De werken van Vondel (uitgegeven tussen 1927 en 1937).

Ik realiseer me dat mijn uitgebreide kennismaking met Vondel (en overigens ook Hooft en Huygens) met name te danken was aan de uitstekende lessen aan het Henric van Veldekecollege te Maastricht. Naast de bekendste (kleinere) gedichten van Vondel hebben we destijds in de klas (vwo 5) ook Gysbrecht van Aemstel integraal gelezen.

Lees verder

Het rijke Roomse leven

Beter zou het zijn om te schrijven: Roomsche, aangezien het gaat om de periode tussen globaal 1860 en 1960. De periode van kinderrijke gezinnen, regelmatig kerkbezoek, uitbundige vieringen op feestdagen, een eigen Katholieke Radio Omroep (KRO) en een eigen Katholieke Universiteit in Nijmegen.

We hebben het vooral over de periode tussen de twee wereldoorlogen, het interbellum, waarin de verzuiling een belangrijke rol speelde. Nederland bestond uit de katholieke, de protestantse, de socialistische en de “algemene” zuil. Men onderhield binnen elke zuil eigen rituelen, ging naar de eigen kerk of gemeenschapsviering, voetbalde bij een katholieke of protestantse club en stemde meestal trouw op dezelfde partij. Voor de katholieken was dat toen nog de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP, later KVP).

Lees verder

Een futuristisch boekje

Onderstaand boekje – het lijkt meer op een tijdschriftje – uit 1937 trok mijn aandacht door de moderne, enigszins futuristische vormgeving. De afbeelding op de voorkant doet denken aan een bekende science fiction tekenfilmserie uit de jaren ’80 met gehelmde en vliegende helden.

Al zoekende blijkt er heel weinig te vinden over dit boekje. Antiqbook en Boekwinkeltjes kennen het niet. Google, Delpher en de KB leveren geen relevante zoekresultaten op.

Lees verder

Jan Engelman ~ 2

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). In een vorige aflevering behandelde ik het ontluiken van dit boeiende dichterschap, van zijn bijdragen aan tijdschrift De Gemeenschap (1925) tot en met de fraaie bundel Sine Nomine (1930). In onderstaande ga ik in op Engelmans belangrijkste dichtbundel, die bovendien een interessante drukgeschiedenis kent en waarbij ook voor bibliofielen pur sang wat te beleven valt: Tuin van Eros.

Tuin van Eros (1932), band met tekening van Henk Wiegersma

Context

De eerste druk van Tuin van Eros (1932) verschijnt in een periode dat Engelman buiten De Gemeenschap staat. Behalve dat hij sinds 1930 geen redac­teur meer is, draagt hij ook niets meer bij aan het tijd­schrift dat hij ooit samen met Kuitenbrouwer en Kuyle, nu zijn vijanden, op­richt­te. Binnen de groep van De Gemeenschap zijn zelfs steeds meer negatieve geluiden in de richting van Engelman te horen, bij­voor­beeld van Albert Kuyle en Henk Kuiten­brouwer. Zo publiceert Kuyle in 1932 in het tijdschrift zelf een fel polemisch stuk, waarin hij ontkent dat Engelman in de voorbije periode ook maar van enige positieve waarde voor de katholieke literatuur is geweest. Alleen Anton van Duinkerken neemt het voor Engelman op.

Lees verder

Jan Engelman ~ 1

In 1996 studeerde ik af aan de Radboud Universiteit, die toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen heette. Mijn afstudeerscriptie ging over de bekendste onbekende katholieke dichter uit het interbellum, Jan Engelman (1900-1972). Eén ding kreeg ik al gauw in de gaten: het verzamelen van Engelman was niet alleen leuk om je studie-object zo compleet mogelijk in huis te hebben, maar ook op het gebied van drukgeschiedenis, typografie en boekverzorging valt er aan Engelmans werk veel te beleven. In een aantal afleveringen laat ik de dichtbundels van 1927-1940 de revue passeren. Hieronder de eerste aflevering: over het debuut uit 1927 en de wonderlijk mooie bundel Sine Nomine (1930).

1927: het debuut

Jan Engelman kwam voort uit de groep die men wel is gaan aanduiden als de jong-katholieken, die aanvankelijk deels rondom het tijdschrift Roeping waren georganiseerd (zoals iedereen zich organiseerde naar gezindte in het verzuilde Nederland). Ontevreden jonge katholieke schrijvers keerden zich tegen de tendens in Roeping om kunst en literatuur eenzijdig ethisch-religieus te benaderen: schoonheid is dat wat tot God leidt en de kunstenaar moet in zijn kunst vooral zijn geloof belijden.

Engelman heeft in Roeping ook enkele gedichten gepubliceerd, maar al spoedig, in 1925, richtte hij samen met enkele andere ‘jongeren’ een nieuw tijdschrift op, De Gemeenschap. In het tijdschrift publiceerde Engelman weer gedichten, maar ook beschouwingen over literatuur en kunst.

In 1927 bundelde Engelman een aantal van zijn eerste gedichten in Het Roosvenster.

Jan Engelman, Het roosvenster. Stenfert Kroese & Van Der Zande, Arnhem, 1927. 1e druk – paperback, 15p. – gedrukt bij drukkerij Boosten & Stols, crème papieren omslag, rood uitgeversembleem.

Het is een dun bundeltje en geeft een heel ander beeld dan we bij Engelman hebben: de gedichten zijn langer dan zijn latere, meer lyrische poëzie en vertonen behoorlijk lange regels, zoals in het gedicht “De geboorte”.

Lees verder

Kleine baat ~ een fraaie Beatrijs

Dichten, dat levert geen reet op. Pardon, ik bedoel: ‘Van dichten comt mi cleine bate. / Die liede raden mi dat ict late / Ende minen sin niet en vertare.’ Ook in de middeleeuwen hadden mensen al door dat je aan het schrijven van gedichten niet zoveel hebt. Een beetje normaal mens raadt het je af je tijd eraan te verdoen en je geest ermee te pijnigen.

Het grappige is hier, dat met deze regels een lang gedicht begint, en wel een van de bekendste oude gedichten uit de Nederlandse literatuur, de Beatrijs. Zolang we niet struikelen over wonderen en happy ending, kunnen we nog steeds genieten van dit verhalend gedicht. Het gaat immers om een Marialegende  uit de 14e eeuw, en die lopen, meestal dankzij bemiddeling van hogerhand, goed af. Lees verder

Vergeef mij dus deze aesthetische afdwaling

We bevinden ons in 1914. Het tegendraadse literaire tijdschrift van Forum (1932-1935) laat nog bijna 2 decennia op zich wachten. De voornaamste roergangers ervan, Menno ter Braak en Eddy du Perron, zijn nog opgroeiende pubers. Alvorens zij met veel verve ten strijde zullen trekken tegen de epigonen, de uitwassen en de eenzijdigheid van het Tachtiger estheticisme moet er eerst nog een Eerste Wereldoorlog worden uitgevochten, baant het wilde, emotionele expressionisme zich een weg door literatuur en kunsten, moet de beurskrach van 1929 nog plaatsvinden, gevolgd door de Grote Depressie en bijbehorende ontnuchtering van de jaren ’30, wat in de kunst en literatuur samengaat met de Nieuwe Zakelijkheid, die weer van grote invloed is op de ‘nuchtere’ poëtica van onder andere Ter Braak en Du Perron. Dat alles is in 1914 nog redelijk ver weg.

Des te treffender vind ik dit zinnetje uit 1914, van een schrijver die inmiddels in het vergeetboek lijkt geraakt, Jan Greshoff (1888-1971): ‘Vergeef mij dus deze aesthetische afdwaling.’ Greshoff behoort tot de generatie auteurs, een dikke tien jaar ouder dan de voormannen van Forum, wiens ontwikkeling (om met Gerard Knuvelder te spreken)  ‘vooruitliep op die van de auteurs van Forum’. Lees verder

Omslagen Karel Beunis

Dat aan papieren boeken zoveel meer te beleven valt dan een willekeurige epub, hoef ik wellicht niet uit te leggen. Dat sommige boekuitgaven meer dan de tekst bieden en ware visuele kunstwerkjes kunnen zijn evenmin. En dat hoeven niet per se dure gebonden boeken te zijn. Zo ben ik zelf in de loop van de jaren verslingerd geraakt aan de uitgaven van De Bezige Bij, waarbij Karel Beunis de omslagen verzorgde (jaren ’60, begin jaren ’70 vorige eeuw). Meestal gaat het om vertaalde literatuur of om Vestdijk (die toen nog een onaantastbare positie had als romancier), het gaat in elk geval bijna altijd om heel goede literatuur. Dat ze ook nog eens (vaak als “Literaire Reuzen Pocket”) met een zeer kunstige en oogstrelende voorkant zijn uitgegeven, is de kers op de taart. En met een beetje geluk kom je ze voor één of enkele euri tegen hier en daar. Een selectie uit de Bibliotheca Habetsiana.